Civiel recht overig

Overeenkomst van geldlening. Geschil over hoogte lening en terugbetaalde bedrag.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 januari 2023

Zaakgegevens

Op 25 januari 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
25 januari 2023
Datum publicatie
31 januari 2023
Zaaknummer
9992960 CV EXPL 22-2624 E
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:549
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overeenkomst van geldlening. Geschil over hoogte lening en terugbetaalde bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 9992960 \ CV EXPL 22-2624

Vonnis van 25 januari 2023

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. E. Yilmaz,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juli 2022
- de mondelinge behandeling van 15 november 2022.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

In januari 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde] en [naam] , de oom van [eiser] , een bedrag

geleend ten behoeve van het oprichten van een autopoetsbedrijf.

2.2

Op 7, 8 en 9 augustus 2018 heeft er tussen [eiser] en [gedaagde] WhatsApp contact

plaatsgevonden, waarin [eiser] vraagt wanneer hij zijn geld ontvangt.

2.3

Op 27 augustus 2021 heeft (de gemachtigde van) [eiser] een brief aan [gedaagde] gezonden

waarin is verzocht tot terugbetaling van de lening.

2.4

Op 15 december 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] een WhatsApp bericht verstuurd, waarin door hem is verzocht om binnen twee weken een bedrag van € 5.500,00 ten behoeve van de lening terug te betalen.

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 augustus 2016 en tot betaling van een bedrag van € 786,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, daaronder begrepen een bedrag aan nakosten.

3.2

[eiser] stelt dat tussen hem en [gedaagde] in januari 2016 een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, waarbij [eiser] een bedrag van € 5.500,00 heeft geleend aan [gedaagde] . [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht het verschuldigde bedrag terug te betalen. Aangezien betaling, ondanks aanmaning daartoe, is uitgebleven, vordert [eiser] betaling van voornoemd bedrag.

3.3

[gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat hij samen met [naam] een bedrag van [eiser] heeft geleend, maar dit was een bedrag van € 5.000,00. Bovendien is dat bedrag al terugbetaald. [naam] heeft in 2017 of 2018 een bedrag van € 3.300,00 van de rekening van het autopoetsbedrijf gehaald en dit bedrag contant aan [eiser] terugbetaald. Ook is door [naam] nog een bedrag van € 500,00 contant aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] de witte Renault Clio van [eiser] APK laten keuren. De kosten hiervan bedroegen € 750,00, welk bedrag [eiser] in mindering heeft laten strekken op de lening. Ook heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 500,00 contant terugbetaald aan [eiser] . [gedaagde] voert aan dat hij dan ook niets meer aan [eiser] is verschuldigd ter zake de geldlening.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Niet in geschil is dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. Door [gedaagde] wordt echter de hoogte van de lening betwist. De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit twee door [eiser] overgelegde bankafschriften blijkt dat er € 2.500,00 tussen zijn eigen rekeningen is overgeboekt en dat hij een bedrag van € 3.500,00 heeft gepind. Hieruit valt echter niet op te maken dat van deze bedragen een bedrag van € 5.500,00 aan [gedaagde] is verstrekt. [gedaagde] heeft slechts een lening ten aanzien van een bedrag van € 5.000,00 erkend. Door [eiser] is onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat de geldlening hoger is dan het erkende bedrag van € 5.000,00. Dit betekent dat de omvang van de geldlening voor een bedrag van € 5.000,00 vast staat. Of dit bedrag door [gedaagde] verschuldigd is, zal hierna worden beoordeeld.

4.2

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het bedrag van € 5.000,00 door hem, dan wel door [naam] contant is terugbetaald. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling nader verklaard dat hij niet precies weet wanneer voormelde bedragen zijn terugbetaald en dat hij bij deze door [naam] gedane betalingen niet aanwezig was. [eiser] heeft de gestelde betalingen betwist. Dat er betalingen zijn gedaan blijkt verder nergens uit.

Door [gedaagde] is hiermee onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gesteld dat er betalingen aan [eiser] zijn gedaan. Evenmin is gebleken dat [gedaagde] een APK keuring zou regelen voor de auto van [eiser] , onder de voorwaarde dat de kosten van die keuring in mindering zouden strekken op de geldlening. Het wordt betwist door [eiser] en nergens blijkt uit dat de auto van [eiser] is gekeurd zonder dat [eiser] daarvoor betaald heeft. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde] de geldlening aan [eiser] heeft terugbetaald, zodat daarmee de verplichting tot terugbetaling van de geldlening is komen vast te staan. De hoofdsom van € 5.000,00 zal worden toegewezen.

4.3

Vanwege het betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] is de gevorderde wettelijke rente eveneens toewijsbaar. Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Onweersproken staat vast dat het geldbedrag binnen zes maanden terugbetaald had moeten worden, zodat [gedaagde] in verzuim verkeert na afloop van die zes maanden, dus vanaf 1 augustus 2016.

4.4

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

4.5

[gedaagde] is de partij die (grotendeels) ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:

- kosten van de dagvaarding

€

125,03

- griffierecht

€

244,00

- salaris gemachtigde

€

498,00

(2,00 punten × € 249,00)

Totaal

€

867,03

4.6

De nakosten zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2016, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 867,03,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023.