Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van € 76.000,00. Overschrijding…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10790 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10790
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 02-227725-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van € 76.000,00. Overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 200 uur.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-227725-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] ,
raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal, ter zitting waargenomen door mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, gelijktijdig met de zaak tegen de [medeverdachte] (02-316067-22). De officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Tevens is aan de orde geweest een vordering tot ontneming. Hiervan is een afzonderlijk vonnis opgesteld.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een bedrag van € 80.000,-.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. Verdachte heeft een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Hij heeft het geld geleend van een familielid en van een vriend. Het strekt te ver om van verdachte te verlangen dat hij weet op welke manier zij aan het geld zijn gekomen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Beoordelingskader witwassen
Voor een veroordeling voor witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dient te worden bewezen dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf, het gronddelict, afkomstig is. Nu geen verband kan worden gelegd tussen een concreet misdrijf en voornoemd bedrag, kan worden gesteld dat er, indien het geld van een misdrijf afkomstig is, geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom gebruikmaken van het zes-stappen toetsingskader zoals uiteengezet in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Hieruit volgt dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan worden bewezen, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze verklaring tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een later stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Indien de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Vermoeden van witwassen
In april 2019 heeft verdachte een woning aangekocht aan [adres 2] . Verdachte heeft deze woning deels gefinancierd met een hypotheek van € 70.000,-. Het overige deel van de aankoopsom (€ 96.606,-) heeft verdachte voldaan uit eigen middelen. De eigen middelen zijn afkomstig van eigen spaargeld en geld dat verdachte van de medeverdachten heeft ontvangen. Door beide medeverdachten is telkens
€ 40.000,- bijgeschreven op de rekening van verdachte in de ten laste gelegde periode. Opvallend is dat beide medeverdachten nagenoeg gelijktijdig kort voor de overschrijvingen grote contante bedragen in delen op hun rekeningen hebben gestort. Deze contante stortingen bestonden onder meer uit ongebruikelijke coupures van € 200,- en € 500,-. Onduidelijk is gebleven waarom zij het geld niet contant aan verdachte hebben kunnen overhandigen. De gestorte bedragen passen daarnaast niet bij het in- en uitgavenpatroon van de medeverdachten. Sterker nog, de medeverdachten hebben, naar eigen zeggen, hun gehele financiële buffer/spaarpot aan verdachte overgemaakt. Het is onduidelijk om welke reden zij dit zouden doen nu zij hiermee enkel een financieel risico lopen en het alleen verdachte is die hieruit volop voordeel geniet. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij het geld heeft geleend van de medeverdachten. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft hij een tweetal leningsovereenkomsten overgelegd. Uit de leningsovereenkomsten blijkt dat er geen rente over het bedrag dient te worden betaald en dat er geen concrete afspraken zijn gemaakt over terugbetaling. Aflossing geschiedt in nader overleg tussen partijen. Verdachte stelt niets te weten over de herkomst van het geld. [medeverdachte] heeft hierover wisselend verklaard. Allereerst heeft hij verklaard dat het zijn spaargeld betrof. Op 2 juni 2021 heeft hij een verklaring afgelegd waarin hij heeft aangegeven dat hij het contante geld van verdachte had ontvangen met de opdracht dit op zijn rekening te storten en vervolgens aan verdachte over te maken. Later heeft de medeverdachte deze verklaring weer aangepast naar zijn eerdere versie. [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat de medeverdachte gedurende de verhoren een erg gestreste indruk maakte. Bij het verhoor van 2 juni 2021 gaf de medeverdachte aan dat hij de waarheid ging vertellen. Tijdens dit verhoor maakte de medeverdachte ook een minder gespannen indruk op de verbalisant. Daarnaast heeft de medeverdachte gedetailleerd verklaard en past de verklaring bij de omstandigheden uit het dossier. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder het geld is gestort en overgemaakt naar verdachte en de bevindingen van de verbalisant, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaring van de medeverdachte die hij op 2 juni 2021 heeft afgelegd. Deze verklaring van de medeverdachte is tegenstrijdig met de verklaring van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd. Verdachte heeft een woning aangekocht met contant geld dat hij daarvoor voorafgaand door de medeverdachten heeft laten storten op hun bankrekeningen en vervolgens heeft laten overboeken naar zijn eigen bankrekening. De door verdachte overlegde leningsovereenkomsten roepen meer vragen op dan dat zij duidelijkheid scheppen. Er zijn namelijk geen rentepercentages en concrete terugbetalingsafspraken opgenomen in de schriftelijke overeenkomsten, waardoor deze ‘kale’ overeenkomsten niet veel extra toevoegen ten opzichte van de daadwerkelijke overboekingen. Bovendien is het opmerkelijk dat de medeverdachten niet wisten wat verdachte van plan was met het geld en dat zij geen enkel voordeel hebben in verband met het uitgeleende bedrag, terwijl zij daarvoor nagenoeg hun volledige spaargeld (naar eigen zeggen) zouden uitlenen en verdachte dit juist wilde gebruiken voor het aankopen van een woning die hij wilde gaan verhuren. Wat betreft [persoon] concludeert de rechtbank dat hij weliswaar een bedrag van
€ 40.000 naar de rekening van verdachte heeft overgeboekt, maar er slechts € 36.000 aan contante stortingen op zijn bankrekening kort voorafgaand aan de overboeking te zien zijn. De rechtbank zal daarom wat betreft [persoon] uitgaan van het witwassen van een bedrag van € 36.000. De rechtbank komt, alles in samenhang bezien, daarom tot de conclusie dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van een bedrag van
€ 76.000,00 de herkomst heeft verborgen/verhuld , terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 28
januari 2019 tot en met 29 april 2019, te [plaats] tezamen
en in vereniging met anderen van één
voorwerp, te weten
- een geldbedrag van (in totaal)76.000 euro
de herkomst heeft
verborgen en heeft verhuld terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de grove overschrijding van de redelijke termijn, waardoor een gevangenisstraf niet passend is.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door middel van (deels) illegale gelden heeft verdachte een woning aangekocht, welke hij vervolgens, in strijd met de afspraken met de bank, is gaan verhuren. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan een vermenging van crimineel geld met legaal geld. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op een slinkse en doordachte wijze zijn contante geld heeft witgewassen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen voor soortgelijke feiten.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is geschonden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Een eerste verhoor door de politie kan niet zonder meer als een zodanige handeling worden aangemerkt. Dit is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. In dit geval is verdachte, anders dan zijn medeverdachten, niet in verzekering gesteld en is de dagvaarding op 1 oktober 2026 aan hem betekend. Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, stelt de rechtbank vast dat de datum van het eerste verhoor, te weten 3 juni 2021, als aanvangsdatum van de redelijke termijn heeft te gelden. Verdachte is op die datum driemaal gehoord. Zijn medeverdachten zijn na hun inverzekeringstelling op 2 juni 2021 heengezonden. Verdachte heeft zich weliswaar grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen, maar is telkens door de politie gewezen op het eerder in dit vonnis genoemde arrest van het gerechtshof te Asterdam met betrekking tot witwassen. Daaruit zou volgen dat er verwacht mag worden dat er door verdachte een verklaring wordt gegeven voor de herkomst van het geld waarvan wordt vermoed dat het van witwassen afkomstig is. Nu een dergelijke verklaring door verdachte niet is gegeven, mocht verdachte vanaf deze genoemde datum redelijkerwijs verwachten, net als zijn medeverdachten, dat ook tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ruim vier jaar is overschreden. De rechtbank zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden.
De LOVS kent geen specifieke oriëntatiepunten voor witwassen, waardoor doorgaans aansluiting wordt gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude. Bij een bedrag tussen de € 70.000,- en € 150.000,- schrijft het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden voor of een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft € 76.000,- witgewassen, wat aan de onderkant van het oriëntatiepunt zit. De rechtbank zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door een korting toe te passen op de straf die zij had opgelegd indien het onderzoek voortvarender was verlopen. . Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis passend en geboden is in plaats van de taakstraf van 240 uur die zij zou hebben opgelegd in het geval de redelijke termijn niet was overschreden. Gelet op het tijdsverloop ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Medeplegen van witwassen
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 28
januari 2019 tot en met 29 april 2019, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen
en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van één of meer
voorwerp(en), te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 80.000 euro
althans enig (groot) geldbedrag,
de herkomst en/of vindplaats en/of de verplaatsing en/of de rechthebbende, heeft
verborgen en/of heeft verhuld en/of voornoemd goed voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag geheel of
gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b
Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art
420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht )