Strafrecht overig

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van € 40.000,00. Overschrijding…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
02-316067-22
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10791
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van € 40.000,00. Overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 80uur.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-316067-22

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, gelijktijdig met de zaak tegen de [medeverdachte 1] (02-227725-21). De officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een bedrag van € 40.000,-.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetwitwassen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. Het door verdachte gestorte geld heeft een legale herkomst. Verdachte heeft hierover een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd. De verklaring van verdachte van 2 juni 2021 kan niet voor het bewijs worden gebezigd, omdat hij deze heeft afgelegd in een toestand dat het hem te veel werd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Beoordelingskader witwassen

Voor een veroordeling voor witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dient te worden bewezen dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf, het gronddelict, afkomstig is. Nu geen verband kan worden gelegd tussen een concreet misdrijf en voornoemd bedrag, kan worden gesteld dat er, indien het geld van een misdrijf afkomstig is, geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom gebruikmaken van het zes-stappen toetsingskader zoals uiteengezet in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Hieruit volgt dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan worden bewezen, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze verklaring tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een later stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Indien de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

Vermoeden van witwassen

In april 2019 heeft [medeverdachte 1] een woning aangekocht aan [adres 2] . De woning is deels gefinancierd met een hypotheek van € 70.000,-. Het overige deel van de aankoopsom (€ 96.606,-) heeft [medeverdachte 1] voldaan uit eigen middelen. De eigen middelen zijn afkomstig van zijn spaargeld en geld dat [medeverdachte 1] van de verdachte en de andere [medeverdachte 2] heeft ontvangen. Door hen is ieder

€ 40.000,- bijgeschreven op de rekening van [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode. Opvallend is dat verdachte en [medeverdachte 2] nagenoeg gelijktijdig kort voor de overschrijvingen grote contante bedragen in delen op hun rekeningen hebben gestort. Deze contante stortingen bestonden onder meer uit ongebruikelijke coupures van € 200,- en € 500,-. Onduidelijk is gebleven waarom zij het geld niet contant aan [medeverdachte 1] hebben kunnen overhandigen. De gestorte bedragen passen daarnaast niet bij het in- en uitgavenpatroon van verdachte. Sterker nog, verdachte heeft, naar eigen zeggen, zijn gehele financiële buffer/spaarpot aan verdachte overgemaakt. Het is onduidelijk om welke reden hij dit zouden doen nu hij hiermee enkel een financieel risico lopen en het alleen [medeverdachte 1] is die hieruit volop voordeel geniet. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van het geld. Bij de politie en ter zitting heeft hij verklaard dat hij het geld heeft gespaard in Spanje en Nederland. Hij heeft zijn spaargeld vervolgens uitgeleend aan [medeverdachte 1] . Verdachte heeft zijn verklaring over het spaargeld niet nader onderbouwd met stukken. Bij de politie heeft verdachte ook een verklaring afgelegd waarin hij heeft aangegeven dat hij het contante geld van verdachte had ontvangen met de opdracht dit op zijn rekening te storten en vervolgens aan verdachte over te maken. Ondanks dat verdachte deze bekennende verklaring heeft ingetrokken, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze verklaring. [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat verdachte gedurende de verhoren een erg gestreste indruk maakte. Bij het verhoor van 2 juni 2021 gaf de verdachte aan dat hij de waarheid ging vertellen. Tijdens dit verhoor maakte verdachte ook een minder gespannen indruk op de verbalisant. Daarnaast heeft verdachte gedetailleerd verklaard over de ontvangst van het geld en past de verklaring bij de omstandigheden uit het dossier. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring op 2 juni 2021 heeft verdachte hiermee geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de legale herkomst van het geldbedrag.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd. Verdachte heeft contant geld ontvangen van [medeverdachte 1] en dit in delen op zijn eigen rekening gestort. Vervolgens heeft hij dit geld weer naar [medeverdachte 1] overgemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist op welke manier [medeverdachte 1] het geldbedrag heeft verkregen. Gelet op de verhullende wijze waarop verdachte heeft gehandeld, is de rechtbank evenwel van oordeel dat verdachte wist dat dit geld een criminele herkomst had. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van € 40.000,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 28 januari 2019
tot en met 29 april 2019, te [plaats] tezamen en in
vereniging met anderen van één voorwerp,
te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 40.000 euro
de herkomst heeft
heeft verhuld en voornoemd goed voorhanden heeft gehad
en heeft overgedragen terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de grove overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de geëiste taakstraf dient te worden gematigd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen, door contant geld zonder legale herkomst op zijn rekening te storten en over te maken aan de medeverdachte. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan een vermenging van crimineel geld met legaal geld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen voor soortgelijke feiten. Wel is artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing in verband met een strafbeschikking van 19 juni 2026.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is geschonden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Met de inverzekeringstelling van verdachte 31 mei 2021 is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ruim vier jaar is overschreden. De rechtbank zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden.

De LOVS kent geen specifieke oriëntatiepunten voor witwassen, waardoor doorgaans aansluiting wordt gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude. Bij een bedrag tussen de € 10,000,- en € 70.000,- schrijft het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van twee maanden voor of een taakstraf. Verdachte heeft € 40.000,- witgewassen. De rechtbank zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door een korting toe te passen op de straf die zij had opgelegd indien het onderzoek voortvarender was verlopen. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen hechtenis passend en geboden is in plaats van de taakstraf van 100 uur die zij zou hebben opgelegd in het geval de redelijke termijn niet was overschreden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Medeplegen van witwassen

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 november 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij, op een of meerdere tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 28 januari 2019
tot en met 29 april 2019, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van één of meer voorwerp(en),
te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 40.000 euro
althans enig (groot) geldbedrag,
de herkomst en/of vindplaats en/of de verplaatsing en/of de rechthebbende, heeft
verborgen en/of heeft verhuld en/of voornoemd goed voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag geheel of
gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b
Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art
420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht )