Strafrecht overig
Verlenging TBS dwangverpleging met één jaar. Voorwaardelijke beëindiging is op dit moment niet aan de orde.
Rechtbank Rotterdam, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8838 · Rechtbank Rotterdam · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-8838
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 10/691154-12
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8838
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlenging TBS dwangverpleging met één jaar.
Voorwaardelijke beëindiging is op dit moment niet aan de orde.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/691154-12
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[ter beschikking gestelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] te [plaats 1] (de instelling),
raadsvrouw mr. S. Marjanovic, advocaat te 's-Gravenhage.
1 Inleiding
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2013 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.
De terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 17 juni 2015.
Bij beslissing van deze rechtbank van 2 juli 2025 is de terbeschikkingstelling laatstelijk verlengd met één jaar.
2 Procesverloop
De rechtbank heeft op 30 april 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel later toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026 behandeld. De officier van justitie mr. S. Verhoek, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de deskundige [naam deskundige] , werkzaam als [GZ-medewerker] bij de instelling, zijn gehoord.
3 Advies
Advies instelling
De instelling adviseert in het rapport, gedateerd 16 april 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.
Bij de ter beschikking gestelde is sprake van een antisociale en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van diverse middelen en een schizoaffectieve stoornis. Daarnaast is ADHD vastgesteld. Zonder het kader van de terbeschikkingstelling wordt het risico op een terugval in gewelddadig gedrag ingeschat als hoog.
De ter beschikking gestelde is op 29 augustus 2025 verhuisd naar zijn eigen woning in [plaats 2] . Vanaf januari 2026 stagneert de behandeling na een incident binnen zijn relatie; er blijkt al langere tijd sprake van middelenmisbruik en de ter beschikking gestelde houdt zich niet aan de verlofvoorwaarden. Hierop is hij teruggeplaatst in de kliniek en is zijn transmurale verlofmachtiging ingetrokken. De ter beschikking gestelde is thans in afwachting van plaatsing op een reguliere afdeling/leefgroep binnen de kliniek. Hij dient een incidentanalyse te maken met zijn therapeut. Daarnaast zal gewerkt worden aan het vergroten van probleembesef en het verder bewerken van zijn persoonlijkheidsproblematiek, met name de antisociale kern en de terugkerende problemen en agressie binnen relaties. Het verdere verloop van het behandeltraject is afhankelijk van de inzet van de ter beschikking gestelde.
De deskundige, [naam deskundige] , heeft dit standpunt op de terechtzitting bevestigd. In aanvulling daarop heeft zij verklaard dat op dit moment sprake is van een patstelling en dat de samenwerking tussen de ter beschikking gestelde en zijn behandelaars hersteld moet worden. Eind april 2026 is bekend geworden dat de ter beschikking gestelde sinds februari 2026 brieven verstuurt naar zijn ex en hiermee het contactverbod overtreedt. Ook is sprake van misbruik van Ritalin, welke medicatie niet is voorgeschreven aan de ter beschikking gestelde. De komende periode zal worden gekeken of de behandeling opnieuw van de grond gaat komen. Er ligt een duidelijk behandelindicatie die naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen. Een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel binnen één jaar is tegen die achtergrond niet aan de orde.
4 Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Standpunt van de ter beschikking gestelde
De ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben primair verzocht om aanhouding van de vordering om onderzoek te doen naar mogelijkheden tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Subsidiair hebben zij verlenging van de terbeschikkingstelling bepleit met één jaar.
5 Beoordeling
Op grond van het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:
- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling wordt verlengd.
Voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is mogelijk als het delictgevaar, samenhangend met een bij de ter beschikking gestelde vastgestelde psychische stoornis, in die mate is teruggebracht dat het verantwoord is de verpleging onder voorwaarden te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging op dit moment prematuur is, zodat het aanhoudingsverzoek voor nader onderzoek door de reclassering zal worden afgewezen. Immers blijkt dat er een duidelijke behandelindicatie is die naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen. Een voorwaardelijke beëindiging is op dit moment dan ook niet aan de orde.
Wel ziet de rechtbank, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, aanleiding om de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar. De rechtbank stelt vast dat de ter beschikking gestelde na meerdere incidenten in de periode dat hij buiten de kliniek in een eigen woning verbleef, is teruggeplaatst in de kliniek en dat de behandelaars spreken van een impasse in de behandeling. Uit het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting blijkt dat de ter beschikking gestelde op dit moment onvoldoende bereid is om opnieuw de samenwerking te zoeken met zijn behandelaars en actief mee te werken aan een doorstart van zijn behandeling. De rechtbank betreurt dit en begrijpt de teleurstelling van de ter beschikking gestelde over zijn terugplaatsing in de kliniek, nadat zijn resocialisatietraject al ver was gevorderd, maar onderschrijft ook het standpunt van de behandelaars dat een nadere gedragskundige analyse van de genoemde incidenten noodzakelijk is om dit traject opnieuw vorm te kunnen geven. Hoewel niet wordt verwacht dat een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel al over een jaar aan de orde zal zijn, ziet de rechtbank in de dreigende stagnatie van de behandeling reden om de stand van zaken volgend jaar opnieuw op zitting te bespreken.
De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gaat door de verlenging een periode van vier jaar te boven. Verlenging is niettemin mogelijk, omdat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
6 Beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar;
wijst af het meer of anders gevorderde of verzochte.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.