Strafrecht overig
De rechtbank legt aan verdachte een betalingsverplichting op voor een bedrag van € 99.002,50 wegens…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10798 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10798
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 02-011781-26 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10798
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank legt aan verdachte een betalingsverplichting op voor een bedrag van € 99.002,50 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-011781-26
vonnis van de rechtbank d.d. 5 november 2026
in de ontnemingszaak tegen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]
wonende op het adres [woonadres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .
Raadsman: mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.
1 De procedure
Betrokkene is op 5 november 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de strafzaak (eveneens met parketnummer 02-011781-26), tot een gevangenisstraf van vier jaar veroordeeld vanwege:
- het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod
en
- een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
De officier van justitie heeft de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De schriftelijke ontnemingsvordering bedraagt € 140.772,50.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op zitting de schriftelijke ontnemingsvordering gehandhaafd en dus betoogd dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten voor een bedrag van € 140.772,50. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport van de politie met betrekking tot de berekening van dit wederrechtelijk verkregen voordeel.
3 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Het argument daarvoor is dat niet kan worden aangenomen dat de verkoopopbrengsten van € 148.500 (voor 13 kilogram cocaïne) en € 57.000 (voor 4 kilogram cocaïne) door betrokkene zijn ontvangen. Het subsidiaire standpunt is dat de door de politie gehanteerde inkoopprijs van één kilogram cocaïne, te weten € 3.807,50,- niet als reëel kan worden beschouwd en dat dit bedrag aanzienlijk hoger moet zijn.
4 Het oordeel van de rechtbank
Inleidende vaststellingen
De rechtbank sluit in haar overwegingen integraal aan bij de bewijsmiddelen en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling op dit bewijs wordt tevens rekening gehouden met de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de daarbij gevoegde bijlagen.
Wettelijke grondslag van de vordering en periode van onderzoek
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft het voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van de in de strafzaak bedoelde feiten, of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan. Volgens het ontnemingsdossier heeft dit er op enigerlei wijze toe geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, in de zin van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De wettelijke grondslag voor de ontnemingsvordering is met dit artikel(lid) gegeven. De onderzoeksperiode begint op 26 mei 2025 en eindigt op 17 maart 2026. Er is gesteld noch gebleken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bespreking van het primair verweer
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de handgeschreven notitie, aangetroffen in het bedrijfspand van betrokkene tijdens de doorzoeking op 17 maart 2026, ziet op de verkoopopbrengst uit cocaïnehandel. De opeenvolging van namen, eenheden, prijzen en de term ‘opgehaald’ veronderstellen dat er een lijst met afnemers is, dat er een overdacht van bezit heeft plaatsgevonden en dat er betaald is. De rechtbank heeft in de strafzaak al gemotiveerd weerlegd waarom zij een andere uitleg van deze notitie ongeloofwaardig acht. De stellingname van de raadsman dat uit niets gebleken is dat betrokkene er een luxueus bestaan op na heeft gehouden acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst in dit verband -volledigheidshalve- nog op de waardevolle vermogenscomponenten waarop conservatoir beslag is gelegd, waaronder twee Rolex horloges. Bij deze stand van zaken faalt het verweer op dit punt.
De rechtbank volgt de uitleg van het Openbaar Ministerie echter niet voor zover dat ziet op het Signal-gesprek, waaruit de verkoop van 4 kilogram cocaïne zou blijken. Op de keper beschouwd heeft betrokkene op 17 februari 2026, via Signal, alleen het account ‘[account 1]’ in kennis gesteld van een aankoop door het account ‘[account 2]’: “Die [account 2] had gekocht 4 vandaag 14250”. Uit deze passage volgt nog niet dat betrokkene zelf de verkoper is geweest, laat staan dat hij van de transactie geprofiteerd heeft. Dit klemt temeer, nu nadien nog overleg met het account ‘[account 3]’ moest plaatsvinden over aantallen en prijzen en tegelijkertijd ook over hennep wordt gesproken. Bovendien spreekt betrokkene in het direct daaropvolgende bericht over een situatie die meer weg heeft van een aankoop dan een verkoop. De rechtbank zal dit onderdeel van de ontnemingsvordering daarom afwijzen. Het verweer slaagt in zoverre.
Opbrengsten
Uit de handgeschreven notitie blijkt dat acht kilogram cocaïne met het opschrift ‘Goat’ en vijf cilinders van grofweg 1 kilogram cocaïne zijn verkocht. Er is dus in totaal 13 kilogram cocaïne verkocht aan diverse afnemers. Uit de handgeschreven notitie blijkt verder dat er verschillende verkoopprijzen zijn geweest. De rechtbank neemt de gehanteerde prijzen over en komt tot de volgende berekening van de verkoopopbrengst.
- 6 stuks / kilogram (Goat) x € 11.000 = € 66.000
- 1 stuks / kilogram (Goat) x € 11.750 = € 11.750
- 1 stuks / kilogram (Goat) x € 12.000 = € 12.000
- 5 stuks / cilindervormige blokken x € 11.750 = € 58.750
Totaalbedrag € 148.500,-
Bespreking van het subsidiaire verweer
De rechtbank is van oordeel, dat wanneer door de verdediging de stelling wordt ingenomen dat de kostenraming van de inkoopprijs door justitie niet reëel is, het ook op de weg van de verdediging ligt om met een concrete onderbouwing te komen waarom er een andere berekening heeft te gelden. Er zijn geen administratieve stukken, tegenberekeningen of expertiserapporten overgelegd die reden geven om de ingeschatte kosten in twijfel te trekken. De verdediging heeft deze stelling onderbouwd met een bijlage die teruggrijpt op artikelen uit het Algemeen Dagblad en de NRC. Nog daargelaten dat de in die artikelen vermelde inkoopprijs lager is dan de inkoopprijs uit het ontnemingsrapport (en de berekening van de politie dus in het voordeel is van betrokkene), is dit een weerlegging die onvoldoende concreet is en derhalve geen verdere bespreking behoeft. Het verweer faalt op dit punt.
Kosten
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is aansluiting gezocht bij het document “Drugs Prijzenoverzicht 2024, Nederland 2024, inkoop Zuid-Amerika”. De gehanteerde inkoopprijs (Latijns-Amerika) bedraagt € 3.807,50. De rechtbank beschouwt dit, zoals hiervoor is overwogen, als een reële schatting van de inkoopkosten. Uit de onderzoeksbevindingen zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat andere kosten zijn gemaakt door betrokkene. De totale inkoopprijs voor 13 kilogram / stuks cocaïne bedraagt daardoor (13 x € 3.807,50) € 49.497,50.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast, door de inkoopkosten in mindering te brengen op de verkoopopbrengsten, waardoor overblijft een bedrag van (€ 148.500 -/- € 49.497,50) € 99.002,50.
Vaststelling ontnemingsbedrag en betalingsverplichting
De rechtbank zal de ontnemingsmaatregel en de betalingsverplichting vaststellen op een bedrag van € 99.002,50. De vordering van de officier van justitie wordt voor het overige deel afgewezen.
5 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 99.002,50.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 99.002,50, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 990 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en
mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.A.C. Admiraal en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.