Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor artikel 6 WVW. Oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf en een…

Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2026

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
10-316746-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9370
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor artikel 6 WVW. Oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10-316746-25

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres], [postcode] [plaatsnaam],

raadsman mr. A.P. van Elswijk, advocaat in Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 juli 2026.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij met een brommer te hard en in een voetgangersgebied heeft gereden, met onvoldoende aandacht voor de voetgangers, en dat de verdachte daardoor een ongeluk heeft veroorzaakt. Het slachtoffer heeft daardoor letsel opgelopen. Deze beschuldiging is in bijlage I bij dit vonnis nader omschreven.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Uiterwijk heeft gevorderd:

  • bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;

  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte te begeleiden;

  • veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van twee jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Gelet daarop en de overige bewijsmiddelen genoemd in bijlage II zal dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij, op of omstreeks 07 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (een bromfiets met
kenteken [kenteken]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam
en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te
rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, in het voetgangersgebied
van de Gooilandsingel,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,

- in het voetgangersgebied met een hoge snelheid heeft gereden, in elk geval heeft
gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- tijdens het rijden een of meerdere malen zijn mobiele telefoon heeft bediend
en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor de al daar aanwezige
voetgangers gehad en/of (vervolgens)

- bij het naderen en/of passeren van een of meerdere voetgangers geen snelheid
heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het naderen en/of
passeren van een of meerdere voetgangers, te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- niet heeft opgemerkt dat een voetganger, genaamd [slachtoffer], zich in het
voetgangersgebied bevond en/of (vervolgens)

- niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet
tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of (vervolgens)

- in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer],

waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Feit primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf en maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft door zijn onvoorzichtige rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft als bestuurder van een bromfiets met te hoge snelheid in een voetgangersgebied gereden en heeft daarbij zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de situatie ter plaatse. Daardoor heeft hij een voetganger, het slachtoffer, niet tijdig opgemerkt en haar vervolgens aangereden. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een zware hersenschudding, kaakklachten en een scheurtje in het achterhoofd. Zij heeft hierdoor gedurende ten minste drie maanden (mogelijk langer) niet kunnen werken en moeite met slapen.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de verdachte ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder was. Juist van een beginnend bestuurder mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de verantwoordelijkheid die het besturen van een gemotoriseerd voertuig met zich brengt en dat hij zich dus extra oplettend en voorzichtig had moeten gedragen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 mei 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit het onderzoek komen zorgen naar voren op de leefgebieden gezin, schoolgang, houding en vaardigheden. De verdachte laat zich onvoldoende aansturen door zijn ouders en school. Het huidige onderwijsniveau is daarnaast te licht voor hem, waardoor hij mogelijk onvoldoende gemotiveerd is. Vanuit school is geprobeerd een begeleidingstraject op te starten, maar dit heeft niet tot enig resultaat geleid, mede omdat de verdachte niet op afspraken is verschenen. Daartegenover staat dat de verdachte gemotiveerd is voor stage en werk en dat zijn begeleiders tevreden zijn over hem.

De Raad is van mening dat een werkstraf de meest passende strafrechtelijke afdoening is. De verdachte zal de gevolgen van zijn gedrag moeten ervaren. Daarnaast acht de Raad, gelet op de ernst van het delict, de ernst van het letsel en de houding van de verdachte, begeleiding door de jeugdreclassering passend.

De Raad heeft de indruk dat de verdachte, ondanks dat er een onvolledig beeld is, aan het afglijden is door het schoolverzuim en dat de kans groot is dat hij geheel uitvalt.

Daarnaast heeft hij zich op school onvoldoende begeleidbaar opgesteld om zijn schoolgang te herpakken en op een goede manier voort te zetten. Inzet vanuit de jeugdreclassering is aldus noodzakelijk om ervoor de zorgen dat de verdachte niet verder stagneert. De Raad adviseert dus als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de verdachte meewerkt aan zinvolle dagbesteding, zoals school en/of werk.

7.3.3.

Hetgeen verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht

Verdachte geeft ter zitting aan dat hij niet goed heeft gehandeld en dat hij het erg vindt voor het slachtoffer. Hij geeft tevens aan nu voor een ander bedrijf ook bezorgwerk te doen op een scooter.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit is een werkstraf passend. De rechtbank zal een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd en door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte inmiddels meerderjarig is en dat hij beschikt over een zinvolle dagbesteding in de zin van werk en stage, waarvoor hij gemotiveerd is. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de zorgen die door de Raad zijn geuit, acht zij het onder deze omstandigheden niet noodzakelijk om de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden verder te laten begeleiden door de reclassering. Daar komt ook bij dat de zorgen die de Raad heeft, geen verband houden met het strafbare feit.

De rechtbank zal naast de werkstraf een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Deze maatregel heeft als doel de verdachte ervan te doordringen voorzichtig en oplettend te blijven in het verkeer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezen verklaring, strafbaar feit en strafbare dader

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

deels voorwaardelijke werkstraf

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 50 (vijftig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

voorwaardelijke OBM

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. R. van den Wildenberg en A. Wolthuis, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.

De griffier en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 07 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (een bromfiets met
kenteken [kenteken]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam
en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te
rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, in het voetgangersgebied
van de Gooilandsingel,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,
- in het voetgangersgebied met een hoge snelheid heeft gereden, in elk geval heeft
gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- tijdens het rijden een of meerdere malen zijn mobiele telefoon heeft bediend
en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor de al daar aanwezige
voetgangers gehad en/of (vervolgens)
- bij het naderen en/of passeren van een of meerdere voetgangers geen snelheid
heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het naderen en/of
passeren van een of meerdere voetgangers, te hoge snelheid en/of (vervolgens)
- niet heeft opgemerkt dat een voetganger, genaamd [slachtoffer], zich in het
voetgangersgebied bevond en/of (vervolgens)
- niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet
tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of (vervolgens)
- in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer],
waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 7 juni 2025 te Rotterdam althans in Nederland, als bestuurder
van een voertuig (een bromfiets met kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de
voor openbaar verkeer openstaande weg, in het voetgangersgebied van de
Gooilandsingel, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd
gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,
- in het voetgangersgebied met een hoge snelheid heeft gereden, in elk geval heeft
gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- tijdens het rijden een of meerdere malen zijn mobiele telefoon heeft bediend
en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor de al daar aanwezige
voetgangers gehad en/of (vervolgens)
- bij het naderen en/of passeren van een of meerdere voetgangers geen snelheid
heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het naderen en/of
passeren van een of meerdere voetgangers, te hoge snelheid en/of (vervolgens)
- niet heeft opgemerkt dat een voetganger, genaamd [slachtoffer], zich in het
voetgangersgebied bevond en/of (vervolgens)
- niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet
tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of (vervolgens)
- in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer];

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )