Strafrecht overig

Veroordeling poging tot doodslag door met mes in rechter borst/thorax te steken. Voorwaardelijk opzet. Beroep…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
06.116263.26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10832
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling poging tot doodslag door met mes in rechter borst/thorax te steken. Voorwaardelijk opzet. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Gevangenisstraf 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, proeftijd 3 jaar. Bijzondere voorwaarden. Dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-116263-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 november 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] ,

raadsvrouw mr. J.J.A. van Roessel, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek op de terech tzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 april 2026 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te doden (primair), dan wel die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), door hem met een mes in zijn rechterborst te steken.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betwist niet dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. Op grond van het dossier kan echter niet worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Verdachte moet dan ook integraal worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Primair: poging tot doodslag?

Vaststaat dat verdachte op 16 april 2026 met een mes in de rechter borst/thorax van [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Uit het dossier en de behandeling op zitting is niet gebleken dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] te doden: het zogenaamde vol opzet. Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet op de dood. Dat is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Aanmerkelijke kans

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. In dit verband stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft met een keukenmes met een lemmet van 20 centimeter in de rechterborst/ thorax van [slachtoffer] gestoken. Volgens [getuige] stak verdachte één keer hard en verdachte zelf heeft verklaard dat hij met het mes heeft uitgehaald. De steekwond was ongeveer vijf centimeter breed.

De rechtbank is van oordeel dat het met kracht steken in de borst een aanmerkelijke kans op de dood oplevert gelet op de vitale lichaamsdelen die zich daar bevinden. Dat de lichamelijke gevolgen voor [slachtoffer] relatief beperkt zijn gebleven, maakt niet dat de kans op dodelijk letsel onwaarschijnlijk was.

Bewuste aanvaarding

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de kans op dodelijk letsel bewust heeft aanvaard. Daartoe zet de rechtbank de volgende bewijsmiddelen op een rij.

De dag na het steekincident was de halfzus van verdachte niet verbaasd dat ze heeft gehoord dat verdachte vast zit voor een ernstig misdrijf. De laatste tijd sprak verdachte in chatgesprekken over conflicten met een groep mensen, waarbij hij ook had gezegd dat hij ze neer zou steken. Een chatgesprek tussen de halfzus en verdachte via Instagram bevat de volgende tekst:

Halfzus: "Oke beter, tis altijd wat"

Verdachte: "Ja idd een of andere [persoon 1] maar goed als zie hier kome steek gewoon en denk wel dat vandaag gebeurt"

Halfzus: "Jij toch niet"

Verdachte: "Als ze hier aan de deur komen zal wel niet ook gezegd kom maar"

[halfzus] : "Niet aan je deur. Laat die [slachtoffer] opdonderen uit je huis en hij moet maar oplossen"

[verdachte] : "Ja idd ja hij gelult over mij maar lama komen".

Het was [persoon 1] die op 19 april 2026 samen met onder andere [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) bij verdachte aan de deur is gekomen. [persoon 1] en [slachtoffer] hebben samen op de deur van verdachte gebonsd en getrapt, waarop verdachte de deur open deed.

Zowel [slachtoffer] , [persoon 1] , als de twee andere aanwezigen [getuige] en [persoon 2] , hebben verklaard dat verdachte direct stak nadat hij zijn voordeur had geopend. Anders dan de verdediging heeft de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan deze verklaringen. Alle getuigen hebben gelijkluidend verklaard, waarbij de rechtbank opmerkt dat [getuige] en [persoon 2] ter plaatse bewust direct apart zijn genomen en afzonderlijk van elkaar zijn gehoord. Het meteen steken door verdachte sluit bovendien aan bij het hiervoor aangehaalde chatgesprek met zijn halfzus.

Ook de reactie van de buurman van verdachte sluit aan bij het hiervoor aangehaalde chatgesprek van verdachte met zijn halfzus. De buurman heeft verklaard juist verbaasd te zijn dat verdachte dit keer zijn deur open had gedaan, want hij is schuw en normaal gesproken wachtte hij altijd in zijn kamer totdat het trappen tegen de deur stopte.

Tot slot is verdachte na zijn aanhouding in de politieauto gevraagd hoe het zo ver heeft kunnen komen. Daarop zei verdachte dat er eerder al dagen ruzie was geweest, maar dat dit nu niet meer het geval is. Daarbij moest verdachte grijnzen. Verder heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij, vanwege het bonzen op en trappen tegen de deur, dacht dat [slachtoffer] voor de deur zou staan, omdat hij dit meestal doet.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte de deur heeft geopend en bewust (meteen) met een groot keukenmes heeft gestoken. Zijn verklaring dat hij niet bewust een mes heeft gepakt, maar dat hij net zo goed een koekenpan had kunnen pakken, schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een stekende beweging past bij het gebruik van een mes, maar niet bij het gebruik van een koekenpan. Met een koekenpan sla je.

Conclusie

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad, zodat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 april 2026 te Tilburg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die voornoemde [slachtoffer] met een mes in de rechter borst/thorax heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en beroept zich daarbij op noodweer, dan wel noodweerexces. Verdachte werd blootgesteld aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf doordat er op zijn deur werd gebonkt, waarna hij de voordeur opende en hij een klap op zijn hoofd kreeg. Gelet op het langdurige conflict met [slachtoffer] en zijn vrienden dat hieraan vooraf ging, vreesde verdachte dat de situatie uit de hand zou lopen en hij slachtoffer zou worden van buitensporig geweld. Ter verdediging van zichzelf heeft verdachte een mes uit de keuken gepakt, maar dit had net zo goed een koekenpan of ander keukengerei kunnen zijn. Indien verdachte de grenzen van het noodzakelijke heeft overschreden door met een mes te steken, betoogt de verdediging dat dit het gevolg is geweest van een hevige gemoedstoestand die is veroorzaakt door de aanval van [slachtoffer] en zijn vrienden.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie dient het beroep op noodweer(exces) te worden verworpen. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding en dus van een noodweersituatie. Ook zijn de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging gericht is tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De door een verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging dient noodzakelijk en geboden te zijn geweest.

Gelet op de onder 4.3 vastgestelde feitelijke gang van zaken heeft verdachte zijn deur geopend en meteen met een mes gestoken. Pas daarna is er geweld tegen verdachte gebruikt. Daarbij komt dat verdachte op zitting heeft verklaard dat hij niet bang was op het moment dat er op zijn voordeur werd gebonkt en dat hij geen angst voelde. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte bewust de confrontatie met o.a. [slachtoffer] is aangegaan en dus van een noodweersituatie geen sprake was. Daarom komt verdachte geen beroep toe op noodweer en dus ook niet op noodweerexces. De betreffende verweren worden verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Hij vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van alle voorwaarden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, dan wordt verzocht om het advies van de psycholoog te volgen en de feiten (sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De verwachting is dat verdachte binnen drie maanden kan worden opgenomen bij Mondriaan voor een klinische opname. Om de overgang tussen detentie en een klinische behandeling te laten plaatsvinden zou het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf maximaal 9 maanden moeten zijn, met aftrek van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] , met wie hij bevriend was, door hem met een groot keukenmes in zijn rechterborst te steken. Dit deed verdachte terwijl hij onder invloed was van alcohol en cannabis. Dat [slachtoffer] relatief gering letsel heeft opgelopen, is niet aan verdachte te danken geweest en is simpelweg geluk geweest.

Verdachte heeft met het levensgevaarlijke steken geen enkel respect voor andermans leven getoond en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] . Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het incident voor [slachtoffer] een zeer beangstigende en traumatische ervaring is geweest. Het heeft zijn gevoel van veiligheid en vertrouwen in andere mensen aangetast. Het is voor hem erg frustrerend en verwarrend dat iemand die hij als een goede vriend beschouwde en die hij vertrouwde, hem dit heeft aangedaan. Ook ervaart hij tot op de dag van vandaag veel spanning en angst in situaties die voorheen voor hem normaal waren. Vanwege de mentale gevolgen krijgt [slachtoffer] op dit moment een EMDR-behandeling. Ook is hij door het feit tijdelijk arbeidsongeschikt geraakt.

In beginsel is bij een poging tot doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal jaar passend. Ook bij iemand die niet eerder voor zo’n feit met justitie in aanraking is gekomen, zoals verdachte. De rechtbank ziet echter in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om daar sterk van af te wijken in het voordeel van verdachte en overweegt daartoe als volgt.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De [psycholoog] heeft in het rapport van 6 augustus 2026 gemotiveerd geconcludeerd dat het feit (sterk) verminderd kan worden toegerekend aan verdachte. Ten tijde van het delict was bij hem sprake van een depressieve stoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol en een vermijdende persoonlijkheidsstoornis met borderline, afhankelijke en antisociale trekken. De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was.

De psycholoog heeft verder geconstateerd dat de depressieve stoornis en de stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol momenteel in remissie zijn, omdat verdachte in detentie zit en dus verblijft binnen een gestructureerde context. Op het moment dat deze context wegvalt, schat de psycholoog het risico op gewelddadige recidive in als hoog op de korte en (middel)lange termijn. Het feit dat verdachte geen vaste woonplek heeft na zijn detentie is van negatieve invloed op dit risico. Om dit recidivegevaar te beperken, adviseert de psycholoog om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden dienen ten minste te bestaan uit een verbod op het gebruik van alcohol en cannabis met daaraan verbonden urinecontroles en een verplicht kader in een klinische setting waar behandeling van de persoonlijkheidsstoornis en de stemmings- en verslavingsproblematiek gerealiseerd kan worden. Ook kan vanuit daar toegewerkt worden naar een intensief ambulant behandel- en begeleidingskader en naar beschermd of begeleid wonen.

Het reclasseringsrapport van 9 oktober 2026 is van gelijke strekking als voornoemde rapportage. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een groot aantal bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling en ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname. De reclassering schat het risico op recidive en op letsel in als hoog en adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht.

Gezien de problematiek van verdachte acht de rechtbank het noodzakelijk dat hij klinisch wordt behandeld in een forensische setting. Op zitting is gebleken dat verdachte gemotiveerd is om zijn leven anders vorm te geven en dat hij bereid is zich aan alle bijzondere voorwaarden te houden. Het gestructureerde en drugs- en alcoholvrije verblijf in voorarrest heeft verdachte zichtbaar goed gedaan. De rechtbank neemt daarom de adviezen over om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, zodat de geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd die behandeling van verdachte mogelijk maken om het recidiverisico te verminderen.

Straf

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Er moet namelijk ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 10.000,00 voor geleden immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de daardoor ontstane schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij in zijn persoon is aangetast doordat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het onrechtmatig handelen van verdachte. Gelet op het feit dat er geen operatie nodig is geweest, dat er geen blijvend letsel is en dat er een herstelperiode is geweest van minder dan twee maanden, merkt de rechtbank het opgelopen letsel aan als ‘licht letsel’. Gelet op het in de Rotterdamse Schaal opgenomen bedrag voor dergelijk letsel acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.100,- billijk.

Daarnaast heeft de benadeelde partij aangevoerd dat hij mede in zijn persoon is aangetast doordat hij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het onrechtmatig handelen van verdachte. Hij stelt onder meer angstgevoelens te hebben, zich thuis niet veilig te voelen, slecht te slapen, door de psychische gevolgen niet in staat te zijn om te werken en EMDR-behandelingen voor de verwerking te volgen

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en van de (gestelde en niet-betwiste) gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, met zich brengen dat tevens sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ die voor vergoedingin aanmerking komt. Dat de benadeelde partij al psychisch kwetsbaar was voorafgaand aan het feit en daarvoor reeds EMDR-behandelingen volgde, maakt dit niet anders. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 1.400,00 billijk.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dan ook toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 2.500,00 voor geleden immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van de immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 19 april 2026. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* Meldplicht bij reclassering

dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de Verslavingsreclassering van Mondriaan op het adres John F. Kennedylaan 301, 6419 XZ te Heerlen of telefonisch via 088-506 88 88;

* Opname in een zorginstelling

dat verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de zorginstelling nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Mondriaan of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie.

De zorginstelling bepaalt de wijze en duur van behandeling. De behandeling is gericht op verdere diagnostiek naar de mogelijke aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking (door het functioneren op het praktische en sociale domein los van de verslavingsproblematiek degelijk in kaart te brengen), psychische problematiek (waaronder depressie en stemmingsproblematiek), persoonlijkheidsproblematiek, verslavingsproblematiek (waaronder terugvalpreventie), agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, zelfredzaamheid en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen

van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor beschermd of begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

dat verdachte zich aansluitend op de klinische behandeling, laat behandelen door de verslavingszorg van Novadic Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling gedurende de proeftijd nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat

verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

* Verbod verdovende middelen

dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (medicatie). Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

* Alcoholverbod

dat verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

* Contactverbod

dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met de heer [slachtoffer] , met geboortedatum [geboortedag 2] 1994;

* Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat waar de aangever woonachtig is, te weten: [adres 2] ;

* Dagbesteding

dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle daginvulling. Gedurende zijn tijd in de kliniek betekent dit het volgen van het dagprogramma. Hierna in de vorm van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, in ieder geval met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] € 2.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet- of niet volledige betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 19 april 2026 te [geboorteplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die voornoemde [slachtoffer] met een mes in de (rechter) borst/thorax heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2026 te [geboorteplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die voornoemde [slachtoffer] met een mes in de (rechter) borst/thorax heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )