Strafrecht overig
Veroordeling voor poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een werpbijl te slaan en het…
Rechtbank Rotterdam, 18 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7153 · Rechtbank Rotterdam · 18 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7153
Zaakgegevens
Op 18 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 18 maart 2026
- Datum publicatie
- 22 juni 2026
- Zaaknummer
- 10-307800-25 en 10-066018-23 en 10-238041-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7153
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een werpbijl te slaan en het aanwezig hebben van 10,9 gram cocaïne. Gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-307800-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-066018-23 en 10-238041-21
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Datum zitting: 4 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres],
gedetineerd in [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. H.L. Heemskerk
Officier van justitie: mr. K. Broere
Kern van het vonnis
De verdachte heeft het slachtoffer meermalen met een werpbijl geslagen en zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Tevens heeft hij 10,9 gram cocaïne aanwezig gehad. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden, welke dadelijk uitvoerbaar zijn.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij opzettelijk [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) meermalen met een werpbijl heeft geslagen en dat hij een hoeveelheid verdovende middelen aanwezig heeft gehad. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:
1
primair
hij, op of omstreeks 21 oktober 2025 te Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer],
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen met een werpbijl, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op (de
richting van) de onderarm en/of borst en/of buik, althans het lichaam van die
[slachtoffer] te hakken/slaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair
hij, op of omstreeks 21 oktober 2025 te Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee
[slachtoffer] heeft mishandeld, door
meermalen met een werpbijl, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op de
onderarm en/of borst en/of buik, althans het lichaam van die [slachtoffer] te
hakken/slaan;
2
hij, op of omstreeks 19 november 2025 te Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee
al dan niet opzettelijk
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
11 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaine,
aanwezig heeft gehad.
2 Bewijs / vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, impliciet primair (poging tot doodslag). De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte kan worden veroordeeld voor feit 1, impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en feit 2 (opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs).
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling, omdat uit het procesdossier niet de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak feit 1, impliciet primair (poging tot doodslag)
De beschuldiging van de poging tot doodslag is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen. De rechtbank kan zich in die conclusie vinden.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 1, impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en feit 2 (opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs)
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling en het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Bekennende verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik op 19 november 2025 bij mijn aanhouding in Oostvoorne cocaïne bij mij had. Ik wist dat het cocaïne was. Het was voor eigen gebruik.
2. Deskundigenverslag Nederlands Forensisch Instituut
De bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 21 oktober 2025 heb ik in Oostvoorne [slachtoffer] twee keer met een bijl geslagen.
2. Verklaring aangever [slachtoffer]
Ik, [slachtoffer], doe aangifte van poging doodslag gepleegd door [verdachte] op 21 oktober 2025 in Oostvoorne (gemeente Voorne aan Zee). Ik had het raam aan de bestuurderszijde openstaan. Ineens stond [verdachte] naast mijn auto aan de bestuurderszijde. Hij begon gelijk op mij in te slaan met een metalen bijl. [verdachte] sloeg mij in totaal drie keer in mijn buik. Later zat er een dikke bult en een wond op mijn linkerarm. Ik had heel veel pijn aan mijn linkerarm. Op mijn buik had ik wat schaafwonden. Hij is zonder enige aanleiding op mij in gaan slaan met deze werpbijl.
3. Verklaring [aangever]
Ik zag dat [verdachte] met een soort werpbijl direct op de borst en arm van [slachtoffer] sloeg.
4. Proces-verbaal van de politie
Wij zagen dat [slachtoffer] op zijn linker onderarm een bult had. Op deze bult zat een sneetje. Wij zagen dat hij een sneetje had op zijn borst.
Bewijsmotivering
De verdachte heeft [slachtoffer] meermaals met een metalen werpbijl op de onderarm, borst en/of buik geslagen. [slachtoffer] zat in zijn auto op het moment dat de verdachte hem plotseling met een werpbijl door het open autoraam sloeg. [slachtoffer] had een bult op zijn arm en een sneetje op zijn borst.
Om tot bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen, dient de rechtbank vast te stellen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – op zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer was gericht. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Een werpbijl is naar zijn aard bedoeld om met kracht neer te komen op datgene waarop wordt geslagen. Door krachtig met een werpbijl op de buik- en borststreek – welke vitale structuren bevatten – te slaan, bestond naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. [slachtoffer] verklaarde nadien dat hij heel veel pijn had aan zijn arm. Deze verklaring vindt steun in de vastgestelde bult, waaruit kan worden afgeleid dat krachtig met de werpbijl moet zijn geslagen.
Het door de verdediging gevoerde betoog dat de bijl bot was en dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, doet aan het voorgaande niet af. Voor een bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet vereist dat het gebruikte voorwerp scherp was of dat daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel is ingetreden. Het meermalen slaan met een bijl op een lichaam in de buik- en borststreek is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard, dat de verdachte
1. impliciet subsidiair)
op 21 oktober 2025 te Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen met een werpbijl op de onderarm en/of borst en/of buik van die
[slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 19 november 2025 te Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee,
opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten
10,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, aanwezig heeft gehad.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 impliciet subsidiair
poging tot zware mishandeling;
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 impliciet subsidiair en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 24 februari 2026. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Bij een veroordeling voor eenvoudige mishandeling zou een taakstraf van 120 uur passend zijn. In het geval van een veroordeling voor een poging tot zware mishandeling zou hoogstens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest een passende straf zijn.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich na een geringe aanleiding schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Hij heeft meermalen krachtig met een metalen werpbijl op de onderarm, borst en/of buik van [slachtoffer] geslagen. Dat [slachtoffer] hierbij geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is, maar louter aan een gelukkig toeval. De verdachte heeft geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. De rechtbank rekent de verdachte dit feit ernstig aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 10,9 gram van een materiaal dat cocaïne bevat. Het gebruik van harddrugs brengt schade toe aan de volksgezondheid en gaat bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte recent meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt daarom tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 24 februari 2026 staat het volgende. De verdachte is eerder in aanraking gekomen met justitie wegens een ernstig geweldsdelict, wapenbezit en verdovende middelen. Het beperkte probleemoplossend vermogen van de verdachte, zijn impulsieve gedrag, houding en zijn gedachtegang kunnen leiden tot recidive. In september 2025 sloot de verdachte het contact met de jeugdreclassering af. Hij beschikte destijds over eigen huisvesting, een vaste relatie en een diploma en hij leerde om beter met stressvolle omstandigheden om te gaan. Het is zorgelijk dat zijn impulscontrole en oplossend vermogen na slechts twee maanden toch te beperkt bleken.
Het risico op recidive en op letsel wordt ingeschat als hoog, waardoor de reclassering interventies noodzakelijk vindt. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
-
meldplicht bij de reclassering;
-
ambulante behandeling;
-
contactverbod;
-
locatieverbod (met elektronisch toezicht);
-
locatiegebod (met elektronisch toezicht);
-
dagbesteding met GPS;
-
beheersing middelengebruik;
-
andere voorwaarden het gedrag betreffende (inzicht geven in financiële situatie).
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van zeven maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden drie maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De verdediging heeft verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, gelet op de eerdergenoemde ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Gelet op het reclasseringsadvies moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
5 Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 60 (zestig) dagen respectievelijk 4 (vier) maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat in beide gevallen de feiten zijn gepleegd na het verlopen van de proeftijd en het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering wordt afgewezen, omdat de huidige verdenking buiten de proeftijd valt van beide voorwaardelijke veroordelingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat de nu bewezen feiten zijn gepleegd na het verstrijken van de proeftijden die aan de voorwaardelijke straffen waren verbonden. Het Openbaar Ministerie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in beide vorderingen.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 impliciet subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 3 (drie) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
-
De verdachte dient zich gedurende de proeftijd te melden bij de reclassering, zo lang en zo frequent als deze dit nodig acht. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Hij dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De verdachte is er verantwoordelijk voor om telefonisch en per post bereikbaar te zijn. De reclassering controleert de behandelvoortgang en woont evaluaties bij.
-
De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing, cognitieve en sociale vaardigheden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit inhoudt het laten verrichten van een persoonlijkheidsonderzoek. Indien tijdens de meldplicht blijkt dat het middelengebruik van de verdachte problematischer is dan hij aangeeft en een behandeling nodig blijkt, krijgt hij de inspanningsverplichting mee te werken aan behandeling hierop gericht en deze op positieve wijze te volgen. Dit geldt zo lang de reclassering dit nodig acht. Mogelijk kan dit worden gerealiseerd bij De Waag en anders bij een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
-
De verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze — direct noch indirect — contact met de aangevers in de onderhavige strafzaak.
-
De verdachte bevindt zich gedurende de proeftijd niet op of in een straal van 200 meter rondom het vakantiepark Kruiningergors te Oostvoorne zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat de verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
-
De verdachte is gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres]. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat de verdachte voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
-
De verdachte spant zich gedurende de gehele proeftijd in voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of de verdachte zich houdt aan afspraken over de dagbesteding.
-
De verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik beter in beeld te krijgen en zo mogelijk beter te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle, welke bij voorkeur plaats dient te vinden met de RUMA-marker. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. Bij ernstige bezwaren tegen het gebruik van de RUMA-marker is de reclassering genoodzaakt tot het laten doen van visuele controles, uitgevoerd door een externe partij, gevestigd te Rotterdam.
-
De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiële situatie.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummers 10-238041-21 en 10-066018-23)
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 14 maart 2022 en 3 juli 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke jeugddetenties.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 maart 2026.
Mrs. N.M. Ketelaar en J. Langeveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.