Strafrecht overig

Veroordeling voor bedreiging, voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie, hennep en een Cobra tot een…

Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
10-191330-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15228
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging, voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie, hennep en een Cobra tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Vrijspraak poging doodslag en poging zwaar lichamelijk letsel toebrengen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-191330-26

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

Datum zitting: 14 oktober 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Letland),

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] ,

gedetineerd in [verblijfsplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. T. Sandrk

Officier van justitie: mr. N. van der Hoeven

Kern van het vonnis

De verdachte heeft voor een woning waar tieners aan het feesten waren met een vuurwapen in de lucht geschoten. Bij zijn aanhouding zijn in de woning en in zijn voertuig een pistool, kogelpatronen, een hoeveelheid hennep en een Cobra aangetroffen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

1 Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:

1. primair

hij op of omstreeks 3 juli 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een of meer nn-perso(o)n(en),

van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van een balkon van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 3 juli 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten een of meer nn-perso(o)n(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van een balkon van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 3 juli 2026 te Rotterdam een of meer nn-perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op of in de richting van een balkon van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam;

2

hij op of omstreeks 4 juli 2026 te Rotterdam, een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1 categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten -een pistool, merk onbekend, model FN Browning Hi-Power (kaliber 9x19 mm) en/of (bijbehorende) munitie, als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid (van in totaal 18) kogelpatronen voorhanden heeft gehad;.

3

hij op 4 juli 2026 te Rotterdam, opzettelijk, aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4

hij op of omstreeks 4 juli 2026 te Rotterdam al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten -een stuk knalvuurwerk (Cobra), bestemd voor particulier gebruik voorhanden heeft gehad.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 1 subsidiair en dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair en 1 subsidiair. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Vrijspraak feit 1 primair en feit 1 subsidiair

De beschuldigingen onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair zijn niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

2.3.2.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat

1. meer subsidiair

hij op 3 juli 2026 te Rotterdam een persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel af te vuren in de richting van een balkon van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam;

2

hij op 4 juli 2026 te Rotterdam, een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1 categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk onbekend, model FN Browning Hi-Power (kaliber 9x19 mm) en (bijbehorende) munitie, als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid van in totaal 18 kogelpatronen voorhanden heeft gehad;

3

hij op 4 juli 2026 te Rotterdam, opzettelijk, aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4

hij op 4 juli 2026 te Rotterdam opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten een stuk knalvuurwerk (Cobra), bestemd voor particulier gebruik voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever]

3. Proces-verbaal van de politie, doorzoeking woning en inbeslagneming patronen, hennep en Cobra

4. Proces-verbaal van de politie, aantreffen vuurwapen

5. Proces-verbaal van de politie, onderzoek pistool

6. Proces-verbaal van de politie, onderzoek munitie

7. Proces-verbaal van de politie, wegen inbeslaggenomen hennep

8. Proces-verbaal van de politie, omschrijving vuurwerk

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 meer subsidiair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 4

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de gevorderde gevangenisstraf te verlagen tot 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan een groot gedeelte voorwaardelijk wordt opgelegd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft met een pistool in de lucht geschoten in de nabijheid van een feestje waar tieners aanwezig waren. Bedreigingen als deze zijn zeer beangstigend. Ook in meer algemene zin draagt dit schietincident bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte was in het bezit van een pistool, meerdere kogelpatronen, een hoeveelheid hennep en een Cobra. De aanwezigheid en het gebruik van vuurwapens in de openbare ruimte is in Rotterdam een toenemend probleem waardoor het veiligheidsgevoel van heel veel mensen wordt geraakt. Het bezit van vuurwapens leidt vaak tot het daadwerkelijke gebruik daarvan en alle ernstige gevolgen van dien. Dat is in dit geval ook gebleken. Dat er geen slachtoffers zijn gevallen is meer geluk dan wijsheid en in ieder geval niet aan het handelen van de verdachte te danken. Ook een in de lucht geschoten kogel komt immers op enige moment weer ergens op de grond terecht, met alle risico’s van dien.
Met het voorhanden hebben van hennep heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit en alle daarmee gepaard gaande gevaren voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid. Cobra’s zijn zware en gevaarlijke explosieven. Het gaat om professioneel vuurwerk dat krachtige explosies teweeg brengt, vergelijkbaar met de kracht van een handgranaat. Algemeen bekend is dat bij het afsteken van dergelijk professioneel en zwaar vuurwerk door particulieren met regelmaat iets fout gaat en dat daarbij ernstig letsel aan personen en schade aan goederen kan ontstaan.

De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Fivoor van 30 september 2026 staat het volgende.

De reclassering ziet risicofactoren in het middelengebruik en psychosociaal functioneren van de verdachte. De verdachte dempt zijn gevoelens en angsten door het gebruik van middelen. Wanneer hij middelen gebruikt, begint hij te gokken en kent dan geen rem. Het lukt de verdachte niet om uit zichzelf langdurig abstinent te blijven. Zes jaar geleden is de verdachte gediagnostiseerd met PTSS, chronische depressiviteit en paniekklachten. Hoewel deze diagnoses niet meer valide zijn, hebben ze mogelijk wel invloed gehad op de uitvoering van de beschuldiging.

Bij veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijkheid tot een kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Daarom wordt een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd.

De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, omdat het van belang is dat de verdachte meewerkt aan toezicht bij de reclassering. Van deze gevangenisstraf worden daarom 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn:
- Meldplicht;
- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
- Beheersing middelengebruik.

5 In beslag genomen voorwerp

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen vuurwapen wordt onttrokken aan het verkeer.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting afstand gedaan van het vuurwapen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal geen oordeel geven over het beslag, aangezien afstand is gedaan van het in beslag genomen voorwerp.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op
de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht,
de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet,
de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
het artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en
het artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 1 subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4, zoals in hoofdstuk 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. Meldplicht bij reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Reclassering Fivoor, [locatie-adres] in Rotterdam;

2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
de verdachte meewerkt aan diagnostiek en zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Ambulant Centrum van Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavingsproblematiek en het psychosociaal functioneren. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie en of stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

3. Beheersing middelengebruik
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van cocaïne, cannabis en alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1, 2 en 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Derijks, voorzitter,

en mrs. J.A. Terstegge en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Şahin, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 oktober 2026.

Mrs. Terstegge en Laanen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit zaaksdossier [dossiernaam] met proces-verbaalnummers [nummer 1] en [nummer 2] . Verklaard tijdens de zitting van 14 oktober 2026. Pagina’s 128 t/m 130. Pagina’s 12 t/m 14. Pagina’s 79 t/m 80. Pagina’s 68 en 69. Pagina’s 192 t/m 195. Pagina’s 72 t/m 78. Pagina’s 87 t/m 91.