Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt verdachte, voor het bezit van 13 kilogram cocaïne en het plegen van strafbare…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10797 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10797
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 02-011781-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10797
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt verdachte, voor het bezit van 13 kilogram cocaïne en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-011781-26
vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] .
Raadsman: mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er - kort en feitelijk weergegeven - op neer dat verdachte onder feit 1 primair zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing, subsidiair daaraan medeplichtig is geweest. Verdachte wordt onder feit 2 het medeplegen van het bezit van 13 kilogram cocaïne verweten. Het onder feit 3 tenlastegelegde betreft het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Voor wat betreft feit 1 vordert de officier van justitie een integrale vrijspraak. Feit 2 en feit 3 kunnen wel wettig en overtuigend bewezenverklaard worden. Er is onder meer gewezen op de processen-verbaal van identificatie van de Signal-accounts, de inhoud van de Signal-chatgesprekken en de daarin getoonde foto- en videobestanden. De alternatieve verklaring die verdachte heeft afgelegd over de handgeschreven notitie en de gefotografeerde blokken en cilinders, is volstrekt ongeloofwaardig en moet worden gepasseerd. Het feit dat er geen drugs is aangetroffen of getest, maakt dit ook niet anders, gelet op de belastende bewijselementen die wel in het dossier aanwezig zijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vraagt voor alle feiten vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 is betoogd dat verdachte niet in verband gebracht kan worden met (medeplichtigheid aan) de poging tot afpersing. Voor wat betreft feit 2 is bepleit dat verdachte hulp aangeboden heeft aan [aangever] . [aangever] werd door Colombianen verantwoordelijkheid gehouden voor een verdwenen partij cocaïne. Verdachte heeft met [aangever] een notitie opgesteld waarop staat hoeveel cocaïne er ontbreekt, voor welke prijs en voor wie het bestemd was. Daarna hebben zij met gipspoeder/Knauff acht dummypakketten en vijf dummycilinders gemaakt. Deze voorwerpen zijn gefotografeerd. Het gaat om nepdrugs want er heeft nooit cocaïne in gezeten. Die partij was immers al doorverkocht door [aangever] . Met de notitie en foto is getracht tijd te winnen bij de Colombianen, voordat de termijn van schuldinning verlopen zou zijn. Met betrekking tot feit 3 is aangevoerd dat er bij de beoordeling behoedzaam en kritisch moet worden omgesprongen met de Signal-gesprekken. De gesprekken staan op zichzelf, want steunbewijs ontbreekt en het is onduidelijk wat de gespreksdeelnemers concreet willen bewerkstelligen. Er is daarom ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit feit.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak (feit 1)
De rechtbank is van oordeel, met de officier van justitie en de raadsman, dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot een bewezenverklaring te komen van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat verdachte met het plaatsen van trackers onder de auto’s van [aangever] het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf of een ander heeft nagestreefd, en evenmin dat hij daartoe behulpzaam is geweest. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat er een geweldsmiddel is aangewend of dreiging met geweld heeft plaatsgevonden vanuit verdachte, waardoor [aangever] gedwongen is geweest om iets te doen, te dulden of na te laten. De plaatsing van GPS-trackers onder auto’s van [aangever] , de monitoring van zijn vervoersbewegingen en de inhoud van de Signal-gesprekken tussen verdachte en [persoon] geven weliswaar te denken, maar zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs (feit 2)
Feiten en omstandigheden
Op basis van de processen-verbaal van identificatie van de Signal-accounts - en de in Bijlage II aangehechte bewijsmiddelen - gaat de rechtbank er vanuit dat het Signal-account ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’ in gebruik is geweest bij verdachte. Daarnaast is een Google Pixel telefoon onderzocht, in gebruik bij [aangever] , waaruit volgt dat hij gebruik heeft gemaakt van het Signal-account ‘ [account 3] ’. In deze telefoon is een Signal-chatgesprek aangetroffen tussen ‘ [account 2] ’ (hierna: verdachte) en ‘ [account 3] ’ (hierna: [aangever] ) waaruit het volgende naar voren is gekomen.
Op 12 maart 2025 heeft verdachte een aantal foto’s naar [aangever] gestuurd van rechthoekige blokken en objecten in een cilindervorm. Het gaat om witte substanties waarin stempels zijn aangebracht van het cijfer 7, het automerk Mercedes en de letter P in spiegelbeeld. Op diezelfde dag heeft verdachte een nieuw logo- en benamingsvoorstel gedaan. Hij heeft een logo naar [aangever] doorgestuurd en dit logo de benaming ‘GOAT’ gegeven. Op 12 april en 30 april 2025 heeft verdachte aangegeven dat het merk ‘GOAT’ in de blokken en op de gesealde verpakking is verwerkt. Hij heeft als bewijs daarvoor afbeeldingen van de blokken en verpakking doorgezonden, waarop deze naam duidelijk zichtbaar is.
Op 26 mei 2025 heeft verdachte een foto naar [aangever] gestuurd, waarop acht zwart gesealde rechthoekige blokken en vijf zwart gesealde cilindervormige pakketten zichtbaar zijn. Bij een deel van de rechthoekige pakketten is de bovenkant zichtbaar. Het etiket van die pakketten is zodoende leesbaar. De term ‘GOAT’ staat op het etiket. Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat hij de foto gemaakt heeft en dat hij deze pakketten in een milieukast op zijn bedrijf heeft bewaard.
Op 17 maart 2026 is op het bedrijf van verdachte een doorzoeking verricht. Bij de doorzoeking is in een agenda op het bureau een handgeschreven notitie aangetroffen. Op dit briefje staan onder elkaar namen, gevolgd door ‘GOAT’ of ‘cilinders’, gevolgd met een vermelding van een getal met een k erachter en daarachter ‘opgehaald’. In totaal is acht keer de vermelding ‘GOAT’ opgenomen en bij de cilinders is het getal vijf vermeld. De aantallen, de vorm en logobenaming die op de notitie staan vermeld, komen exact overeen met wat te zien is op de foto die verdachte op 26 mei 2025 heeft verstuurd. De notitie en foto zijn ook van dezelfde plek afkomstig, namelijk uit het bedrijfspand van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De vraag die de rechtbank zal moeten beantwoorden is of de pakketten en de cilinders, afgebeeld op de foto van 26 mei 2025, daadwerkelijk cocaïne bevatten of dat het om dummypakketten gaat die in verband met een schuld aan Colombianen zijn gemaakt, zoals door de verdediging is bepleit. In dat verband overweegt zij als volgt.
Op de eerste plaats komt hetgeen te zien is op de afbeeldingen gestuurd door verdachte aan [aangever] , namelijk de witte kleur, de structuur, de rechthoekige vorm, de gesealde vorm van de verpakking en de logostempels van de blokken in de Signal-gesprekken qua uiterlijke kenmerken overeen met hetgeen de verbalisanten beroepshalve bekend is over cocaïne. De rechtbank onderschrijft dit. Dit beeld wordt versterkt door de gebezigde terminologie van verdachte waarin hij onder meer spreekt over: “het stempel dat erin staat en dat het netjes is gedaan” alsook: “100 gram is uitgekookt op 97,8 top spullen” alsook: “mooi systeem die pulp en heb dat al een keer gedaan”.
Op de tweede plaats wijst de rechtbank op strafrechtelijk onderzoek Martini, waarin [aangever] als verdachte is aangemerkt. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachten cocaïne naar Nederland hebben geïmporteerd, waarbij drugs in cilindervormige assen was verstopt. Op de Google Pixel telefoon van [aangever] is ook een filmbestand ontdekt, waarop een cilinder te zien is waar de kop van is afgezaagd. Daarbij is te zien dat de cilinder gevuld is met een plastic verpakt voorwerp, waar de cocaïnesmokkel uiteindelijk mee blijkt te zijn uitgevoerd. De cocaïne kreeg hierdoor een cilindervorm. Verdachte heeft exact dezelfde cilindervormige voorwerpen in bezit gehad. Uiteindelijk is [aangever] in voormeld onderzoek als verdachte verhoord en geconfronteerd met de foto waarop de cilindervormige voorwerpen te zien zijn. Hij heeft op dat moment ook een bekentenis afgelegd en aangegeven dat cocaïne werd geïmporteerd in cilindervormige assen.
Bovendien is in onderzoek Martini de woning van verdachte [medeverdachte] doorzocht, waarbij meerdere cilindervormige gesealde pakketten zijn aangetroffen. De inhoud van één cilindervormig pakket is gewogen en getest en daaruit is gebleken dat het ging om 1,07 kilogram cocaïne. De cilindervormige pakketten in onderzoek Martini hebben dezelfde grootte als de cilindervormige pakketten op de foto die verdachte heeft gestuurd op 26 mei 2025.
Tot slot overweegt de rechtbank dat het meest voorkomende standaardgewicht van 1 blok cocaïne, 1 kilogram betreft. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het gewicht van de cilinderassen bijna hetzelfde is. Verder komen de getallen die op de bij verdachte aangetroffen notitie staan vermeld (namelijk € 11.000, € 11.750 en € 12.000) dichtbij de groothandelsprijzen van 1 kilogram cocaïne van dat jaar. Nu het gaat om acht blokken en vijf cilinders gaat de rechtbank er gevoeglijk vanuit dat het gewicht 13 kilogram is.
De rechtbank concludeert dan ook, net als de officier van justitie, dat de aangetroffen handgeschreven notitie gegevens over de verkoop van cocaïne bevat. In de eerste kolom staat de naam van de koper, in de tweede het merk, het getal in de derde kolom betreft de verkoopprijs en in de laatste kolom staat vermeld dat het is opgehaald.
Op basis van al het hiervoor overwogene, in onderling verband en in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat op de afbeelding die verdachte heeft gestuurd op 26 mei 2025 daadwerkelijk 13 kilogram cocaïne te zien is.
Bespreking van het alternatief scenario
Het door de verdachte geschetste alternatief, namelijk dat er in de pakketten zoals deze op de foto van 26 mei 2025 staan nooit cocaïne heeft gezeten en dat het dummy’s betreffen, gemaakt om tijd te winnen in een conflict dat [aangever] had met Colombianen, wordt reeds gelet op het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Dit geldt eveneens voor de alternatieve lezing die is aangevoerd met betrekking tot de notitie die op 17 maart 2026 bij verdachte is aangetroffen, te weten dat deze enkel en alleen zou zijn opgemaakt om te achterhalen hoeveel cocaïne er feitelijk werd vermist. Nog daargelaten dat verdachte deze verklaring in een zeer laat stadium heeft afgelegd, na ontvangst van het einddossier, heeft hij geen handen en voeten gegeven aan dit relaas. Er is niets concreet gemaakt, zo weet verdachte niet waar of wanneer de spullen zijn gemaakt en evenmin wanneer de notitie is opgesteld. Daarnaast is geen enkele onderbouwing van deze door verdachte geschetste gang van zaken in het dossier te vinden. Zo is [aangever] bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij wordt daar geconfronteerd met de notitie en heeft aangegeven dat hij hier niet bekend mee is. Bovendien past het aantal blokken dat te zien is op de foto en staat aangegeven op de notitie niet bij de verklaring die [aangever] heeft afgelegd over het aantal vermiste blokken cocaïne. Tenslotte is van belang dat de problemen tussen [aangever] en de Colombianen pas zijn begonnen nadat [aangever] terug kwam van vakantie en er een partij cocaïne verdwenen bleek te zijn. Dit was in juli 2025. De foto is echter al op 26 mei 2025 verstuurd naar [aangever] . De notitie die daarmee correspondeert moet ook rondom die datum zijn opgesteld. Dit is anderhalve maand eerder dan de datum waarop de hulpvraag van [aangever] bij verdachte pas tot stand gekomen kan zijn. De situatie van [aangever] met de Colombianen valt dus ook qua tijd niet te rijmen met de datum van de foto en de notitie.
De rechtbank overweegt voorts dat verdachte als eigenaar van de onderneming en de bedrijfslocatie de volledige beheers- en beschikkingsbevoegdheid heeft gehad over de partij harddrugs zoals deze op de afbeelding van 26 mei 2025 staat. Verdachte heeft de partij immers zelf in een milieukast gelegd en bewaard. Dit betekent dat verdachte deze cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Conclusie
De rechtbank acht op basis van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft gepleegd. Verdachte heeft op 26 mei 2025 opzettelijk 13 kilogram cocaïne aanwezig gehad.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs (feit 3)
Inleidende vaststellingen
De politie heeft tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte, op 17 maart 2026, een Samsung Galaxy A17 aangetroffen in de badkamerlade tussen de handdoeken. Daarnaast is een tweede telefoon bij de doorzoeking aangetroffen, namelijk een Samsung S24. Deze telefoon lag op het nachtkastje in de slaapkamer van verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat beide telefoons van hem zijn en dat hij op Signal de naam ‘ [naam] ’ heeft gebruikt. Vanaf 23 februari 2026 vinden de eerste gesprekken plaats tussen ‘ [naam] ’ (hierna: verdachte) en andere Signal-accounts.
Beoordeling Signal-gesprekken
In het dossier bevindt zich een groot aantal Signal-gesprekken die zijn gevoerd door verdachte en anderen. De rechtbank is zich gedurende de beraadslaging steeds bewust geweest van de mogelijkheid dat de chatconversaties niet volledig zijn. Er is slechts een bepaalde tijdspanne van berichten inzichtelijk en het is onduidelijk of dit alle berichten uit die periode betreft. Bovendien is een aantal Signal-accounts niet geïdentificeerd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat behoedzaamheid moet worden betracht bij het duiden van de betekenis en strekking van de inhoud van de gesprekken. Het vooroverwogene betekent echter niet dat op basis van de chatberichten in zijn geheel geen vaststellingen kunnen worden gedaan. Voor zover de rechtbank op basis van de chats bepaalde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, zal zij dit bij de hierna te bespreken feiten aangeven.
Duiding van Signal-gesprekken
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de chatberichten in het dossier voldoende houvast om het tenlastegelegde feit te beoordelen. De rechtbank verenigt zich met de uitleg die de politie heeft gegeven aan de inhoud van de chatberichten. De rechtbank gaat er vanuit dat er is gecommuniceerd over cocaïne, gelet op de verzonden foto’s waarop onmiskenbaar blokken cocaïne staan afgebeeld. De rechthoekige blokken met witte substantie, voorzien van een logo en stempel, staan pontificaal in beeld. De prijzen en aantallen die in dit kader worden genoemd laten er ook geen misverstand over bestaan dat het om cocaïne gaat.
Daarnaast wordt besproken welke werkwijze het meest geschikt voorkomt, voor het vervoer van die cocaïne, gelet op de gehanteerde terminologie (“tp” en “expi” en “vraag of hij enkel paletten doet of ook bakken en of hij gate out ook behandelt”). Voorts moet, gelet op het taalgebruik, ontdekking door de justitiële autoriteiten worden voorkomen (“die boot is al heet” en “zeker en veilig werken” en “laden haven of op water”). De duiding en gebruikte termen zijn in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is uit andere strafzaken. Het voorgaande wordt tevens bevestigd door de omstandigheid dat door middel van versleutelde berichtgeving is gecommuniceerd, het feit dat de berichten in elkaar overlopen, de versluierde termen die onderling niet tot misverstanden lijken te hebben geleid en de afbeeldingen of filmbestanden die zijn meegezonden.
Bespreking van het verweer
De rechtbank is van oordeel dat het niet alleen bij conversaties over cocaïne is gebleven, maar dat verschillende gespreksonderwerpen uit de Signal-conversaties wel degelijk zijn verankerd en verfeitelijkt in de realiteit.
Verdachte heeft bijvoorbeeld op 28 februari 2026 aangegeven, dat er een ploeg compleet is en dat een maat van hem twee dagen geleden lijsten heeft ontvangen met een film van binnenuit. De rechtbank constateert dat dit klopt, omdat op 26 februari 2026 op Signal informatie is gedeeld via een filmbestand. Er is een persoon op een heftruck in een loods gefilmd, waarbij zogeheten locatielijsten zijn gedeeld, met daarop unieke codes van pallets. De naam van het schip en pallets met bananendozen worden ook op film vastgelegd. Later onderzoek wijst uit dat deze filmopnamen zijn gemaakt bij de [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) in [plaats 2] . De scheepsinformatie, de locatielijsten, de unieke codes van pallets en medewerking van corrupte havenploegen zijn essentieel voor het slagen van cocaïnesmokkel.
Daarnaast blijkt uit de Signal-gesprekken dat er wordt gewerkt aan een ontmoeting, met onder meer een planner, bij horecagelegenheid [bedrijf 2] in [plaats 3] . Uit de combinatie van zendmastgegevens en camerabeelden is gebleken dat verdachte, samen met drie NN-personen, op 4 maart 2026 aan het voormalig wegrestaurant [bedrijf 2] in [plaats 3] een bezoek heeft gebracht. Gelet op de bevindingen in de Signal-gesprekken heeft dit treffen te maken met de bespreking van activiteiten rondom de import van verdovende middelen.
Verder wordt meermaals over boten gesproken, waarbij het van belang is dat het een boot is zonder inmenging van anderen en dat een eigen rederij wordt gebruikt. Er lijkt continu controle te moeten worden gehouden. Dit blijft niet bij gesprekken alleen, want op 7 maart 2026 wordt een filmbestand in de Signal-groep gestuurd met daarop in beeld een varend vrachtschip. In de tweede telefoon van verdachte wordt ook een video aangetroffen, gemaakt tussen 13 maart en 17 maart 2026, van een varend containerschip. De havens van Rotterdam en Antwerpen worden benoemd. Wanneer deze filmbestanden worden afgezet tegen de inhoud van de Signal-gesprekken, heeft het er alle schijn van dat het om cocaïne-import overzee gaat.
Het verweer van de verdediging dat verschillende gespreksonderwerpen uit de Signal-conversaties niet zijn verankerd in de realiteit kan, gelet op het voorgaande, geen stand houden en wordt verworpen.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de Signal-gesprekken, waarvan de samenvatting in Bijlage II aan dit vonnis is gehecht, niet anders worden uitgelegd dan voorbereidingshandelingen met als doel het opzetten van een invoerlijn van cocaïne, waarbij de harddrugs daarna verder verhandeld kunnen worden. Verdachte heeft contacten op vrachtschepen en een rederij tot zijn beschikking. Er wordt uitvoerig gesproken over de aankoop en de verkoop van blokken cocaïne, die beschikbaar zijn of nog gaan volgen. Voor de toekomst wil verdachte gebruik maken van faciliteiten en corrupte contacten binnen [bedrijf 1] in [plaats 2] . Hij wordt daarin gehoord omdat er gesprekken zijn gevoerd en ontmoetingen hebben plaatsgevonden met belangrijke (tussen)schakels. Er is onmisbare informatie uitgewisseld (locatielijsten) over pallets met bananen, hetgeen een veel voorkomende deklading van cocaïne is. Meer concreet: er is voorgesorteerd op een situatie waarbij verdachte voortdurend controle heeft kunnen houden, vanaf de fase van import van cocaïne tot de verkoop daarvan. De gedragingen van verdachte kunnen niet anders worden aangemerkt dan als het treffen van voorbereidingen om dit mogelijk te maken.
Dat de gesprekken anders moeten worden uitgelegd is gesteld noch gebleken.
Het onder feit 3 tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezenverklaard.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 2:
op 26 mei 2025, in Roosendaal, opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 3:
in de periode van 23 februari 2026 tot en met 17 maart 2026 in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren
van een hoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- gebruik te maken van een Signal-account, te weten [naam] en/of vervolgens als gebruiker van dat account
- chatgesprekken te voeren met anderen, over het te koop aanbieden en/of verkopen van hoeveelheden cocaïne en/of
- afbeeldingen van blokken cocaïne en/of video's vanaf een dek van een schip te ontvangen en/of versturen, en/of
- chatgesprekken te voeren met anderen over het regelen van een boot en/of rederij en/of
- chatgesprekken te voeren met anderen over corrupte contacten binnen [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) waarbij onder meer afbeeldingen worden ontvangen van locatielijsten vanuit [bedrijf 1] en/of een video vanuit een heftruck in [bedrijf 1] en/of
- een criminele ontmoeting, te weten bij [bedrijf 2] [plaats 3] , te organiseren.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, om bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van 13 kilogram cocaïne. Daarnaast heeft verdachte, in nog geen maand tijd, meerdere strafbare voorbereidingshandelingen verricht in het kader van de Opiumwet.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Het bezit van cocaïne en de grootschalige voorbereiding op de invoer, de handel en consumptie daarvan, veroorzaken regelmatig overlast of genereren andere vormen van vaak zware criminaliteit. Dergelijke misdrijven hebben dan ook een ontwrichtend effect op de samenleving als geheel. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een bijdrage geleverd. Het internationale drugscircuit kenmerkt zich immers door geweldsexplosies, afvaldumpingen met milieuschade tot gevolg en vermogensmisdrijven gepleegd door armlastige verslaafden. Op die manier worden ook nietsvermoedende en onschuldige burgers geconfronteerd met allerlei nare gevolgen, terwijl verdachten zich er doorgaans niks gelegen aan laten liggen om hun crimineel handelen voort te zetten. Kennelijk heeft verdachte zich om al deze gevolgen niet bekommerd en zich enkel laten leiden door eigen belang in de vorm van financieel gewin. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
De rechtbank heeft acht geslagen op straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het uitgangspunt voor het bezit van cocaïne, tussen de 10 en 20 kilogram, is al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Daarbij moet worden opgeteld dat verdachte een prominente positie heeft ingenomen in de voorbereidingsfase op nog te plegen Opiumwetdelicten. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit volgt dat hij voor het laatst in 2023 onherroepelijk is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te begaan in dit milieu. Dit weegt in strafverzwarende zin mee.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 Het beslag
Standpunten procespartijen
De officier heeft gevorderd om de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd te verklaren. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De inbeslaggenomen voorwerpen (de elektronica en schriftelijke bescheiden) worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar, omdat de voorwerpen verdachte toebehoren en de tenlastegelegde misdrijven met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en/of zijn voorbereid.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde;
Bewezenverklaring
- verklaart het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* een GPS-tracker (kenmerk [kenmerk 1] );
* een GPS-tracker (kenmerk [kenmerk 2] );
* een GPS-tracker (kenmerk [kenmerk 3] );
* een briefje met imei-nummers van de GPS-trackers (kenmerk [kenmerk 4] );
* een briefje met crypto-informatie (kenmerk [kenmerk 5] );
* een briefje met tekst (kenmerk [kenmerk 6] );
* een GSM (kenmerk [kenmerk 7] ).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en
mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
10 Bijlage I
De tenlastelegging
feit 1 (primair):
hij in de periode van 11 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 te [plaats 4] , gemeente Roosendaal, en/of Roosendaal en/of [plaats 5] , gemeente Zundert, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n)
- meerdere malen heeft/hebben gebeld en/of berichten heeft/hebben gestuurd naar die [aangever] over/met betalingsverzoeken en/of (een) betalingstermijn(en) (naar aanleiding van ontstane schuld(en) die het gevolg zijn van cocaïnehandel) en/of
- tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd dat de partner van [aangever] zou worden opgehangen en/of voor zijn ogen zou worden gevild als betaling uitblijft en/of
- volgapparatuur/baken(s) onder/aan het/de voertuig(en) van/in gebruik bij die [aangever] en/of zijn partner heeft/hebben bevestigd en/of
- de bewegingen en/of locaties van die voertuig(en) van/in gebruik bij die [aangever] en/of zijn partner heeft/hebben gemonitord en/of
- berichten heeft/hebben gestuurd met de volgende inhoud “Als die nou weer belt voor geld dan moe je zeggen je kan geen geld aan een dooie vragen mogool ' en/of “Kom goed ik heb groep van martel containers ik ben met hun samen"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 jo. artikel 317 lid 1 jo. artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)
feit 1 (subsidiair)
[persoon] in de periode van 11 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 te [plaats 5] , gemeente Zundert, en/of Zwolle althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een groot geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door
- meerdere malen te bellen en/of berichten te sturen naar die [aangever] over/met betalingsverzoeken en/of (een) betalingstermijn(en) (naar aanleiding van ontstane schuld(en) die het gevolg zijn van cocaïnehandel) en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat hij, verdachte, de partner van die [aangever] zou ophangen en/of voor zijn ogen zou villen als betaling uitblijft
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte in de periode van 11 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 te [plaats 4] , gemeente Roosendaal, en/of Roosendaal, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- volgapparatuur/baken(s) onder/aan het/de voertuig(en) van/in gebruik bij die [aangever] en/of zijn partner te bevestigen en/of
- de bewegingen en/of locaties van die voertuig(en) van/in gebruik bij die [aangever] en/of zijn partner te monitoren en/of
- die [persoon] te voorzien van updates over die bewegingen en/of locaties en/of
- berichten te sturen naar [persoon] met de volgende inhoud “Als die nou weer belt voor geld dan moe je zeggen je kan geen geld aan een dooie vragen mogool en/of “Kom goed ik heb groep van martel containers ik ben met hun samen”;
(artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 jo. artikel 317 lid 1 jo. artikel 48 ahf/sub 1 jo. artikel 48 ahf/sub 2 van het Wetboek van Strafrecht)
feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 12 maart 2025 tot en met 26 mei 2025 te [plaats 4] , gemeente Roosendaal, en/of Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval op 26 mei 2025 een hoeveelheid van 13 kilogram cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(artikel 10 lid 3 jo. artikel 2 ahf/ond C van de Opiumwet jo. artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 van het Wetboek van Strafrecht)
feit 3:
hij in de periode van 23 februari 2026 tot en met 17 maart 2026 te [plaats 4] , gemeente Roosendaal, en/of [plaats 3] , gemeente [plaats 3] , althans in Nederland
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een hoeveelheid cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- gebruik te maken van een Signal-account, te weten [naam] en/of vervolgens als gebruiker van dat account
-
een of meer chatgesprekken te voeren met een of meer anderen, over het te koop aanbieden en/of verkopen van hoeveelheden cocaïne en/of
- een of meer afbeeldingen van blokken cocaïne en/of een of meer video's vanaf een dek van een schip te ontvangen en/of versturen, en/of
- een of meer chatgesprekken te voeren met een of meer anderen over het regelen van een boot en/of rederij en/of
- een of meer chatgesprekken te voeren met een of meer anderen over (een) corrupt(e) contact(en) binnen [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) waarbij onder meer een of meer afbeelding(en) worden ontvangen van locatielijsten vanuit [bedrijf 1] en/of een of meer video(‘s) vanuit een heftruck in [bedrijf 1] en/of
- een of meer criminele ontmoetingen, te weten bij [bedrijf 2] [plaats 3] , te organiseren;
(artikel 10a lid I ahf/sub 1 jo. artikel 10a lid 1 ahf/sub 2 jo. artikel 10a lid 1 ahf/sub 3 van de Opiumwet jo. artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 van het Wetboek van Strafrecht)