Strafrecht overig
Vrijspraak van het medeplegen van invoer van 100 kilo cocaine. Veroordeling voor het medeplegen van het…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10767 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10767
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 02-045904-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10767
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van het medeplegen van invoer van 100 kilo cocaine. Veroordeling voor het medeplegen van het vervoeren van 100 kilo cocaine. Voorwaardelijk opzet. Oplegging van een gevangenisstraf van 50 maanden met aftrek.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-045904-26
vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [plaats]
raadsman mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 februari 2026 te Breda samen met (een) ander(en) 100 kilo cocaïne heeft ingevoerd dan wel vervoerd dan wel aanwezig gehad.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak van de invoer van de 100 kilo cocaïne. Wel acht hij het vervoer daarvan wettig en overtuigend bewezen. Hij gaat daarbij uit van medeplegen en voorwaardelijk opzet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak van verdachte omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de invoer dan wel het vervoer van cocaïne. Verdachte dacht dat het wiet of hasj was. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat het om cocaïne ging of dat hij die mogelijkheid bewust heeft aanvaard.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt vast dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 13 februari 2026 vanuit België naar de parkeerplaats bij de IKEA in Breda zijn gereden. Verdachte stond daar te wachten in zijn blauwe Kia. [medeverdachte 1] is bij verdachte ingestapt en er is een token uitgewisseld. Op aanwijzen van [medeverdachte 1] heeft verdachte zijn auto naast de Citroën van [medeverdachte 2] geparkeerd. Door verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens vier zwarte sporttassen uit de Citroen gehaald en geplaatst in de kofferbak van de auto van verdachte. Verdachte is vervolgens weggereden in de richting van Amsterdam. Hij is onderweg gecontroleerd en onderzoek wees uit dat de vier sporttassen ieder gevuld waren met 25 kilo cocaïne.
Primair tenlastegelegde
Voor een bewezenverklaring van (verlengde) invoer moet kunnen worden vastgesteld dat de cocaïne het grondgebied van Nederland binnen is gebracht én vervolgens dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat de vier tassen met cocaïne vanuit het buitenland afkomstig waren. Dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen Nederlands spraken acht de rechtbank in de huidige tijd van het vrije internationale verkeer in Europa weinig betekenisvol. Verder kan uit het feit dat de Citroën waarnaast verdachte heeft geparkeerd en waaruit de tassen naar zijn auto zijn overgeladen een Belgisch kenteken had, niet worden afgeleid dat deze auto rechtstreeks uit België afkomstig was. Verder bevat het dossier geen aanknopingspunten dat verdachte hiervan wetenschap zou kunnen hebben. Het primair tenlastegelegde medeplegen van invoer van cocaïne kan dan ook niet worden bewezen waardoor verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Subsidiair tenlastegelegde
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het subsidiair tenlastegelegde feit moet er bij verdachte sprake zijn van beschikkingsmacht over en wetenschap van de cocaïne.
Verdachte heeft, terwijl hij telefonisch werd aangestuurd door een ander, op een parkeerplaats bij IKEA afgesproken met een voor hem onbekende en in een andere taal sprekende persoon en, tijdens een kortdurend contact, vier zware, gevulde tassen van de auto van de ander in zijn eigen auto geplaatst, waarna de andere persoon is weggegaan. Bij deze overdracht is gebruikgemaakt van een token in de vorm van een geldbriefje, hetgeen in het criminele circuit en meer in het bijzonder bij de overdracht van drugs gebruikelijk is ter identificatie van de ontvanger. Deze feiten en omstandigheden wijzen zozeer op een overdracht van drugs dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tassen met cocaïne waren gevuld.
Verdachte heeft verklaard dat hij meende dat de overdracht hennep of misschien hasj betrof omdat hij de persoon door wie hij werd aangestuurd kende als iemand die zich bezighield met softdrugs en hij eerder wiet voor deze persoon heeft vervoerd. Hij heeft niet willen zeggen wie deze andere persoon is en overigens weinig onderbouwd dat hij eerder softdrugs voor deze persoon vervoerde. Dat verdachte meende of mocht menen dat er softdrugs in de sporttassen zaten, is niet aannemelijk geworden.
Nu de met cocaïne gevulde tassen zich in zijn auto bevonden had verdachte tevens de beschikkingsmacht over de cocaïne en oordeelt de rechtbank het opzettelijk vervoer van cocaïne door verdachte wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 100 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 50 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Onder verwijzing naar jurisprudentie bepleit de verdediging een lagere straf aan verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij wijst hij ook op de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder het feit dat verdachte als gevolg van een veroordeling zijn VOG voor zijn taxipas en daarmee zijn taxibedrijf en inkomsten zal kwijtraken. Verder is verdachte first offender voor wat betreft harddrugs.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met anderen op 13 februari 2026 schuldig gemaakt aan het vervoeren van 100 kilo cocaïne. Het gaat hier om een zeer grote hoeveelheid harddrugs met een straatwaarde van naar schatting tussen 5 en 7 miljoen euro. De aangetroffen hoeveelheid is een indicatie dat er sprake is van georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze gepaard gaat met ernstige gevolgen voor de samenleving. Naast gezondheidsschade als gevolg van drugsgebruik gaat het onder meer om criminele geldstromen die verweven raken met de reguliere economie en fysiek geweld als gevolg van conflicten tussen criminele personen en/of groepen. Door het vervoer van harddrugs wordt de handel en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Verdachte heeft met het vervoer van deze grote hoeveelheid niet alleen deelgenomen maar ook bijgedragen aan de handel in cocaïne en kan daarom medeverantwoordelijk worden gehouden voor deze gevolgen.
Voor het feit dat verdachte heeft gepleegd, bestaan landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), maar deze oriëntatiepunten gaan niet hoger dan 20 kilo waarbij gevangenisstraf van 50 maanden wordt geadviseerd in geval van een georganiseerd verband. Hieruit volgt in ieder geval dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Voor de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd waarbij de nadruk ligt op de forse hoeveelheid cocaïne die is vervoerd, het georganiseerde verband waarin de drugs is overgedragen en de rol van verdachte die naar het oordeel van de rechtbank kan worden geduid als koerier. Verder heeft de rechtbank het strafblad van verdachte meegenomen in haar beoordeling. Daaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een Opiumwetfeit. Hoewel dit softdrug betrof, blijkt hier uit dat verdachte zich makkelijk inlaat met verdovende middelen. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee. Tot slot heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding in aanmerking genomen. Verdachte heeft in enigerlei mate verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van officier van justitie recht doet aan de aard en ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 Het beslag
Nu gebleken is dat de in beslag genomen goederen reeds aan verdachte zijn teruggegeven, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;
Bewezenverklaring
- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftig maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. J.F.C. Janssen en mr. A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
Mr. Bloemendal is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 100 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 100 kiloram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )