Strafrecht overig
De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte heeft een alternatief scenario…
Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6766 · Rechtbank Rotterdam · 27 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6766
Zaakgegevens
Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 27 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 10/109143-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6766
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte heeft een alternatief scenario aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat dit alternatieve scenario niet zonder meer als niet door de feiten onderbouwd of ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven, en kan daarom niet concluderen dat er overtuigend bewijs is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/109143-24
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Datum zitting: 13 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. F. van Schaik
Officier van justitie: mr. M. van Eck
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. K. Lans
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte heeft een alternatief scenario aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat dit alternatieve scenario niet zonder meer als niet door de feiten onderbouwd of ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven, en kan daarom niet concluderen dat er overtuigend bewijs is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan (zware) mishandeling door [slachtoffer] met een mes in het been te steken.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
zij op of omstreeks 29 maart 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been, althans het
lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 maart 2024 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been, althans het
lichaam, van die [slachtoffer] te steken en/of snijden;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2 Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Met het steken in het been heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. De verklaring van de verdachte, dat de aangeefster zichzelf in het been heeft gestoken, acht de officier van justitie onaannemelijk.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank van het volgende uit.
Op 29 maart 2024 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangeefster. De verdachte is op enig moment vanuit de woning van haar vriend (tevens de ex-vriend van de aangeefster) aan de Schiekade in Rotterdam naar beneden gegaan naar de aangeefster. Zij had op dat moment een hobbymes bij zich. De aangeefster stond voor de deur geparkeerd en zat in haar auto. De verdachte en de aangeefster hebben in eerste instantie een gesprek gevoerd. De aangeefster zat daarbij op de bestuurdersstoel en het raam van de auto was open. Dit gesprek liep op enig moment uit de hand. De aangeefster poogde toen de deur aan de bestuurderszijde te openen. De verdachte hield dit tegen. De aangeefster bewoog richting de bijrijdersstoel en schopte vanaf daar richting de verdachte. De verdachte heeft op enig moment het mes uit haar kleding gepakt en daarmee enkele steek- en snijbewegingen gemaakt. Aangeefster is vervolgens weggereden en een stukje verderop gestopt bij het Eudokiaplein. Even later kwamen de ambulance en de politie daar ter plaatse. In de auto van de aangeefster zijn op de vloer en stoel aan de bestuurderskant restanten van het mes aangetroffen, te weten een aantal afbreekmesjes en afgebroken plastic delen. In de keuken van de woning van de vriend van verdachte is het handvat van het (beschadigde) mes aangetroffen.
De aangeefster heeft – voor wat betreft de hiervoor geschetste gang van zaken – verklaard dat toen zij achterover leunde om de verdachte een schop te geven, zij ineens zag dat de verdachte in haar rechterhand een stanleymes had. De verdachte maakte daarmee schuif- en steekbewegingen ter hoogte van het been van aangeefster, die vervolgens iets voelde aan haar linkerbeen. Zij vermoedde dat de verdachte haar geraakt had, maar voelde geen hevige pijn. De verdachte is weggerend richting de woning en aangeefster is uit de auto gestapt om achter haar aan te rennen. Zij zag op dat moment een flinke bloedvlek op haar spijkerbroek en zag ook dat haar broek gescheurd was. Zij is daarop weggereden.
De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst voor de gang van zaken. Zij heeft verklaard dat, toen de aangeefster begon te schoppen, zij tegen de verdachte zei dat zij een kapmes voor de verdachte ging pakken. Toen heeft de verdachte haar mes getrokken. De verdachte erkent dat zij met het stanleymes steekbewegingen en snijbewegingen gemaakt heeft, maar ontkent dat zij daarbij de aangeefster heeft geraakt. Volgens de verdachte kwam zij helemaal niet zover de auto in dat zij de aangeefster op haar linker bovenbeen kon raken. Het stanleymes brak af omdat de aangeefster een trap gaf en met haar schoen het mes raakte. Het afgebroken deel daarvan viel op de stoel aan de bestuurderskant in de auto. De aangeefster is direct daarop hard weggereden, waarna de verdachte naar binnen is gelopen. De aangeefster moet zichzelf daarna op een later moment hebben verwond. De aangeefster zou al enige maanden bezig zijn om de verdachte en haar vriend uit elkaar te drijven, aldus de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat – los van het motief dat door de verdachte aan aangeefster wordt toegedicht – het door de verdachte geschetste alternatieve scenario op basis van het dossier redelijkerwijs niet in voldoende mate valt uit te sluiten, omdat dit alternatieve scenario niet – dan wel niet in voldoende mate – wordt weerlegd door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Ook kan niet worden gezegd dat het geschetste alternatieve scenario op zichzelf volstrekt onaannemelijk of ongeloofwaardig is.
De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat zij de verklaringen van aangeefster als zodanig ongeloofwaardig acht. In het dossier zijn immers de nodige bewijsmiddelen aanwezig die haar verklaring ondersteunen. Deze bewijsmiddelen passen echter ook binnen het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, althans ontkrachten dat alternatieve scenario niet. Dit laatste ziet in het bijzonder op de in het dossier aanwezige verklaring van [naam] – de enige verklaring van een (objectieve) getuige – die het incident tussen aangeefster en verdachte zelf (deels) heeft waargenomen. Zijn verklaring – dat hij zag dat verdachte ongeveer twee keer een slaande beweging maakte richting aangeefster in de auto – is onvoldoende concreet om de verklaring van aangeefster te ondersteunen dan wel de verklaring van verdachte te ontkrachten.
Het voorgaande betekent dat niet overtuigend bewezen kan worden wat aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
3 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij ter zake het ten laste gelegde feit € 79,65 als vergoeding voor materiële schade en € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële- en immateriële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken. Ook zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering. Die kosten worden begroot op nihil.
4 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
5 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.