Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:5051

Op 9 June 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-800434-17, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:5051. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-800434-17
Datum uitspraak:
9 June 2026
Datum publicatie:
9 June 2026

Indicatie

Verlenging tbs met dwangverpleging met 1 jaar

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-800434-17

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2026 met betrekking tot de verlenging van de terbeschikkingstelling van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedag] 1990,

verblijvende in het [instelling] te [verblijfplaats] (hierna: de instelling),

hierna: betrokkene,

raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg.

1
Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 13 maart 2018 is betrokkene veroordeeld wegens twee maal een poging tot verkrachting, twee maal een aanranding en schennispleging van de eerbaarheid tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De termijn van de tbs is aangevangen op 14 juni 2018.

Bij beslissing van deze rechtbank van 27 december 2023 is de tbs voorwaardelijk beëindigd vanaf het moment en onder de voorwaarde dat betrokkene Nederland verlaat en hij niet naar Nederland terugkeert. Een veilige terugkeer door betrokkene naar zijn land van herkomst (Iran) bleek echter niet mogelijk, waarna de tbs voor het laatst op 10 juni 2025 is verlengd met één jaar.

Procesverloop

2
Procesverloop

De rechtbank heeft op 24 april 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met dwangverpleging. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.

De vordering is op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. J. Castelein, is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw N. Assouiki, advocaat te Tilburg. Ook is gehoord de vreemdelingenadvocaat van betrokkene, mr. F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam. Voorts is als deskundige gehoord [hoofdbehandelaar] , hoofdbehandelaar bij de instelling.

3
Adviezen
3.1.

Advies instelling

De instelling heeft in het rapport van 2 april 2026 geadviseerd de tbs te verlengen met één jaar.

Bij betrokkene is sprake van een complexe en met elkaar verweven psychopathologie in de

vorm van schizofrenie, met secundaire cognitieve beperkingen resulterend in functioneren op een licht verstandelijk beperkt niveau, en een stoornis in het gebruik van verschillende middelen (amfetamines, cannabis, opiaten, cocaïne en alcohol). Het driftleven is ernstig gestoord en er is sprake van hyperseksualiteit, die echter nauw samenhangt met de aanwezige psychotische symptomen en het gebruik van middelen (met name speed).

Betrokkene is ongewenst verklaard en sindsdien is er geen sprake meer van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Verdere resocialisatie in Nederland is uitgesloten en de behandeling is gericht op terugkeer naar Iran.

De externe structuur, het toezicht en de begeleiding binnen de instelling, alsmede de farmacologische behandeling en psychotherapeutische interventies resulteren in een verbetering van het klinisch beeld en in een afname van het recidivegevaar. Betrokkene presenteert zich al geruime tijd stabiel, ook onder invloed van stressoren. Hij heeft relatief veel vrijheden en landelijk begeleid verlof, wat goed verloopt. Verdere uitbreiding van de vrijheden is binnen de huidige setting niet mogelijk. Onderzocht is of er een alternatief repatriëringsplan realiseerbaar is, maar dat is niet het geval en er bestaan geen aanwijzingen dat een dergelijk plan op de lange termijn alsnog uitvoerbaar kan worden. Repatriëring is op korte en (middel)lange termijn niet haalbaar. De procedure om zijn verblijfsvergunning en zijn ongewenstverklaring aan te vechten loopt nog, maar zijn eerste verzoek is recent afgewezen, waardoor de impasse in het behandeltraject blijft voortduren. Betrokkene zit al langere tijd aan zijn behandelplafond en verblijft enkel in de tbs vanwege zijn vreemdelingrechtelijke status. Er is daarom sprake van een verkapte detentie zonder reëel perspectief op resocialisatie.

Er wordt geprobeerd voor betrokkene een uitzonderingspositie te realiseren door hem over te plaatsen naar een lager beveiligingsniveau. DIZ heeft daar toestemming voor gegeven. Het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna: AVT) heeft onbegeleid en transmuraal verlof toegekend en deze aanvraag ligt ter beoordeling bij de staatssecretaris. Indien de toestemming wordt verleend, kan betrokkene worden overgeplaatst naar afdeling [afdeling] bij [plaats] om vanuit daar mogelijk doorgeplaatst te worden naar de [kliniek] , met een nog lager beveiligingsniveau. Een dergelijke setting biedt de mogelijkheid om het functioneren van betrokkene onder ruimere vrijheden te toetsen en het risicoprofiel op de langere termijn beter in kaart te brengen. De instelling acht dit passend binnen het traject, gelet op het langdurig positieve functioneren van betrokkene. Bovendien draagt overplaatsing bij aan het gevoel van perspectief en zijn kwaliteit van leven. Een doorbraak in de impasse lijkt alleen mogelijk bij toestemming van de staatssecretaris. Omdat onzeker is of de staatssecretaris toestemming zal verlenen, wordt geadviseerd om de tbs met een jaar te verlengen.

Ter zitting heeft de deskundige [hoofdbehandelaar] daaraan nog het volgende toegevoegd. Betrokkene zit op hetzelfde punt als de voorgaande zittingen. Hij zit aan het behandelplafond en heeft alle therapieën gevolgd. Betrokkene doet het uitermate goed en wil graag stappen verder maken. Er wordt al bijna een jaar gewacht op de goedkeuring van de staatssecretaris en regelmatig wordt navraag gedaan hoe het ervoor staat. De persoonlijkheidsstoornis staat bij ons nog in de diagnose, maar het is voorstelbaar dat daar onduidelijkheid over is en het ook kan voortkomen uit de verstandelijke beperking. Het gaat erom dat de verstandelijke beperking en psychose onder controle zijn. Met de door de instelling geadviseerde verlengingsduur van de tbs wordt de druk hopelijk hoger bij het ministerie. Betrokkene kan pas worden overgeplaatst naar [afdeling] als de staatssecretaris toestemming heeft verleend. Die tussenstap is nodig om onbegeleid verlof te kunnen aanbieden. Als die toestemming niet wordt verleend, is er weer sprake van een impasse. Er is een risico op decompensatie als de situatie van betrokkene te lang uitzichtloos is. Hij doet heel erg zijn best en ziet niet dat daar iets voor terugkomt. De instelling ziet dat betrokkene verdrietig is om de situatie.

3.2.

Advies psychiater

Uit het rapport van psychiater [psychiater] van 28 februari 2026 blijkt dat bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van schizofrenie en verslavingsproblematiek, in langdurige remissie. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een verstandelijke beperking. Indien de tbs-maatregel op dit moment wordt beëindigd, en het gedrag van betrokkene onvoldoende buiten de kliniek is getoetst en er voor betrokkene geen begeleiding, huisvesting, inkomen en dagbesteding kan worden georganiseerd, wordt de kans op recidive op een geweldsdelict op de korte termijn als matig en op de langere termijn als hoog ingeschat. Omdat betrokkene nog aan het begin van zijn resocialisatietraject staat en het überhaupt de vraag is of onbegeleid verlof, vanwege zijn ongewenst vreemdelingenstatus, tot de mogelijkheden behoort, wordt geadviseerd om de tbs met twee jaar te verlengen.

4
Standpunt van partijen
4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering aangepast in die zin dat de tbs slechts verlengd dient te worden met 1 jaar. Aan de wettelijke vereisten is voldaan en bij betrokkene is sprake van een stoornis. Er is sprake van een behandelimpasse met onzekerheden die maar blijven voortduren. De argumenten die zijn opgenomen in de verlengingsbeslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 juni 2025, om af te wijken van het uitgangspunt om de tbs met twee jaar te verlengen, gelden nog altijd. Daarom wordt in afwijking van de schriftelijke vordering verzocht om een verlenging met één jaar.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Betrokkene en de raadsvrouw hebben zich niet verzet tegen verlenging van de tbs met één jaar. De impasse bestaat nog steeds. Betrokkene heeft vooruitgang geboekt en heeft zijn behandelplafond bereikt. Hij zit vast tussen het strafrechtelijke en vreemdelingrechtelijke systeem. Verzocht is om aan te sluiten bij het advies van de instelling om daarmee op korte termijn een toetsingsmoment te gelasten om een vinger aan de pols te houden.

Overwegingen

5
Beoordeling

De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op de adviezen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundige wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium. Het recidiverisico wordt matig tot hoog ingeschat bij het wegvallen van de tbs. De tbs zal daarom worden verlengd.

Uitgangspunt is dat wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van betrokkene meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging met een termijn van één jaar, de tbs - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een bijzondere omstandigheid, die maakt dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

Uit het advies van de instelling en het verhandelde ter zitting volgt namelijk dat er al sinds 2024 sprake is van een behandelimpasse en onduidelijkheid over de mogelijke vervolgstappen van betrokkene. Op dit moment stagneert het resocialisatietraject van betrokkene, doordat de staatssecretaris de verlofaanvraag nog niet heeft beoordeeld. Het uitblijven van duidelijkheid hierover heeft als gevolg dat dit een gevaar kan vormen voor de behandeling van betrokkene. De deskundige heeft daaraan ter zitting nog toegevoegd dat er een risico op decompensatie ontstaat als de situatie van betrokkene te lang uitzichtloos is. Het overplaatsen van betrokkene naar een afdeling met een lager beveiligingsniveau is noodzakelijk om op een verantwoorde manier de tbs te kunnen beëindigen, hetgeen vooralsnog niet aan de orde is omdat betrokkene onvoldoende de mogelijkheid heeft gehad om te oefenen met verlof en vrijheden en het risicoprofiel op de langere termijn onvoldoende in kaart is gebracht.

Hoewel de rechtbank de situatie van betrokkene schrijnend vindt, is zij van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake is van een uitzichtloze situatie voor betrokkene. Ter zitting is namelijk gebleken dat hij tegen de beslissing van de IND over de rechtmatigheid van zijn verblijf hoger beroep heeft ingesteld. Deze procedure loopt nog en biedt nog perspectief op het doorbreken van de ontstane impasse. De rechtbank merkt wel op dat naarmate de situatie van betrokkene steeds langer ongewijzigd blijft en de behandelimpasse voortduurt, dit mogelijk strijd kan opleveren met artikel 3 en/of 5 van het ERVM.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de tbs met dwangverpleging van betrokkene wordt verlengd met één jaar.

Beslissing

6
Beslissing

De rechtbank:

verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met 1 (één) jaar.

Deze beslissing is genomen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter,

en mr. S. Tempel en mr. J.P.E. Mullers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juni 2026.

De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.