Strafrecht overig

Tussen de verdachte en de officier van justitie zijn procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken…

Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
71-242535-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15220
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussen de verdachte en de officier van justitie zijn procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. Een belangrijk element daarbij was of de verdachte begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben. Tijdens het onderzoek op de zitting stond bovenal de beantwoording van de vragen van artikel 348 en met name van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) centraal, meer in het bijzonder de vragen naar het bewijs en de straf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 71-242535-25

Datum zitting en uitspraak: 16 oktober 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op [adres] [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Detentiecentrum [verblijfsplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. M. van Stratum

Officier van justitie: mr. C. Goedegebuure

Kern van het vonnis

Tussen de verdachte en de officier van justitie zijn procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. Een belangrijk element daarbij was of de verdachte begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben. Tijdens het onderzoek op de zitting stond bovenal de beantwoording van de vragen van artikel 348 en met name van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) centraal, meer in het bijzonder de vragen naar het bewijs en de straf.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – kort gezegd – heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven uit de Opiumwet, medeplegen van het aanwezig hebben, vervoeren, afleveren en verkopen van (blokken) cocaïne en van voorbereidingshandelingen gericht op de (internationale) drugshandel.

De volledige tenlastelegging, na de akkoord bevonden wijziging van 2 oktober 2026, is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2 Procesafspraken

2.1.

Totstandkoming

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, en de officier van justitie hebben een overeenkomst gesloten waarbij procesafspraken zijn gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank de gemaakte afspraken met de verdachte, zijn raadsman mr. M. van Stratum en de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure, besproken. De procesafspraken houden in dat de verdachte geen verweren voert en geen onderzoekswensen indient, dat hij zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken en dat hij afstand doet van hetgeen onder hem in beslag is genomen – inclusief het geldbedrag dat is aangetroffen op de telefoon – en van hetgeen in beslag is genomen tijdens de doorzoeking aan [adres] te [plaats] op 2 december 2025, met uitzondering van het horloge met beslagcode [code] . Verder houden de afspraken in dat de officier van justitie ter terechtzitting de volgende straffen zal vragen: een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 9.100,- te vervangen door 182 dagen hechtenis. Tot slot zien beide partijen af van het instellen van hoger beroep indien de bewezenverklaring en strafoplegging conform de procesafspraken plaatsvinden. Er zijn geen procesafspraken gemaakt met betrekking tot de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en er zal geen ontneming volgen.

Op de zitting is aan de orde geweest of de verdachte vrijwillig met de procesafspraken heeft ingestemd en of hij zich bewust is van de inhoud en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij betrokken was bij de totstandkoming van de procesafspraken en dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak hebben. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij de procesafspraken heeft ondertekend in aanwezigheid van zijn raadsman.

2.2.

Oordeel rechtbank

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten.

Overigens is ook sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM hiervoor stelt.

De beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv in deze strafzaak is leidend. Die beantwoording volgt hierna.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Vordering van de officier van justitie en standpunt verdediging

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan de inhoud van de procesafspraken en de rechtbank verzocht deze te volgen.

3.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Nu de verdediging geen verweer heeft gevoerd dat strekt tot vrijspraak en de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

3.3.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1
in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 1 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

  • [medeverdachte 1] en/of

  • [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en/of vijfde lid, artikel 10a eerste lid, artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 11a Opiumwet;

2
2.
op of omstreeks [geboortedatum] 2019 te Delft althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

  • opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd, en

  • opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 70 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3
in de periode van 1 januari 2025 tot en met 2 december 2025, te [plaats] , althans in Nederland
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

  • het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,

  • het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren, en

  • het opzettelijk vervaardigen

van cocaïne en (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

  • voorwerpen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door:

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de samenstelling van aan te kopen partijen cocaïne en

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de beschikbaarheid van cocaïne en

  • met derden via chat-applicaties foto's uit te wisselen van cocaïne en

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over het transport van cocaïne en

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de logistieke afhandeling, transport van de cocaïne en

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over deklading van cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, artikel 10a eerste lid, artikel 11 derde, vierde, vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3. om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen/doen plegen/mede te plegen/om daarbij behulpzaam te zijn/om daartoe gelegenheid, middelen en of inlichtingen te verschaffen en

zich/een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

voorwerpen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

4.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straffen

5.1.

Eis van de officier van justitie en standpunt verdediging

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 9.100,- te vervangen door 182 dagen hechtenis.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan de inhoud van de procesafspraken en de rechtbank verzocht deze te volgen.

5.2.

Oordeel van de rechtbank

5.2.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij is ook aandacht voor de tussen de verdediging en de officier van justitie gemaakte procesafspraken.

5.2.2.

De feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan medeplegen van het aanwezig hebben, afleveren, vervoeren en verkopen van blokken cocaïne, voorbereidingshandelingen en maakte daarbij deel uit van een criminele organisatie gericht op de (internationale) drugshandel. Daarbij heeft de verdachte geen ondergeschikte rol gehad. Met zijn handelen heeft de verdachte langdurig een bijdrage geleverd aan de (internationale) drugshandel. Niet alleen zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid, de handel gaat ook gepaard met – niet zelden ernstige – geweldsdelicten. De feiten hebben een corrumperende en ontwrichtende werking op de samenleving en daarmee op de Nederlandse rechtsorde. De verdachte heeft zich daar kennelijk niet om bekommerd en zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële voordeel bij het meedoen aan deze illegale handelspraktijken.

5.2.3.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 31 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

5.2.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij de ernst van de feiten past een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de forse overschrijving van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, acht de rechtbank de straffen die de officier van justitie overeenkomstig de procesafspraken heeft geëist passend en geboden.

Aan de verdachte wordt daarom opgelegd een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van

€ 9.100,-, subsidiair 182 dagen hechtenis.

6 Beslag

6.1

Overeenstemming officier van justitie en verdediging

De officier van justitie en de verdachte hebben in de procesafspraken overeenstemming bereikt over het beslag. Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van hetgeen onder hem en tijdens de doorzoeking aan [adres] te [plaats] op 2 december 2025 in beslag is genomen, zoals opgenomen in de procesafspraken en besproken onder 2.1.

Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 23, 24c, 47, 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 11b van de Opiumwet.

8 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Geldboete

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 9.100,- (negenduizendhonderd euro);

beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 182 dagen.

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. J.C. Oord en T.J. Roest Crollius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. den Hollander, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Mr. T.J. Roest Crollius is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

1.
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 1 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

  • [medeverdachte 1] en/of

  • [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en/of vijfde lid, artikel 10a eerste lid, artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 11a Opiumwet;


2.
op of omstreeks [geboortedatum] 2019 te Delft althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

  • opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of

  • opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 70 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne althans zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
in of omstreeks periode van 1 januari 2025 tot en met 2 december 2025, te [plaats] , althans in Nederland
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

  • het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

  • het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

  • het opzettelijk vervaardigen

van cocaïne en/of (meth)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door:

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de samenstelling van aan te kopen partijen cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de prijs van een kilo cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de beschikbaarheid van cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties foto's/video's uit te wisselen van cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over het gebruik van en het transport van cocaïne /of

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over de logistieke afhandeling, transport van de cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties te communiceren over verstoplocaties, deklading, prijs en het uithalen van cocaïne en/of

  • met derden via chat-applicaties foto's/video's uit te wisselen van blokken cocaïne.