Civiel recht overig

Vonnis in incident. Het gaat om een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid, omdat de verkeerde…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 april 2026

Zaakgegevens

Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
15 april 2026
Zaaknummer
12073091 \ CV EXPL 26-344 (T)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:3014
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vonnis in incident. Het gaat om een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid, omdat de verkeerde partij zou zijn gedagvaard. De vordering wordt afgewezen. Voor de beoordeling van de vordering dient inhoudelijk op de zaak ingegaan te worden. De vordering is derhalve materieel van aard en leent zich niet voor behandeling in een incident.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12073091 \ CV EXPL 26-344

Vonnis van 15 april 2026

in de zaak van

[koper] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

hierna te noemen: [koper] ,

gemachtigde: mr. J.M.A. Koole,

tegen

[B.V. 1] .,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

hierna te noemen: [B.V. 1] ,

gemachtigde: mr. T.P. Monteiro Mendonça.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;
- de incidentiele conclusie tot niet-ontvankelijkheid;
- de conclusie van antwoord in het incident;

- de akte van [B.V. 1] van 31 maart 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

In de hoofdzaak

2.1.

[koper] vordert – samengevat – primair dat de tussen haar en [B.V. 1] gesloten overeenkomst tot levering en inbouw van een motor in haar caravan wordt ontbonden. Daarmee samenhangend vordert zij terugbetaling van de door haar betaalde totaalprijs van € 6.100,00. Voor zover de primaire vordering niet wordt toegewezen, vordert [koper] subsidiair een (vervangende) schadevergoeding, meer subsidiair prijsvermindering en uiterst subsidiair terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling.

2.2.

[B.V. 1] voert verweer en concludeert in incident tot niet-ontvankelijkheid van [koper] .

In het incident

2.3.

[B.V. 1] is van mening dat [koper] de verkeerde partij heeft gedagvaard. [koper] heeft [B.V. 1] (KvK [nummer 1] ) in rechte betrokken. Volgens [B.V. 1] had [B.V. 2] (KvK [nummer 2] ) in rechte betrokken moeten worden, nu de overeenkomst met haar is gesloten. [koper] maakt volgens [B.V. 1] misbruik van haar bevoegdheid, nu niet wordt gesteld of onderbouwd waarom [B.V. 1] is betrokken in de procedure.

2.4.

[koper] voert verweer. [koper] meent dat [B.V. 1] ten onrechte stelt dat [B.V. 2] contractspartij is. Daarnaast is de verwarring die is ontstaan over de contractspartij te wijten aan [B.V. 1] . Zij gebruikt stelselmatig verschillende vennootschappen met vrijwel dezelfde namen door elkaar. Ook presenteert zij zich naar buiten als één en dezelfde onderneming. [koper] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [B.V. 1] haar contractspartij was. Subsidiair verzoekt [koper] om wijziging van de gedaagde partij in de vennootschap die de rechtbank als contractspartij aanmerkt. Meer subsidiair beroept [koper] zich op vereenzelviging van de betrokken vennootschappen.

3 De beoordeling

3.1.

[B.V. 1] voert een niet-ontvankelijkheidsverweer, waarop zij kennelijk, in het kader van een incident, eerst een beslissing wil.

3.2.

De kantonrechter stelt voorop dat een incidenteel beroep op de niet-ontvankelijkheid alleen kan slagen als er niet is voldaan aan formele of processuele vereisten, waardoor niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Dat is in deze situatie niet het geval. Om te kunnen beoordelen of [koper] de verkeerde partij heeft gedagvaard, moet inhoudelijk op de zaak worden ingegaan. De vordering die [B.V. 1] instelt, is daarmee materieel van aard en niet processueel. Deze vordering leent zich dan ook niet voor behandeling in een incident, maar zal – eventueel gelijktijdig met de overige verweren – in de hoofdzaak naar voren gebracht moeten worden en in de hoofdzaak moeten worden behandeld. De vordering van [B.V. 1] wordt daarom afgewezen.

3.3.

Omdat de vordering zich niet leent voor een behandeling in incident, kunnen de verweren van [koper] op dit moment onbesproken blijven.

3.4.

[B.V. 1] heeft in de hoofdzaak nog geen conclusie van antwoord genomen. Zij krijgt de gelegenheid dat alsnog te doen op de rolzitting van de kantonrechter van 13 mei 2026 om 10:00 uur.

3.5.

[B.V. 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [koper] in het incident worden veroordeeld. De kantonrechter begroot deze kosten op €360,00 aan salaris voor de gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter

In de hoofdzaak

4.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 mei 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak door [B.V. 1] ;

In het incident

4.2.

wijst het gevorderde af;

4.3.

veroordeelt [B.V. 1] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [koper] tot op heden begroot op € 360,00;

4.4.

verklaart het vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.