Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Veroordeling van…

Rechtbank Rotterdam, 4 juni 2026

Zaakgegevens

Op 4 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
10-178132-24 en TUL: 10-067026-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9597
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Veroordeling van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Oplegging van een jeugddetentie groot deel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met bijzondere voorwaarden en een werkstraf. Gedeeltelijke toewijzing van de schadevordering. Afwijzing vordering ten uitvoerlegging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10-178132-24

Parketnummer vordering TUL: 10-067026-23

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 mei 2026.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Bosmans heeft gevorderd:

  • vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling;

  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 181 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie;

  • tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10-067026-23.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak (impliciet primair: poging tot doodslag)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering (impliciet subsidiair: poging tot zware mishandeling)

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bepleit. Verdachte ontkent het hem verweten feit te hebben gepleegd. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de schutter is geweest. Indien de rechtbank de verdediging hierin niet zou volgen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden verklaard. Door met een vuurwapen te schieten op het onderbeen is niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er zwaar lichamelijk letsel zou intreden.

4.2.2.

Beoordeling

Vaststaat dat het slachtoffer op 23 mei 2024 in Rotterdam in zijn onderbeen is geschoten. Op grond van de inhoud van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer in zijn onderbeen heeft geschoten.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door eenmaal met een vuurwapen in het onderbeen van het slachtoffer te schieten, waarbij de kogel in het onderbeen van het slachtoffer terecht is gekomen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in het been spieren, bloedvaten en zenuwbanen bevinden die door het schieten met een vuurwapen zodanig beschadigd kunnen raken, dat dit zwaar lichamelijk letsel oplevert. Door desondanks te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij deze aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg bewust aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling.

4.2.3.

Conclusie

Het impliciet subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij, op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] ,
opzettelijk
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen (gericht) op het (onder)been
en/of enkel, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer. De verdachte is op 23 mei 2024 – nadat eerder op de dag tussen hem en het slachtoffer een worsteling had plaatsgevonden – achter het slachtoffer aangegaan en heeft hem op klaarlichte dag in het bos met een vuurwapen in zijn onderbeen geschoten. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze, ook na langere tijd nog veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen en dat zij voor langere tijd gevoelens van onveiligheid op straat kunnen ervaren. Daarnaast heeft het feit zich midden op de dag in de buurt van een kinderboerderij en een voetbalveld afgespeeld. Dit brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg bij buurtbewoners.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting

De Raad heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 mei 2025 en 12 mei 2026. Deze houden onder meer het volgende in.

Er zijn zorgen over de verdachte. Hij gaat niet naar school en hij heeft geen zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan voldoende sturing en toezicht. Om de kans op recidive te verlagen is het belangrijk dat de verdachte zijn schoolgang oppakt of een baan vindt, zodat hij zijn tijd positief invult en niet (meer) in de problemen komt. Om die reden is continuering van de coach van E25 noodzakelijk. Daarnaast is het belangrijk dat een delictbespreking plaatsvindt om meer inzicht te krijgen in de motieven van de verdachte en hij daarbij passende ondersteuning kan krijgen. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zijn medewerking verleent aan de begeleiding van E25 en zich inzet voor het vinden en behouden van een baan. Daarnaast adviseert de Raad een werkstraf op te leggen.

Een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering), [persoon A] , heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De eerdere zorgen rondom de verdachte waren gelegen in zijn schoolgang. De verdachte heeft meerdere opleidingen gevolgd, maar het is hem niet gelukt om deze af te maken. Hij is daarna zelf aan de slag gegaan om een brandwachtcertificaat, VCA-certificaat en zijn rijbewijs te halen. Dat is gelukt. De verdachte wil graag werken en het is belangrijk dat hij zo snel mogelijk een baan vindt, zodat hij een inkomen krijgt. Hij heeft een coach vanuit E25 die hem daarbij ondersteunt. De jeugdreclassering adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en een korte proeftijd. De jeugdreclassering vraagt zich af of het daarnaast opleggen van een werkstraf nog meerwaarde zou hebben gelet op de tijd die inmiddels is verstreken. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging refereert de jeugdreclassering zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de tijd die door de verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht. Dit betekent dat de verdachte nu niet terug naar de justitiële jeugdinrichting hoeft. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de Raad. Hierdoor zal de verdachte de voor hem noodzakelijk geachte begeleiding krijgen in een strak kader. Het voorwaardelijk deel van de straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, gelet op de ernst van het feit, een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf moet verrichten, zodat hij ook nu nog de consequenties van zijn gedrag zal ervaren. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en legt daarom een lagere taakstraf op dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer] . De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.348,64 aan materiële schade en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag te hoog is. Dit komt voornamelijk doordat er in het onderhavige geval geen poging tot doodslag bewezen wordt verklaard en doordat een onderbouwing van het psychische letsel van het slachtoffer ontbreekt. De officier van justitie acht een vergoeding van € 5.000,00 passend en geboden. Het te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor de kosten van de (designer)broek niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de schade niet voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit materiële schade is toegebracht. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.

De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de schoenen (€ 120,-), de huur van de krukken (€ 60,-) en de reiskosten (€ 2,64) niet betwist. De voor die posten gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig voor en de rechtbank wijst dat deel van de vordering toe.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de kosten van de broek is door de verdediging betwist. De rechtbank oordeelt dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank kan niet vaststellen wat voor (designer)broek de benadeelde partij precies aan had ten tijde van het schietincident en wat de waarde is (geweest) van deze broek. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Daarnaast is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Hij heeft een schotverwonding opgelopen in zijn linker onderbeen. Deze is gehecht. De kogel is verwijderd, maar splinters van deze kogel konden niet worden verwijderd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij sprake is van aantasting in persoon op andere wijze. De rechtbank begroot de immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 mei 2024.

Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.182,64, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 23 mei 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 7 juni 2023.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van juistste stelt zich op het standpunt dat de vordering ten uitvoer moet worden gelegd.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de opgelegde voorwaardelijke straf niet ten uitvoer te leggen.

9.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht gezien het lange tijdsverloop tenuitvoerlegging niet opportuun. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging daarom af.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77aa, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (poging tot zware mishandeling), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan ook vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 181 (honderdeenentachtig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 110 (honderdtien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 1 (één) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de (jeugd)reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • gedurende de proeftijd zal (blijven) meewerken aan begeleiding van een coach vanuit E25;

  • zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een baan;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 5.182,64 (zegge: vijfduizend honderdtweeëntachtig euro en vierenzestig eurocent), bestaande uit € 182,64 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.182,64 (hoofdsom, zegge: vijfduizend honderdtweeëntachtig euro en vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 23 mei 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf (parketnummer 10-067026-23);

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. H. Wielhouwer en P.A. Ellenbroek, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 23 mei 2024 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] ,
opzettelijk
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen (gericht) op het (onder)been
en/of enkel, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.