Strafrecht overig
Verdachte heeft zich twee maanden schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-partner. Gevangenisstraf van 6…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10792 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10792
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 02-146876-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10792
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich twee maanden schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-partner. Gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Contactverbod met aangeefster op grond van artikel 38v Sr.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-146876-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Oekraïne) op [geboortedag 1] 1979,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,
raadsvrouw mr. L. Hu, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. T. de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de stalking en mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 1 gaat de officier van justitie uit van een pleegperiode van 15 maart 2026 tot en met 24 mei 2026. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van belaging. De aangifte wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de aard, de duur en de frequentie van de handelingen van verdachte is er sprake van een stelselmatige inbreuk op het persoonlijk leven van [slachtoffer] . Ook voor de mishandeling bevat het dossier voldoende bewijs. [slachtoffer] heeft hiervan aangifte gedaan en in haar hals was een verkleuring zichtbaar. Op het moment van de mishandeling had [slachtoffer] hun dochter aan de telefoon en zij heeft de mishandeling ook gehoord.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet de gehele tenlastegelegde pleegperiode kan worden bewezen en verzoekt de rechtbank deze te beperken van 14 maart 2026 tot en met 19 april 2026. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met de onderbreking van het contact zoeken tijdens de detentie van verdachte. Daarnaast verzoekt de verdediging om verdachte partieel vrij te spreken van de bedreiging met verdrinking, bedreiging met de dood en de anonieme telefoontjes. Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging vrijspraak. De verdenking van mishandeling berust enkel op de aangifte van [slachtoffer] . Ondersteunende bewijsmiddelen ontbreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 – belaging
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2026 tot en met 24 mei 2026 [slachtoffer] heeft belaagd. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit het dossier en wat op zitting is besproken blijkt dat verdachte en [slachtoffer] tot 2011 een langdurige relatie met elkaar hadden. Zij hebben samen een dochter gekregen.
[slachtoffer] heeft verklaard dat na het beëindigen van de relatie de belaging is begonnen. In 2024 zijn zij desondanks samen vanuit Oekraïne naar Nederland gevlucht. In Nederland is de relatie opnieuw verbroken. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij eind januari 2026 vanuit Oekraïne terug is gekeerd naar Nederland, dat zij op enig moment daarna een andere kamer heeft gekregen en dat twee weken daarna de belaging (opnieuw) is gestart. Medio maart 2026 heeft zij verdachte overal geblokkeerd.
Verdachte heeft bekend dat hij in de tenlastegelegde periode [slachtoffer] veelvuldig berichten heeft gestuurd via Whatsapp, SMS en e-mail. Ook heeft verdachte bekend dat hij langs de woning en het werk van [slachtoffer] is geweest en dat hij haar heeft gevolgd. Hierbij heeft hij ook anderen gevraagd contact op te nemen met [slachtoffer] en een afspraak voor hem te regelen met haar. Anders dan de verdediging stelt de rechtbank vast dat verdachte ook degene is geweest die [slachtoffer] anoniem heeft gebeld en dat hij de bedreigingen heeft geuit. Door [slachtoffer] zijn screenshots overgelegd van haar belgeschiedenis waarop te zien is dat zij een groot aantal anonieme telefonische oproepen heeft. Een aantal van deze oproepen heeft zij beantwoord om bevestigd te krijgen dat het verdachte was die haar belde. Zij heeft de stem van verdachte herkend. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij enkel nog anoniem contact met [slachtoffer] kon opnemen, omdat zij hem had geblokkeerd. De dochter van verdachte en [slachtoffer] heeft in een mail aan de politie aangegeven dat haar vader telefonisch bedreigende uitlatingen deed gericht aan haar moeder. Gelet op alle voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van aangeefster en haar dochter. De rechtbank gaat er bij de bewezenverklaring dan ook vanuit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde gedragingen.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte tezamen in onderlinge samenhang bezien, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest met het oogmerk haar te dwingen iets te doen (contact opnemen), niet te doen (contact hebben met andere mannen), te dulden (het aanvaarden van contact) en vrees aan te jagen. De overtuiging van verdachte dat [slachtoffer] zich in de problemen bevond en dat hij zich daarom zorgen over haar maakte, vormt geen rechtvaardiging voor zijn gedrag. Te meer nu verdachte wist dat [slachtoffer] geen contact met hem wenste te hebben. Verdachte heeft immers vanaf 27 maart 2026 op meerdere momenten een contactverbod met [slachtoffer] opgelegd gekregen en is meerdere keren aangehouden. Ook tijdens zijn detentie heeft verdachte met [slachtoffer] gebeld vanuit de PI en nadat hij is vrijgekomen heeft weer contact met haar opgenomen.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat het voor verdachte in ieder geval vanaf medio maart 2026, toen aangeefster verdachte overal had geblokkeerd, duidelijk moest zijn dat [slachtoffer] geen contact met hem wenste.
Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [slachtoffer] in de periode van 15 maart 2026 tot en met 24 mei 2026.
Feit 2 – mishandeling
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van mishandeling door verdachte op 18 maart 2026. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen op zitting is besproken vast dat verdachte en [slachtoffer] elkaar die dag bij de bushalte in [plaats 2] zijn tegengekomen. Verdachte heeft hier de telefoon van [slachtoffer] afgepakt. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar heeft aangevallen en haar heeft geprobeerd te wurgen. Door [slachtoffer] is een foto overgelegd waarop te zien is dat zij een verkleuring heeft in haar nek. Ten tijde van de mishandeling had [slachtoffer] telefonisch contact met haar dochter. De dochter heeft verklaard dat ze haar moeder ‘auw’ heeft horen roepen, heeft horen kuchen en hoorde haar moeder zeggen “laat me met rust”. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen de verklaring van de dochteren de foto de aangifte van [slachtoffer] . Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] .
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 15 maart 2026 tot en met 24 mei 2026 in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en
- die [slachtoffer] veelvuldig whatsappberichten en smsberichten en emailberichten te sturen en
- die [slachtoffer] -telefonisch en middels berichten- via haar [dochter] te bedreigen met de dood en
- die [slachtoffer] te dreigen haar in het water te gooien en/of te verdrinken en
- langs de woning (in [plaats 2] ) van die [slachtoffer] te gaan en- langs het werk (in [plaats 3] ) van die [slachtoffer] te gaan en
- die [slachtoffer] te volgen en
- andere mensen te benaderen om contact op te nemen met die [slachtoffer] met het oogmerk die die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
op 18 maart 2026 te [plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en vervolgens haar keel dicht te knijpen
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 169 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om een contactverbod met [slachtoffer] op te leggen zoals bedoeld in artikel 38v Sr en deze maatregel dadelijk uitvoer te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met de beweegredenen van verdachte. Hij wilde zijn ex-partner waarschuwen en behoeden voor problemen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende ruim twee maanden schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-partner. Met zijn dwingende, controlerende en verbaal agressieve gedrag heeft verdachte langere tijd het leven van [slachtoffer] ontregeld en beheerst. Ook nadat zij duidelijk had aangegeven dat verdachte moest stoppen, hem contactverboden waren opgelegd en hij door de politie was opgepakt, ging verdachte door met de stalking waarbij hij haar veelvuldig belde, berichtte, opzocht en volgde. Verdachte heeft haar daarnaast meerdere malen met de dood bedreigd. Verdachte heeft ook de daad bij het woord gevoegd en [slachtoffer] mishandeld door haar bij haar keel te pakken en een begin te maken met haar keel dicht te knijpen. [slachtoffer] heeft naar eigen zeggen dan ook meermaals doodsangsten uitgestaan en gevreesd voor haar eigen veiligheid. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan wat inmiddels breder bekend staat als intieme terreur. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte verontrustend in het kader van de risicofactoren die veelvoorkomend zijn bij femicide.
Met zijn handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de privacy en de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] . De belaging en de mishandeling hebben een enorme impact gehad op haar. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij telkens opnieuw de keuze heeft gemaakt om [slachtoffer] lastig te vallen. Daarbij komt dat uit het dossier volgt dat hun dochter regelmatig getuige is geweest van de stalking en van de mishandeling. Ook dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Ook ter zitting heeft verdachte geen schuldbewustzijn getoond. Sterker nog, hij probeert (tevergeefs) rechtvaardigingen aan te dragen voor zijn eigen handelen en heeft [slachtoffer] zelfs vanuit de gevangenis benaderd met de vraag of zij haar aangifte wilde intrekken. De rechtbank weegt deze proceshouding in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij op 23 april 2026 door de politierechter is veroordeeld voor het meermalen handelen in strijd met een gedragsaanwijzing die was opgelegd ten aanzien van [slachtoffer] . Deze was al aan verdachte opgelegd, omdat hij [slachtoffer] niet met rust liet. Kennelijk weerhield deze gedragsaanwijzing verdachte er niet van te stoppen met zijn gedrag. De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat er weliswaar formeel geen sprake is van recidive, maar dat verdachte wel een gewaarschuwd man was. De rechtbank komt mede daardoor tot een hogere strafoplegging dan door de officier van justitie geëist.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, een passende sanctie is.
Daarnaast legt de rechtbank op een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Zij zal deze maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat een contactverbod noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van [slachtoffer] en daarmee tevens de maatschappij. Deze maatregel zal worden opgelegd voor de duur van drie jaar. De rechtbank beveelt daarbij dat er vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze maatregel trapsgewijs, waarbij de vervangende hechtenis steeds per overtreding hoger zal worden, zoals door de officier van justitie is gevorderd op te leggen.
Tevens zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [slachtoffer] . Gebleken is verder dat verdachte ondanks de opgelegde gedragsaanwijzingen en herhaaldelijke en ondubbelzinnige sommaties niet is gestopt met het zoeken van contact met [slachtoffer] .
7 De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.500,- voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in eer of goede naam. Dit betekent dat een vergoeding van de immateriële schade op zijn plaats is. Als gevolg van de belaging ervaart benadeelde psychische klachten en staat zij op de wachtlijst voor psychische hulpverlening.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het einde van de pleegperiode, te weten 24 mei 2026
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: belaging
feit 2: mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] geboren op [geboortedag 2] 1978;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] ;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 24 mei 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 24 mei 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het moment dat deze gelijk is aan de duur van de gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. R. Combee , rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2026 tot en met 24 mei 2026 te [plaats 2] en/of te [plaats 3] en/of te Dordrecht en/of te Middelburg , althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen en/of
- die [slachtoffer] veelvuldig whatsappberichten en/of smsberichten en/of emailberichten te sturen en/of
- die [slachtoffer] -telefonisc en/of middels berichten- via haar [dochter] te bedreigen met de dood en/of
- die [slachtoffer] te dreigen haar in het water te gooien en/of te verdrinken en/of
- langs de woning (in [plaats 2] ) van die [slachtoffer] te gaan en/of
- langs het werk (in [plaats 3] ) van die [slachtoffer] te gaan en/of
- die [slachtoffer] te volgen en/of
- andere mensen te benaderen om contact op te nemen met die [slachtoffer] met het oogmerk die die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 18 maart 2026 te [plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en/of vervolgens haar keel dicht te knijpen en/of haar keel dichtgeknepen te houden;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )