Strafrecht overig
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen…
Rechtbank Rotterdam, 27 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2398 · Rechtbank Rotterdam · 27 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-2398
Zaakgegevens
Op 27 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 februari 2026
- Datum publicatie
- 10 maart 2026
- Zaaknummer
- 10/091490-25 herstelvonnis
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:2398
Samenvatting
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met aangeefster, terwijl zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Daarnaast is bewezen dat de verdachte aangeefster in de nacht van 24 op 25 augustus 2024 en omstreeks 14 september 2024 heeft verkracht door meerdere vingers in haar vagina te brengen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. In de vordering tot vergoeding van materiële schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Zie ook: ECLI:NL:RBROT:2026:2397
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/091490-25
Op 27 februari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, een vonnis uitgesproken in de zaak tegen:
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. T. Sönmez
Officier van justitie: mr. M.L. Goudzwaard
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. P.R. Hogerbrugge
Na de uitspraak is gebleken dat het dictum van het vonnis een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich leent voor eenvoudig herstel.
In het dictum van het vonnis is bij vergissing niet opgenomen dat:
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Het dictum van het vonnis zal daarom bij deze beslissing worden hersteld.
Beslissing
De rechtbank:
- herstelt de kennelijke fout in het dictum als volgt;
- de volgende alinea wordt toegevoegd:
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 en 2 de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- beveelt de griffier deze beslissing aan te tekenen op en te hechten aan het origineel van het vonnis dat is hersteld.
Dit herstelvonnis is op 2 maart 2026 gewezen door
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en I.M. Braam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
Mrs. L. den Teuling en I.M. Braam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.