Strafrecht overig

Afwijzing van de vordering tot verpleging van overheidswege en beëindiging van het bevel tot voorlopige…

Rechtbank Rotterdam, 15 mei 2026

Zaakgegevens

Op 15 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 mei 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
10.250370.24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7428
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing van de vordering tot verpleging van overheidswege en beëindiging van het bevel tot voorlopige verpleging vanaf het moment dat de ter beschikking gestelde aankomt in de kliniek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10.250370.24

Datum uitspraak: 15 mei 2026

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:

[de ter beschikking gestelde] (hierna: de ter beschikking gestelde),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres], [postcode] [plaatsnaam],

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in het [detentiecentrum],

raadsvrouw mr. A.E.S. Heijnen, advocaat te Rotterdam.

1 Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2025 is de terbeschikkingstelling van

[de ter beschikking gestelde] gelast met voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De terbeschikkingstelling is gelast ter zake van een poging tot doodslag en diefstal met geweld. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 29 juli 2025.

2 Procesverloop

De rechtbank heeft van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot het alsnog bevelen van de dwangverpleging van de ter beschikking gestelde. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.

De vordering is op de openbare terechtzitting van 15 mei 2026 behandeld. De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en (als deskundige ) [naam], werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn gehoord.

3 Adviezen

Adviezen reclassering

De reclassering adviseert in het rapport dat door de reclassering is opgesteld op 11 mei 2026, de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De ter beschikking gestelde is op 8 mei 2026 niet teruggekeerd naar de kliniek (FVK Fivoor) nadat hij aan het werk was. Hij reageerde niet en was onbereikbaar. Ook de dag daarna keerde hij, tegen de afspraken in, niet terug. Daarop is in overleg met het OM FastNL ingeschakeld en is de ter beschikking gestelde op 10 mei 2026 aangehouden. De dagen in aanloop naar zijn onttrekking was er sprake van ontevredenheid bij de ter beschikking gestelde over de (volgens hem) trage opbouw van zijn verloven. Er werd een toename van paranoïde gedrag waargenomen en toename in trek naar middelengebruik. De kliniek beschouwt de onttrekking als onderdeel van zijn persoonlijkheidsproblematiek. Er wordt in overleg met de kliniek onderzocht of eventuele terugkeer mogelijk is, maar tot die tijd blijft de reclassering bij het advies tot omzetting naar dwangverpleging.

Op 13 mei 2026 heeft de reclassering haar advies herzien. Nadat de rechter-commissaris op 11 mei 2026 de voorlopige verpleging van de ter beschikking gestelde heeft bevolen, hebben zich namelijk positieve ontwikkelingen voorgedaan in de houding van de ter beschikking gestelde en ten aanzien van de behandelmogelijkheden binnen de kliniek. Na het uitbrengen van het initiële omzettingsadvies heeft de reclassering uitgebreid met de ter beschikking gestelde gesproken en teruggeblikt op zijn onttrekking. Hij heeft spijt van de manier waarop hij heeft gehandeld en spreekt de hoop uit om de kans te krijgen om dit in de behandeling op een positieve manier te laten zien. Hij spreekt de bereidheid uit om zich volledig te conformeren aan de behandelvoorwaarden. Naar aanleiding van dit gesprek en de opstelling van de ter beschikking gestelde, heeft de reclassering opnieuw overleg gevoerd met de betrokken ketenpartners. Zowel de officier van justitie, FVK Fivoor en het DIZ hebben aangegeven open te staan voor een hernieuwde klinische plaatsing. Gelet op het voorgaande herroept de reclassering haar eerdere advies tot omzetting naar de dwangverpleging.

Op de terechtzitting gegeven adviezen

De deskundige heeft het advies tot afwijzing van de vordering op de terechtzitting bevestigd. Hij heeft onder meer verklaard dat de huidige voorwaarden passend zijn en dat het vooral van belang is dat de ter beschikking gestelde meewerkt aan de behandeling en dat de verslaving goed wordt aangepakt. De kliniek is daardoor bereid om hem een tweede kans te geven. Bij afwijzing van de vordering kan de ter beschikking gestelde aanstaande maandag, 18 mei 2026, weer worden opgenomen.

4 Standpunt van partijen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en het opheffen van het bevel tot voorlopige verpleging op 18 mei 2026 vanaf het moment dat de ter beschikking gestelde weer in de kliniek is gearriveerd.

Standpunt van de ter beschikking gestelde

De ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben eveneens de afwijzing van de vordering bepleit.

5 Beoordeling

Gelet op de standpunten van de partijen en het feit dat de ter beschikking gestelde op 18 mei 2026 weer in de FVK Fivoor kan worden opgenomen, zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verpleging van overheidswege van de ter beschikking gestelde afwijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering van de officier van justitie tot verpleging van overheidswege;

beëindigt het bevel tot voorlopige verpleging op 18 mei 2026 vanaf het moment dat de ter beschikking gestelde aankomt in de kliniek (FVK Fivoor).

Deze beslissing is genomen door mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. W.J. de Veld en L.B. Esser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 mei 2026.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.