Strafrecht overig
Afwijzing vordering tot alsnog bevelen van de dwangverpleging.
Rechtbank Rotterdam, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8840 · Rechtbank Rotterdam · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-8840
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 10/334649-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8840
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing vordering tot alsnog bevelen van de dwangverpleging.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/334649-24
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[ter beschikking gestelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaats] ,
raadsman mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam.
1 Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 17 april 2025 is de terbeschikkingstelling van
[ter beschikking gestelde] gelast met voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde.
De terbeschikkingstelling is gelast ter zake van belaging en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 16 juli 2025.
Op 3 februari 2026 heeft het openbaar ministerie een vordering bij de rechter-commissaris ingediend tot voorlopige verpleging van overheidswege, wegens het door de ter beschikking gestelde niet naleven van één of meer bij de maatregel gestelde voorwaarden.
Op 4 februari 2026 heeft de rechter-commissaris de vordering voorlopige verpleging van overheidswege afgewezen.
2 Procesverloop
De rechtbank heeft op 5 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot het alsnog bevelen van de dwangverpleging van de ter beschikking gestelde.
Op de openbare terechtzitting van 4 maart 2026 is de behandeling van de vordering aangevangen, waarna het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst voor nadere rapportage door de reclassering over mogelijkheden om de behandeling van de ter beschikking gestelde eventueel onder voorwaarden voort te zetten.
Op de openbare terechtzitting van 15 mei 2026 is het onderzoek hervat en opnieuw aangehouden omdat nog geen aanvullende reclasseringrapportage beschikbaar was.
Op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026 is de behandeling van de vordering hervat. De officier van justitie mr. S. Verhoek, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en de deskundige [naam deskundige] (namens [persoon A] ), werkzaam als [functie] bij Reclassering Nederland, zijn gehoord.
Het einde van de terechtzitting wordt namens het slachtoffer [slachtoffer] bijgewoond door mr. M.P. de Klerk, advocaat te ’s-Gravenhage, waarbij de voorzitter kort verslag doet van hetgeen buiten zijn aanwezigheid tijdens de zitting is besproken.
3 Advies
Advies reclassering
De reclassering heeft in haar rapport van 2 februari 2026, aangevuld in het rapport van 25 februari 2026, een advies uitgebracht om de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
De reclassering concludeert dat de ter beschikking gestelde zich niet houdt aan de voorwaarden. De door de rechtbank noodzakelijk geachte ambulante behandeling is op 22 januari 2026 voortijdig negatief beëindigd. De ter beschikking gestelde toont geen intrinsieke behandelmotivatie, is onvoldoende meewerkend en is niet in staat tot het formuleren van concrete behandeldoelen. Hierdoor kan er geen daadwerkelijke gedragsverandering worden bewerkstelligd. Binnen het huidige kader heeft de reclassering daarnaast onvoldoende zicht op de bezigheden van de ter beschikking gestelde. Omdat de behandeling niet van de grond is gekomen, is er nog niets veranderd aan de onderliggende problematiek en is het risico op nieuw partnergeweld nog altijd hoog.
Nadat de rechter-commissaris op 4 februari 2026 de voorlopige omzetting van de tbs-maatregel heeft afgewezen, heeft de reclassering opnieuw gekeken naar mogelijkheden voor een ambulante behandeling. Op 12 maart 2026 heeft de ter beschikking gestelde een intakegesprek bij [zorginstelling] . Er bestaat echter twijfel bij de reclassering over de haalbaarheid van ambulante behandeling. De ter beschikking gestelde toont geen enkel zelfinzicht en ontkent deels de feiten waarvoor hij veroordeeld is. Dit maakt dat de reclassering de kans van slagen in een ambulant kader als gering inschat.
De deskundige, [naam deskundige] , heeft het standpunt van de reclassering op de terechtzitting bevestigd. In aanvulling daarop heeft zij verklaard zich te realiseren dat, ondanks de bedenkingen van de reclassering over de haalbaarheid van een ambulant traject, er op dit moment geen acute reden is om de tbs-maatregel om te zetten. De behandeling bij [zorginstelling] is inmiddels gestart. De komende periode zal moeten blijken of de ambulante behandeling van de grond komt en of de ter beschikking gestelde zijn stelling dat hij hiervoor weldegelijk gemotiveerd is, waar kan maken. Wat de reclassering betreft komt deze zitting dan ook te vroeg voor een nader advies.
4 Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de vordering voor bepaalde tijd aan te houden tot 29 september 2026, om het verloop van de ambulante behandeling af te wachten.
Standpunt van de ter beschikking gestelde
De ter beschikking gestelde en de raadsman hebben afwijzing van de vordering tot het alsnog verplegen van overheidswege bepleit.
5 Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de ter beschikking gestelde zich niet heeft gehouden aan de bij zijn veroordeling gestelde voorwaarden en dat de ambulante behandeling bij Fivoor voortijdig negatief is beëindigd. Inmiddels is hij gestart met een nieuwe behandelpoging bij [zorginstelling] . Los van de door de reclassering beschreven overtredingen van de voorwaarden, hebben zich sinds februari 2026 geen ernstige incidenten voorgedaan. Een omzetting van de tbs-maatregel zou op dit moment de nog prille nieuwe behandelpoging doorkruisen. De rechtbank acht dit niet wenselijk en ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om het onderzoek opnieuw aan te houden voor een tussenevaluatie van het behandelverloop dit najaar. Zij zal de vordering tot het alsnog verplegen van overheidswege daarom afwijzen. Het is nu aan de ter beschikking gestelde om te laten zien dat de tweede behandelpoging wel succesvol is en dat hij in goede samenwerking met zijn behandelaars en de reclassering in staat is om zich te houden aan de gestelde voorwaarden.
6 Beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van de officier van justitie tot het alsnog bevelen van de dwangverpleging van de ter beschikking gestelde.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.