Strafrecht overig
De verdachte is een zogenoemde uithaler en is veroordeeld voor (verlengde) invoer van 70 kilogram cocaïne en…
Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15312 · Rechtbank Rotterdam · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15312
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 10.132041.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15312
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte is een zogenoemde uithaler en is veroordeeld voor (verlengde) invoer van 70 kilogram cocaïne en het samen met anderen wederrechtelijk verblijven op een haventerrein.
Rekening houdend met de beperkte rol van de verdachte, zijn bekennende verklaring en zijn persoonlijke omstandigheden legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan het aflossen van zijn schulden en een locatieverbod voor de havengebieden Vlissingen, Maasvlakte en Waalhaven.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.132041.26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Datum zitting: 2 oktober 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. L.A.R. Newoor
Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor de (verlengde) invoer van 70 kilogram cocaïne en het samen met anderen wederrechtelijk verblijven op een haventerrein. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - ongeveer 70 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, en dat hij op 5 mei 2026 en/of 6 mei 2026 onbevoegd op een haventerrein en in containers aanwezig was.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 27 april 2026 tot en met 6 mei 2026 te Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 70 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2.
hij op of omstreeks 5 mei 2026 en/of 6 mei 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het terrein van [bedrijf] gelegen aan [adres 2] te Waalhaven Rotterdam, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang heeft/hebben verschaft tot die besloten plaats door middel van inklimming, waarbij hij, verdachte, zich al dan niet met zijn mededader(s) op die besloten plaats vervolgens de toegang heeft verschaft tot een gebouw, ruimte of vervoermiddel bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen, te weten een (of meer) container(s), door middel van braak en/of inklimming.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de feiten 1 en 2 bewezen en heeft gevorderd dat de verdachte hiervoor moet worden veroordeeld.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De bewezenverklaring luidt als volgt:
1.
hij in de periode van 5 mei 2026 tot en met 6 mei 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 70 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
2.
hij op 5 mei 2026 en 6 mei 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en overslag van goederen, te weten het terrein van [bedrijf] gelegen aan [adres 2] te Waalhaven Rotterdam, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders zich de toegang hebben verschaft tot die besloten plaats door middel van inklimming, waarbij hij, verdachte, zich met zijn mededaders op die besloten plaats vervolgens de toegang heeft verschaft tot een ruimte bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen, te weten containers, door middel van inklimming.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de Douane
3. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
4. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
5. Proces-verbaal van Douane Rotterdam Haven
6. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
7. Rapport van het Douane Laboratorium
8. Proces-verbaal van Harc Team Rotterdam
9. Proces-verbaal van Harc Team Rotterdam
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
2.
wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, terwijl de schuldige zich de toegang heeft verschaft tot die besloten plaats door middel van inklimming, en zich op die besloten plaats de toegang heeft verschaft tot een ruimte bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden die in het rapport van de reclassering staan vermeld.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf (eventueel) in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is een zogenoemde uithaler. Hij heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 70 kilogram cocaïne. Daarbij heeft hij zich samen met anderen wederrechtelijk op het Rotterdamse haventerrein en in de daar aanwezige containers begeven. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Door interventie van Douane en politie kon worden voorkomen dat de cocaïne ergens buiten het haventerrein zou worden afgeleverd.
Handel in harddrugs en gebruik ervan vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid en zorgen voor overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving nu dit vaak direct of indirect gepaard gaat met andere vormen van (zware) criminaliteit.
Aan de ene kant is de rol van de verdachte belangrijk binnen de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. Uithalers zijn immers van essentieel belang voor het cocaïnetransport en daarmee een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne.
Aan de andere kant is de rol van de verdachte in het geheel beperkt. De taak van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven te krijgen. Het is een bijzonder risicovolle klus waar anderen in de keten hun handen niet graag vuil aan maken.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 24 juni 2026, aangevuld met het rapport van 25 september 2026, staat het volgende.
Verdachte is fulltime werkzaam als persoonlijk psychiatrisch begeleider in diverse zorginstellingen, woont bij zijn moeder en is op eigen initiatief bezig met het aflossen van zijn schulden. Ondanks zijn inkomen is nog wel sprake van financiële instabiliteit, wat door de reclassering als een risicofactor wordt beschouwd. Verdachte geeft aan dat hij tijdens zijn voorarrest veel heeft nagedacht over zijn handelen en spreekt van een ‘domme fout’. Hij verklaart dat hij zich heeft laten verleiden door de mogelijkheid om snel geld te verdienen vanwege zijn financiële problemen en dat hij inmiddels inziet welke gevolgen zijn handelen hebben gehad. Hoewel de nog bestaande financiële problematiek een aandachtspunt blijft, schat de reclassering het recidiverisico laag-gemiddeld in. Gelet op de aanwezige beschermende factoren, het ontbreken van een justitieel verleden en de reflectie die de verdachte toont op zijn handelen, worden geen aanwijzingen gezien dat hij opnieuw een vergelijkbare keuze zal maken.
De reclassering adviseert in het rapport van 25 september 2026 een straf zonder bijzondere voorwaarden. Als de rechtbank toch besluit tot een voorwaardelijke sanctie met een verplicht kader, adviseert de reclassering de volgende voorwaarden op te leggen: meldplicht bij de reclassering voor de duur van 1 jaar, meewerken aan aflossing van schulden en een locatieverbod zonder elektronische monitoring.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De verdachte heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis aangegrepen om zijn leven weer op orde te krijgen en lijkt gemotiveerd om in de toekomst betere keuzes te maken. Daarnaast heeft de verdachte op de zitting een bekennende verklaring afgelegd en daarmee verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, namelijk dat de verdachte mantelzorger is voor zijn moeder en haar ziektekostenverzekering en ziekenhuiskosten betaalt. Dit brengt de rechtbank ertoe een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal de verdachte nog wel terug de gevangenis in moeten. Een lagere of andere straf doet geen recht aan de ernst van de feiten.
Al met al wordt daarom een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, waarvan 16 maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank vindt de bijzondere voorwaarden noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5 In beslag genomen voorwerpen
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2 wordt de in beslag genomen telefoon verbeurdverklaard. De telefoon behoort aan de verdachte toe en de strafbare feiten zijn met behulp van de telefoon gepleegd.
6 Voorlopige hechtenis
Het gerechtshof heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 26 juni 2026 geschorst. De rechtbank heft, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor over de op te leggen straf is overwogen, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 44, 33, 33a, 47, 57 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 16 (zestien) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte (een van) de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
-
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
-
de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de havengebieden Vlissingen, Maasvlakte en Waalhaven, zoals weergegeven op de als bijlage I bij dit vonnis bijgevoegde afbeelding, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode de verboden gebieden laten vervallen, de verboden gebieden verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van de verboden gebieden te bevinden;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
In beslag genomen voorwerpen
verklaart verbeurd: Apple iPhone SE 2020 goedcode [goedcode] ;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en M. van Andel, rechters,
in tegenwoordigheid van J. Spanner, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 oktober 2026.
Bijlage 1: Verboden gebieden