Civiel recht overig

Bouw van een carport. Uitleg van de overeenkomst. Veroordeling tot nakoming op straffe van dwangsom.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 september 2026

Zaakgegevens

Op 23 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
23 september 2026
Datum publicatie
24 september 2026
Zaaknummer
11850218 \ CV EXPL 25-4061
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9223
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bouw van een carport. Uitleg van de overeenkomst. Veroordeling tot nakoming op straffe van dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11850218 \ CV EXPL 25-4061

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. L.W. Kasteleijn,

tegen

1 DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,

2
2. [gedaagde 2] ,

procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub 1,

te [plaats 2] ,

3
3. [gedaagde 3] ,

procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub 1,

te [plaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

procederend in persoon.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een carport. [eiser] en [gedaagden] hebben een overeenkomst gesloten voor de bouw van een carport op het perceel van [eiser] . Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden zijn partijen in een impasse geraakt: [eiser] stelt dat [gedaagden] verantwoordelijk is voor het gehele project en [gedaagden] betwist dat. Zij wil de werkzaamheden pas hervatten als de ondergrond klaar is voor de nieuwe carport. [eiser] vordert nakoming op straffe van een dwangsom. De kantonrechter veroordeelt [gedaagden] tot nakoming op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 in totaal. [gedaagden] moet de werkzaamheden binnen twee maanden na de datum van dit vonnis, dus op 23 november 2026, hebben voltooid. Als zij dat niet doet, moet zij voor iedere dag dat zij daarna nog niet is nagekomen een dwangsom betalen aan [eiser] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 18 augustus 2025 met producties;

  • de conclusie van antwoord van 20 januari 2026 met producties;

  • de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

  • de akte inbreng nadere producties van [eiser] van 5 juni 2026;

  • de mondelinge behandeling van 17 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarna hebben [eiser] en [gedaagden] (vertegenwoordigd door gedaagde sub 2) aangegeven met elkaar in gesprek te willen gaan om te bekijken of zij een schikking konden bereiken. Na afloop van de termijn die de kantonrechter daarvoor aan partijen heeft gegeven, hebben partijen de kantonrechter medegedeeld dat zij geen schikking hebben bereikt. Partijen hebben de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen.

1.3.

Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft contact opgenomen met [gedaagden] om een nieuwe carport op zijn perceel te laten bouwen. [gedaagden] heeft op 23 mei 2024 een offerte uitgebracht aan [eiser] .

2.2.

[eiser] heeft daarna bij [gedaagden] navraag gedaan naar andere opties dan die in de offerte beschreven waren. Hij heeft [gedaagden] op 13 juni 2024 gemaild: “Kunt u daar ook een offerte van maken? Verder alles hetzelfde en ook opnemen in de offerte het slopen van de oude carport en het storten van beton zodat het gehele project in jullie handen ligt.”

2.3

[gedaagden] heeft de offerte aangepast en [eiser] en [gedaagden] hebben een overeenkomst gesloten op 28 juni 2024. Het totale bedrag van de overeenkomst is € 28.935,00.

2.4.

In de schriftelijke overeenkomst staat dat [gedaagden] een Carport Pro Max Line met zadeldak aan [eiser] levert (met daarbij een negental specificaties vermeld, zoals de maatvoering, de kleur en het aantal spotjes per ligger). Verder hebben partijen afgesproken dat [gedaagden] de oude carport demonteert en afvoert, een vrijstaande constructie bouwt, dat zij beide zijwanden en de achterzijde voorziet van glazen schuifwanden, dat er 42 m2 beton gestort wordt (isolatie bouwnet en beton storten inclusief bekisting) en dat de nieuwe carport gemonteerd wordt.

2.5.

[eiser] heeft een aanbetaling van € 1.000,00 gedaan op 3 juli 2024.

2.6.

[gedaagden] is na de aanbetaling gestart met de werkzaamheden op het perceel van [eiser] . Zo heeft [gedaagden] de bestaande carport afgebroken en voorbereidingen getroffen voor de nieuwe carport. Op enig moment zijn de werkzaamheden van [gedaagden] stil komen te liggen en zijn de werkzaamheden niet meer hervat.

2.7.

Op enig moment heeft [eiser] overleg gehad met [gedaagden] over de fundering. Vervolgens heeft [eiser] een derde ingeschakeld om de fundering te verzorgen. Voor deze (meer)werkzaamheden heeft [eiser] bijna € 6.000,00 betaald.

2.8.

Op 14 november 2025 is in opdracht van [gedaagden] geprobeerd beton te storten voor de fundering van de carport. Doordat de brug en het pad te smal waren, heeft Online Betoncentrale B.V. het beton niet kunnen storten. Dat gold ook voor BetonBestellen.nl: op 20 januari 2026 heeft zij in opdracht van [gedaagden] geprobeerd beton te storten, maar ook deze poging is mislukt.

2.9.

Tussen 8 april 2025 en 6 mei 2025 hebben [eiser] en [gedaagden] mailcontact gehad met elkaar. In de e-mails heeft [gedaagden] voorgesteld om alvast de carport te plaatsen omdat het haar nog niet gelukt was een geschikt bedrijf te vinden voor het storten van het beton. [eiser] heeft daarop gereageerd dat hij dat niet wilde. Vervolgens heeft [gedaagden] aan [eiser] medegedeeld dat een door [eiser] verzochte verandering in funderingskeuze leidt tot meerkosten die voor rekening komen van [eiser] . [eiser] heeft daarop vragen aan [gedaagden] gesteld, waarop [gedaagden] niet (meer) per e-mail heeft geantwoord. Op 6 mei 2025 heeft [eiser] [gedaagden] een termijn van drie weken geboden om de werkzaamheden volledig af te ronden.

2.10.

[eiser] heeft [gedaagden] op 28 mei 2025 in gebreke gesteld en gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst. Toen [eiser] nog geen antwoord had gehad op 5 juni 2025, heeft hij [gedaagden] medegedeeld dat zij in verzuim was geraakt.

2.11.

Vervolgens hebben [gedaagden] en [eiser] tussen 5 juni 2025 en 26 juni 2025 mailcontact gehad met elkaar. [gedaagden] heeft betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming. In het mailcontact daarna heeft zij aangevoerd dat haar werkzaamheden zich beperkten tot het storten van beton en het plaatsen van de carport en dat de verantwoordelijkheid voor de fundering bij [eiser] ligt. [gedaagden] heeft medegedeeld haar werkzaamheden te kunnen hervatten zodra de ondergrond geschikt is voor het storten van beton. [eiser] stelt dat [gedaagden] de verantwoordelijkheid had voor het gehele project, inclusief de werkvoorbereiding voor de nieuwe carport. [gedaagden] heeft toegelicht dat niet overeengekomen is dat zij verantwoordelijk was voor andere werkzaamheden, zoals het extra uitgraven van de ondergrond, het plaatsen van extra bewapening of schroeffunderingen ter versteviging van de ondergrond of enige andere bouwkundige voorbereiding om de inrit of ondergrond verzakkingsvrij te maken. Daarop heeft [eiser] [gedaagden] haar nogmaals een termijn geboden om volledig na te komen. Daar heeft [gedaagden] geen gehoor aan gegeven.

2.12.

[gedaagden] heeft haar werkzaamheden niet meer hervat. De nieuwe carport van [eiser] is klaar voor montage, maar de ondergrond is daar nog niet geschikt voor.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - nakoming op straffe van een dwangsom.

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagden] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis uit de overeenkomst, namelijk het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden. [eiser] voert aan dat [gedaagden] verantwoordelijk is voor het gehele project, van de sloop van de oude carport tot en met de bouw van de nieuwe carport. Omdat de werkzaamheden nog niet zijn voltooid en partijen in een impasse zijn geraakt, vordert [eiser] nu nakoming van de overeenkomst op straffe van een dwangsom.

3.3.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Volgens haar moet de vordering van [eiser] worden afgewezen. Daartoe voert zij aan dat zij op basis van de gemaakte afspraken niet verantwoordelijk is voor het gehele project, maar slechts voor de in de overeenkomst opgenomen werkzaamheden. [gedaagden] voert aan geen aannemer te zijn, maar carports te plaatsen. Volgens [gedaagden] is zij niet verantwoordelijk voor de werkvoorbereiding voor de nieuwe carport, zoals het betonstorten en de fundering van de carport.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Wat mocht [eiser] van [gedaagden] verwachten?

4.1.

Partijen verschillen van mening over wat wel en niet onder de overeenkomst die zij hebben gesloten valt. [eiser] stelt dat hij ervan uitging dat [gedaagden] voor hem het gehele project zou verzorgen: van de sloop van de oude carport tot en met de bouw van de nieuwe carport. Dat heeft hij ook per e-mail medegedeeld aan [gedaagden] , vóórdat hij de offerte ondertekende en met [gedaagden] een overeenkomst sloot. Vervolgens heeft [gedaagden] een begin gemaakt aan de werkzaamheden. Sinds de oude carport is afgebroken, is de nieuwe carport echter nog niet gebouwd. Het verschil van mening ziet op de verantwoordelijkheid voor de benodigde fundering van de carport. [eiser] voert aan dat hij mocht verwachten dat [gedaagden] ook de fundering van de carport zou verzorgen. [gedaagden] betwist dat en voert aan dat zij geen aannemer, constructeur en/of betonbedrijf is. Volgens [gedaagden] ziet de overeenkomst alleen op het plaatsen van een carport.

4.2.

Voor beantwoording van de vraag wat [eiser] van [gedaagden] mocht verwachten moet de kantonrechter uitleg geven aan de overeenkomst tussen partijen. Er bestaat namelijk onduidelijkheid tussen partijen en de schriftelijke overeenkomst biedt geen uitsluitsel. Voor de uitleg van een schriftelijke overeenkomst hanteert de kantonrechter naar vaste jurisprudentie de zogeheten Haviltex-norm. Deze norm houdt in dat de overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan een bepaling mochten toekennen en wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de tekst van de overeenkomst, de omstandigheden vóór en ná het sluiten van de overeenkomst en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg van belang. Het gaat dus om alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.3.

Ter beoordeling van de vraag wat [eiser] van [gedaagden] mocht verwachten, hecht de kantonrechter allereerst waarde aan de e-mail die [eiser] voorafgaand aan het ondertekenen van de offerte (en daarmee het sluiten van de overeenkomst) aan [gedaagden] heeft gestuurd (zie r.o. 2.2). De kantonrechter begrijpt de e-mail van [eiser] zo dat hij heeft bedoeld dat hij wilde dat het project van begin tot eind, dus van sloop van de oude carport tot en met bouw van de nieuwe carport, in de handen van [gedaagden] kwam te liggen.

4.4.

Twee weken na de e-mail van [eiser] hebben partijen op 28 juni 2024 een overeenkomst gesloten. De kantonrechter hecht ook waarde aan de (wel) schriftelijk overeengekomen werkzaamheden tussen partijen, zoals vermeld onder r.o. 2.4. Uit de overeenkomst blijkt dat partijen niet alleen zijn overeengekomen dat [gedaagden] een nieuwe carport zou plaatsen. Zo is [gedaagden] op basis van de overeenkomst ook gehouden om de oude carport te slopen en af te voeren, beton te (laten) storten, een vrijstaande constructie voor de carport te bouwen en de nieuwe carport te monteren.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] van [gedaagden] mocht verwachten dat zij het project van sloop van de oude carport tot en met de bouw van de nieuwe carport zou verzorgen en dat alle daarvoor vereiste tussenliggende werkzaamheden inbegrepen waren in de overeengekomen prijs. De kantonrechter betrekt in zijn oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagden] na de e-mail van [eiser] van 13 juni 2024 aan hem heeft medegedeeld dat zij niet verantwoordelijk is voor het gehele project, maar voor (slechts) delen daarvan. Uit de overeenkomst blijkt ook niet dat [eiser] zelf verantwoordelijk is voor het (laten) uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. De kantonrechter is niet gebleken dat bepaalde werkzaamheden zijn uitgesloten of dat bepaalde werkzaamheden (alsnog) voor eigen rekening van [eiser] zouden komen.

4.6.

De stelling van [gedaagden] dat zij niet eindverantwoordelijk is voor het project, volgt de kantonrechter daarom niet. [gedaagden] heeft zich namelijk, door de werkzaamheden in de offerte op te nemen, verplicht tot het (doen) verrichten van die werkzaamheden. Dat [gedaagden] zelf geen beton stort en daarvoor een ander bedrijf zou inschakelen, doet aan haar verantwoordelijkheid voor die werkzaamheden niet af. Dat geldt in algemene zin voor de voorbereiding van de nieuwe carport: uit de offerte blijkt in het geheel niet dat van [eiser] verwacht mocht worden of dat van hem verwacht werd dat hij zelf zou zorgdragen voor een deugdelijke werkvoorbereiding of fundering van de nieuwe carport. De offerte ziet op de werkzaamheden vanaf sloop van de oude carport tot en met het bouwen van de nieuwe carport; niet blijkt dat (tussen)werkzaamheden niet onder de offerte vallen. De kantonrechter betrekt in zijn overweging ook dat [eiser] zelf een derde heeft gezocht en betaald voor meerwerk, toen hij ná het sluiten van de overeenkomst een aanpassing wilde aan de fundering. Deze aanpassingen leverden meerwerk op, maar daaruit leidt de kantonrechter af dat [gedaagden] in de basis wel verantwoordelijk is voor de fundering en werkvoorbereiding van de nieuwe carport.

4.7.

Al met al betekent het voorgaande dat de kantonrechter van oordeel is dat uitleg van de overeenkomst ertoe leidt dat [eiser] van [gedaagden] redelijkerwijs mocht verwachten dat [gedaagden] verantwoordelijkheid zou dragen en nemen voor het gehele project, waar ook de werkvoorbereiding voor en deugdelijke fundering van de nieuwe carport onderdeel van is.

[gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming en moet (alsnog) nakomen

4.8.

[gedaagden] is met het uitvoeren van werkzaamheden gestopt, naar eigen zeggen totdat de werkvoorbereiding voor de nieuwe carport voltooid is. Daarmee is zij haar verbintenis uit overeenkomst nog niet (volledig) nagekomen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagden] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis uit overeenkomst en daarom (alsnog) moet nakomen. Omdat [eiser] heeft gevorderd dat
[gedaagden] wordt veroordeeld tot nakoming van haar verbintenis uit overeenkomst en de kantonrechter van oordeel is dat zij daartoe verplicht is, veroordeelt de kantonrechter
[gedaagden] tot nakoming.

4.9.

Vervolgens ontstaat de vraag op welke wijze [gedaagden] kan voldoen aan de veroordeling tot nakoming. Met andere woorden: wat moet [gedaagden] nog doen? [eiser] heeft bij dagvaarding gesteld dat nakoming inhoudt:

  • het volledig slopen en afvoeren van de restanten van de oude carport, waaronder begrepen: betontegels, oude betonpoeren, restanten van het dak (thans liggend tussen de bomen), glaswerk en overige materialen die de plaatsing van de nieuwe carport belemmeren, waaronder eventueel een gedeelte van een boomwortel;

  • het aanbrengen van een stabiele fundering ten behoeve van de nieuwe carport, waaronder begrepen het plaatsen van een betonplaat met voldoende fundering om de kans op verzakkingen te minimaliseren, met inbegrip van alle werkzaamheden die nodig zijn om verzakking van het bouwwerk te voorkomen (zoals het plaatsen van extra schroefpalen of andere funderingselementen);

  • het plaatsen en deugdelijk monteren van de nieuwe carport, inclusief verlichting;

  • het veilig aansluiten van de bestaande stroomvoorziening, waaronder het verwijderen van losliggende 230V-kabels en het herstellen van een veilige aansluiting en

  • het schoon en gebruiksklaar opleveren van het werk, waaronder het volledig opruimen en aanvegen van het terrein, alsmede het op de juiste hoogte en voldoende afgewerkt aansluiten van het werk op het bestaande tuinpad, zodat voertuigen het perceel direct kunnen betreden en verlaten.

4.10.

Omdat voor partijen duidelijk moet zijn wanneer [gedaagden] heeft voldaan aan de veroordeling, is het belangrijk dat wat [gedaagden] nog moet doen zo concreet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat uitleg van de overeenkomst ertoe leidt dat de overeenkomst bovenstaande werkzaamheden omvat. Dit betekent dat [gedaagden] de door [eiser] benoemde werkzaamheden nog moet (laten) uitvoeren. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het ook acceptabel is als [gedaagden] niet zélf de fundering aanbrengt of de elektra aansluit, maar daarvoor een ander bedrijf inschakelt. Het resultaat van de werkzaamheden is echter wel steeds de (eind)verantwoordelijkheid van
[gedaagden] . Dat betekent: als de werkzaamheden niet goed verlopen of niet (tijdig) worden uitgevoerd, komt dat voor rekening en risico van [gedaagden] .

Als [gedaagden] niet op tijd nakomt, moet zij een dwangsom betalen

4.11.

Voor het geval dat [gedaagden] de genoemde werkzaamheden niet op tijd heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren en dus niet (op tijd) nakomt, verbindt de kantonrechter op vordering van [eiser] een dwangsom aan de hoofdveroordeling. [eiser] vordert aan de veroordeling tot nakoming een dwangsom te verbinden van
€ 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. [gedaagden] heeft tijdens de mondelinge behandeling alleen aangevoerd dat zij dit bedrag niet kan betalen.

4.12.

De kantonrechter stelt voorop dat een dwangsom een drukmiddel is met het doel om de hoofdveroordeling te verkrijgen (in dit geval: [gedaagden] moet nakomen). De dwangsom moet een voldoende prikkel vormen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De kantonrechter houdt ook rekening met de draagkracht van [gedaagden] . Met deze twee aspecten in gedachten beperkt de kantonrechter de dwangsom tot een bedrag van
€ 500,00 per dag dat niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan, met een maximum van
€ 25.000,00.

4.13.

[eiser] heeft gevorderd dat nakoming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis moet plaatsvinden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] aangevoerd dat nakoming binnen veertien dagen niet mogelijk is, maar dat nakoming binnen twee maanden wel zou kunnen.

4.14.

De kantonrechter is van oordeel dat het niet redelijk is om van [gedaagden] te verwachten dat zij binnen de gevorderde veertien dagen nadat dit vonnis is betekend heeft voldaan aan de hoofdveroordeling. Daarom verbeurt [gedaagden] als zij niet op tijd is nagekomen een dwangsom met ingang van 24 november 2026. Met andere woorden: [gedaagden] heeft nadat dit vonnis wordt uitgesproken twee maanden de tijd om te voldoen aan de hoofdveroordeling (nakoming van de overeenkomst). Als [gedaagden] dan nog niet heeft voldaan aan de hoofdveroordeling, verbeurt zij voor iedere dag dat zij niet op tijd is nagekomen een dwangsom van € 500,00, met een maximum van € 25.000,00. [gedaagden] moet dit bedrag dan aan [eiser] betalen.

Tevergeefs gemaakte kosten voor betonstortingen

4.15.

[gedaagden] heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd tevergeefs kosten te hebben gemaakt voor betonstortingen die door omstandigheden op het perceel van [eiser] niet konden worden uitgevoerd. Voor zover [gedaagden] dit als een eis in reconventie heeft bedoeld, wijst de kantonrechter deze af. [gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat zij betonbedrijven heeft ingeschakeld en dat deze bedrijven onverrichter zaken zijn vertrokken bij [eiser] , maar zij heeft niet onderbouwd waarom of op basis waarvan deze kosten voor rekening zouden moeten komen van [eiser] . [eiser] hoeft deze kosten dus niet aan [gedaagden] te betalen.

Proceskosten

4.16.

[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

191,75

- griffierecht

€

90,00

- salaris gemachtigde

€

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.145,75

4.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.18.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot nakoming van de overeenkomst zoals bedoeld in r.o. 4.9 van dit vonnis op uiterlijk 23 november 2026,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling als onder 5.1 uitgesproken voldoet, met een maximum van € 25.000,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.145,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.