Strafrecht overig
Veroordeling voor het medeplegen van invoer van 100 kilo cocaine. Voorwaardelijk opzet. Oplegging van een…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10766 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10766
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 02-045899-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10766
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het medeplegen van invoer van 100 kilo cocaine. Voorwaardelijk opzet. Oplegging van een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-045899-26
vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [locatie]
raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 februari 2026 te Breda samen met (een) ander(en)100 kilo cocaïne heeft ingevoerd dan wel vervoerd dan wel aanwezig gehad.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde invoer van de 100 kilo cocaïne wettig en overtuigend bewezen. Hij gaat daarbij uit van voorwaardelijk opzet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van verdachte omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de invoer dan wel het vervoer van cocaïne. Verdachte meende dat hij hasj vervoerde. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat het om cocaïne ging of dat hij die mogelijkheid bewust op de koop heeft toegenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt vast dat verdachte en [medeverdachte 1] op 13 februari 2026 vanuit België naar Nederland zijn gereden. Verdachte reed in een Audi en [medeverdachte 1] reed in een Citroën. Voor de grensovergang heeft verdachte vier gevulde zwarte sporttassen in de auto van [medeverdachte 1] geplaatst. Samen zijn zij naar IKEA in Breda gereden. Verdachte had daar een afspraak met een persoon die hij niet kende. Op afstand werd verdachte via de telefoon aangestuurd en werd hem verteld dat de persoon met wie hij een afspraak had in een blauwe Kia zou zitten. Nadat verdachte op het parkeerterrein van IKEA was aangekomen, heeft hij met [medeverdachte 2] die in de blauwe Kia zat een token in de vorm van een briefje van vijf euro uitgewisseld en hem geïnstrueerd om naast de Citroën te parkeren. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben de vier zwarte sporttassen vervolgens uit de Citroën gehaald en in de kofferbak van de auto van [medeverdachte 2] geplaatst. Hierna zijn verdachte en [medeverdachte 1] weer achter elkaar aan teruggereden in de richting van België. [medeverdachte 2] reed in de richting van Amsterdam. Hij is onderweg gecontroleerd en onderzoek wees uit dat de vier sporttassen ieder gevuld waren met 25 kilo cocaïne.
Voor een bewezenverklaring van invoer moet kunnen worden vastgesteld dat de cocaïne het grondgebied van Nederland is binnengebracht en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Op grond van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen kan worden vastgesteld dat verdachte 100 kilo cocaïne het grondgebied van Nederland heeft binnengebracht. Zoals hiervoor eveneens is vastgesteld, heeft verdachte, telefonisch aangestuurd door een andere persoon, vier zware tassen vanuit België naar Nederland gebracht die tijdens een kortdurend contact op een parkeerplaats zijn overgedragen aan een voor verdachte onbekende persoon. Bij de overdracht is gebruikgemaakt van een token in de vorm van een geldbriefje, hetgeen in het criminele circuit en meer in het bijzonder bij de overdracht van drugs gebruikelijk is ter identificatie van de ontvanger. Reeds deze feiten en omstandigheden wijzen zozeer op een overdracht van drugs dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tassen met cocaïne waren gevuld. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte de met cocaïne gevulde tassen voor de grens in de auto van [medeverdachte 1] heeft geplaatst waardoor deze feitelijk door haar over de grens zijn gebracht, zonder dat hij hiervoor een plausibele verklaring heeft gegeven. Dit wijst erop dat hij het risico om met de tassen te worden aangehouden, op een ander heeft willen afwentelen en mitsdien op de wetenschap dat hij iets illegaals over de grens bracht.
Verdachte heeft verklaard dat hij de tassen met cocaïne als wederdienst voor een andere persoon naar Breda heeft gebracht en dat hij meende dat de tassen gevuld waren met hasj omdat hij van iemand had gehoord dat deze andere persoon zich bezig zou houden met softdrugs. Hij heeft niet willen zeggen wie deze andere persoon is. Dat hij meende of mocht menen dat er softdrugs in de sporttassen zaten, is niet aannemelijk geworden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd zoals hierna is opgenomen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 100 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bij de strafoplegging moet volgens de verdediging worden uitgegaan van het eigen aandeel van verdachte, zijn verklaring over de aanleiding van zijn handelen en zijn persoonlijke omstandigheden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de verblijfsstatus van verdachte en het inreisverbod waardoor verdachte geen perspectief heeft op de gebruikelijke detentiefasering waardoor de detentie zwaarder weegt.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 13 februari 2026 schuldig gemaakt aan invoer van 100 kilo cocaïne. Dit heeft hij gedaan door iemand anders in te zetten voor het daadwerkelijke vervoer van de cocaïne van België naar Nederland en zelf vóór deze persoon uit te rijden naar de plaats van bestemming bij de IKEA in Breda. Op deze manier heeft verdachte het risico van de invoer bij een ander willen leggen. Het gaat hier om een zeer grote hoeveelheid harddrugs met een straatwaarde van naar schatting tussen 5 en 7 miljoen euro. De aangetroffen hoeveelheid is een indicatie dat er sprake is van georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze gepaard gaat met ernstige gevolgen voor de samenleving. Naast gezondheidsschade als gevolg van drugsgebruik gaat het onder meer om criminele geldstromen die verweven raken met de reguliere economie en fysiek geweld als gevolg van conflicten tussen criminele personen en/of groepen. Door de invoer van harddrugs wordt de handel en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Verdachte heeft met de invoer van deze grote hoeveelheid hieraan niet alleen deelgenomen maar ook bijgedragen en kan daarom medeverantwoordelijk worden gehouden voor deze gevolgen.
Voor het feit dat verdachte heeft gepleegd, bestaan landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), maar deze oriëntatiepunten gaan niet hoger dan 10 tot 20 kilo waarbij gevangenisstraf van tussen de 60 en 72 maanden wordt geadviseerd in geval van een georganiseerd verband. Hieruit volgt in ieder geval dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Voor de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd waarbij de nadruk ligt op de forse hoeveelheid cocaïne die is ingevoerd en de rol van verdachte die naar het oordeel van de rechtbank niet slechts het zijn van een koerier betreft. Daarnaast heeft de rechtbank het strafblad van verdachte meegenomen in haar beoordeling. Daaruit blijkt dat hij zowel in Nederland als in België niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Tot slot heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding in aanmerking genomen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van officier van justitie recht doet aan de aard en ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Dat verdachte vanwege zijn verblijfsstatus en het inreisverbod te maken heeft met een zwaarder detentieregime maakt, wat daar verder ook van zij, dat oordeel niet anders. De rechtbank legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 Het beslag
Nu verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van het beslag, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zestig maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. J.F.C. Janssen en mr. A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
Mr. Bloemendal is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 100 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 100 kiloram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )