Strafrecht overig

Jeugddetentie voor medeplegen poging doodslag, tweemaal medeplegen (poging) brandstichting en teweegbrengen…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummers
02-032280-25, 02-112853-25, 09-058206-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8125
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugddetentie voor medeplegen poging doodslag, tweemaal medeplegen (poging) brandstichting en teweegbrengen ontploffing, oplichting en diefstal. Voorwaardelijk opzet op de dood, geen voorbedachte raad. Verminderd toerekeningsvatbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-032280-25; 02-112853-25 (ttz gev); 09-058206-26 (ttz gev)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026

in de strafzaak tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2006 op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,

raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juni 2026, waarbij officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 24 augustus 2026 is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking onder parketnummer 02-032280-25 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in Tilburg samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, dan wel doodslag door een explosief richting meerdere personen te gooien (feit 1), zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij [koffieshop] in Tilburg (feit 2) en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam (feit 3).

De verdenking onder parketnummer 02-112853-25 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Breda.

De verdenking onder parketnummer 09-058206-26 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting door zich voor te doen als politieagent en het slachtoffer te bewegen tot afgifte van haar bankpas en contant geld (feit 1) en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van meerdere contante geldbedragen die hij met de pinpas van het slachtoffer heeft gepind (feit 2).

3 De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de feiten onder parketnummers 02-112853-25 en 09-058206-26 kunnen worden bewezen. De officier van justitie vindt verder dat de onder parketnummer 02-032280-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde poging tot moord en het teweegbrengen van een explosie kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder parketnummer 02-032280-25 onder 3 ten laste gelegde teweegbrengen van een explosie bij een woning in Amsterdam.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor het onder parketnummers 02-032280-25 ten laste gelegde. Daartoe is ten aanzien van de feiten 1 en 2 aangevoerd dat verdachte enkel heeft gefilmd en dat dit onvoldoende is om te kwalificeren als medeplegen. De verdediging is verder van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder parketnummer 02-112853-25 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat een aansteker een verplaatsbaar object is en dat het aangetroffen DNA van verdachte daarop terechtgekomen kan zijn via indirecte overdracht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten onder parketnummers 02-032280-25 en 02-112853-25 zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

Opgave bewijsmiddelen parketnummer 09-058206-26

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit ten aanzien van de onder parketnummer 09-058206-26 ten laste gelegde oplichting en diefstal door middel van een valse sleutel, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht de feiten onder parketnummer 09-058206-26 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

  • de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 29 juni 2026;

  • het proces-verbaal van aangifte, nummer 8, pagina’s 6 t/m 9 van het procesdossier met nummer PL1500-2024408598, inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde 1] ;

  • het proces-verbaal van bevindingen, nummer 7, pagina’s 66 t/m 71 van het procesdossier met nummer PL1500-2024408598, met betrekking tot de pintransacties.

4.3.3

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.3.1 Parketnummer 02-032280-25 ( onderzoek Rebel )

[koffieshop] Tilburg (feiten 1 en 2)

Poging teweegbrengen ontploffing (feit 2)

Op 4 januari 2025 omstreeks 03:06 uur is een explosief gegooid naar de voorzijde van het pand van [koffieshop] in Tilburg, waar op dat moment meerdere beveiligers aanwezig waren. Ter plaatse werd een vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna: VBC) aangetroffen, bestaand uit twee petflessen gevuld met benzine met daaraan bevestigd een stuk vuurwerk type Cobra 6, waaruit een lont stak. Op camerabeelden was te zien dat vanaf het fietspad een brandend voorwerp richting de coffeeshop werd gegooid. Op de VBC werd DNA aangetroffen van verdachte en van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het een deugdelijk explosief was dat tot ontploffing zou zijn gekomen als de lont zou zijn opgebrand en dat niet kan worden achterhaald waarom de lont niet volledig is opgebrand.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. In de avond van 3 januari 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] met een auto verdachte en [medeverdachte 2] opgehaald. [medeverdachte 1] bestuurde de auto, verdachte was de bijrijder en [medeverdachte 2] zat achterin. Nadat zij in Amsterdam zijn geweest, zijn zij naar Tilburg gereden. Tussendoor hebben zij getankt bij [tankstation] in Gilze. Op de camerabeelden van dit tankstation zijn de verdachte en [medeverdachte 1] te zien met twee petflessen. [medeverdachte 1] pakte het tankpistool en bewoog richting [medeverdachte 2] die op de achterbank van de auto zat. Vervolgens heeft verdachte met de pinpas van [medeverdachte 1] een bedrag van € 2,49 afgerekend bij het tankstation. Hieruit maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] benzine hebben getankt voor in (één van) de petflessen en dat verdachte dat heeft afgerekend. Via de telefoon van [medeverdachte 1] zijn die nacht meerdere afbeeldingen gestuurd van petflessen waaraan vuurwerk was bevestigd met daarin een troebele vloeistof. Dit betreft onder meer een VBC met een Fernandesfles met rood etiket, zoals later naar [koffieshop] is gegooid. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachten in de auto al begonnen zijn met de voorbereidingen van de uitvoering door samen het explosief te bereiden.

Nadat er benzine voor in de flessen is getankt, is de auto met daarin verdachte en de medeverdachten naar Tilburg gereden. Uit de aangetroffen chatberichten blijkt dat er omstreeks 02:10 uur beveiligers voor het pand van de coffeeshop werden gezien. Tevens blijkt uit de chatberichten dat [medeverdachte 1] omstreeks 02:35 uur contact heeft gehad met [medeverdachte 3] over wat ze moesten doen, waarop [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] berichtte: “hij zegt kijk maar of je doet” en “ervoor, als je wilt”. Vervolgens is er om 02:39 uur een voorverkenning geweest waarbij [medeverdachte 1] en verdachte de voorzijde van het pand met daarbij de beveiligers hebben gefilmd. Hierna zijn verdachte en [medeverdachte 2] richting de coffeeshop gelopen. [medeverdachte 2] heeft de lont van de Cobra aangestoken en het explosief richting de coffeeshop gegooid terwijl verdachte dit filmde. Het explosief kwam bij de voeten van de beveiligers terecht.

Verdachte is met de medeverdachten naar Tilburg gereden. Hij was aanwezig bij het tankstation waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de petflessen met benzine vulden en heeft de benzine vervolgens afgerekend met de pinpas van [medeverdachte 1] . Het DNA van verdachte is op meerdere plekken op het explosief aangetroffen, waaronder op de Cobra. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte handelingen heeft verricht met het explosief en ook wist dat de flessen waren gevuld met benzine. In Tilburg heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] een voorverkenning uitgevoerd bij de coffeeshop. Hij wist dus dat er iets stond te gebeuren met het voorbereide explosief. Vervolgens heeft verdachte gefilmd hoe [medeverdachte 2] het explosief naar de coffeeshop gooide. Gelet op de rol die verdachte in dit geheel heeft gespeeld en de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten daarbij, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van dit feit.

Poging tot doodslag (feit 1)

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, is vereist dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het mogelijke gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het rapport van het NFI volgt dat direct contact van een Cobra 6 met het lichaam tot dodelijk letsel kan leiden. Daarnaast kan door scherfwerking van omgevingsmaterialen binnen meerdere meters van de ontploffende VBC eveneens dodelijk letsel ontstaan. Daar komt bij dat de Cobra 6 was bevestigd aan twee met benzine gevulde flessen. Gebleken is dat de VBC is aangestoken en met brandende lont naar de coffeeshop is gegooid, waar het bij de voeten van de beveiligers terecht kwam.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood meerdere beveiligers. Nadat is geconstateerd dat er beveiligers voor de coffeeshop stonden, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] een voorverkenning uitgevoerd. Hij is ook voorbij de coffeeshop gelopen en moet hebben gezien dat er zich daar beveiligers bevonden. Verdachte had wetenschap van het explosief, bestaand uit een Cobra en twee petflessen benzine. Omstreeks 03:06 uur werd het explosief door [medeverdachte 2] gegooid, terwijl verdachte dit filmde. De rechtbank stelt vast dat verdachte ook wist dat [medeverdachte 2] het explosief zou gaan gooien, aangezien hij met [medeverdachte 2] richting de coffeeshop is gelopen en met zijn telefoon klaar stond om het daadwerkelijke moment van gooien te filmen. Verdachte heeft het gooien van het explosief goed op beeld gebracht, waar de rechtbank uit opmaakt dat het voor hem niet als verrassing kwam dat het gegooid zou worden. Door te filmen hoe een dergelijk explosief werd aangestoken en richting meerdere personen werd gegooid, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit explosief in de nabijheid van die personen tot ontploffing zou komen en dat diegenen daarbij dodelijk letsel zouden oplopen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte dit feit met voorbedachte raad heeft gepleegd. Er was een plan om het explosief bij de coffeeshop naar binnen te gooien. Toen omstreeks 02:10 uur werd geconstateerd dat er beveiligers voor de coffeeshop stonden, vond er nader overleg plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Het plan is vervolgens aangepast, maar de rol van verdachte daarbij is niet veranderd: hij moest filmen dat [medeverdachte 2] het explosief gooide. De rechtbank kan niet precies vaststellen op welk moment voor verdachte duidelijk is geworden dat het explosief gegooid ging worden naar de plek waar de beveiligers stonden. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij het overleg tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken was en of hij daar iets van heeft meegekregen. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat bij verdachte sprake was van kalm beraad of rustig overleg. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en dat hij partieel moet worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord.

[adres 2] Amsterdam (feit 3)

Hoewel de rechtbank kan vaststellen dat verdachte in de avond van 3 januari 2025 in de auto zat bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en in Amsterdam is geweest, kan niet worden vastgesteld of verdachte een rol heeft gespeeld bij het plegen van dit feit en welke rol dat dan was. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

4.3.3.2 Parketnummer 02-112853-25 ( onderzoek Zonneroosje )

Op 26 februari 2024 vond een explosie plaats aan [adres 3] te Breda. In de voortuin van de woning lag een aansteker waarop DNA dat matcht met het DNA van verdachte is aangetroffen. Op camerabeelden is te zien hoe een persoon om 22:56 uur naar de woning liep en iets aanstak, waarna de persoon wegrende en er een lichtflits te zien was. Uit onderzoek in de telefoon van verdachte blijkt dat het toestel op datzelfde tijdstip een dataverkeer startte in de directe omgeving van [adres 3] te Breda. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de enige gebruiker van die telefoon was. Verder heeft verdachte verklaard dat hij weleens in Breda een coffeeshop, restaurant of café bezocht. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij betrokken was bij de explosie bij [koffieshop] in Tilburg op 4 januari 2025.

Een jaar nadat de explosie aan [adres 3] te Breda plaatsvond, vond het incident bij [koffieshop] in Tilburg plaats met een vergelijkbare modus operandi. Verdachte begaf zich kennelijk in kringen waarin dit soort strafbare feiten gepleegd worden. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft afgelegd voor de aanwezigheid van zijn telefoon in Breda op 26 februari 2024. Verdachte woonde op dat moment in [plaats] en kwam niet regelmatig in Breda. Daar komt bij dat verdachte hier pas over heeft verklaard op de terechtzitting, ruim twee jaar na het incident. Bovendien heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de zendmastgegevens, waaruit blijkt dat verdachte rond de tijd van het incident in de directe nabijheid van [adres 3] te Breda was en gaat de rechtbank ervan uit dat het DNA op de aansteker afkomstig is van verdachte. Gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene was die met de aansteker het explosief heeft aangestoken en bij de woning naar binnen gegooid. De bewoonster was op dat moment thuis en bevond zich in de gang. De ramen bij de voordeur waren vernield en er is veel glas in de hal terecht gekomen. Zij heeft verklaard dat het explosief tegen haar buik aankwam en is gewond geraakt. Met inachtneming daarvan acht de rechtbank het ten laste gelegde feit, waarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

onder parketnummer 02-032280-25

1
op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en [benadeelde 3] opzettelijk van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie in de richting van die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten [koffieshop] en omliggende panden en,
- levensgevaar voor een ander, te weten beveiligers van [koffieshop]
te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie heeft gegooid in de richting van het pand van [koffieshop] en beveiligers van [koffieshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

onder parketnummer 02-112853-25

op 26 februari 2024 te Breda opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief
- aan te steken en
- vervolgens naar binnen te gooien in de woning aan [adres 3]
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en omliggende panden en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

te duchten was;

onder parketnummer 09-058206-26

1
op 18 december 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
- een bankpas en
- een contant geldbedrag van 700 euro,
door
- die [benadeelde 1] te bellen en zich voor te doen als een medewerker van de politie Den Haag en die [benadeelde 1] te vertellen dat er een poging inbraak was geweest in de woning van [benadeelde 1] en
- die [benadeelde 1] te vertellen dat een persoon in burgerkleding, te weten verdachte, in naam van de politie haar cashgeld en/of haar bankpas zou komen ophalen en een code zou opgeven en
- bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en zich voor te doen als een medewerker van de politie Den Haag en
- daar om afgifte van voornoemde bankpas en voornoemd geldbedrag te vragen,
waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot afgifte van voornoemde goederen;

2
op 18 december 2024 te 's-Gravenhage geldbedragen die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door
- een geldbedrag van 300 euro en
- een geldbedrag van 200 euro en
- een geldbedrag van 50 euro en
- een geldbedrag van 100 euro
te pinnen met de pinpas van die [benadeelde 1] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 487 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een kleiner voorwaardelijk deel dan door de officier van justitie is geëist.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 26 februari 2024 schuldig gemaakt aan brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Breda. Verder heeft hij zich op 18 december 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting en diefstal door middel van een valse sleutel. Daarnaast heeft hij zich op 4 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij [koffieshop] in Tilburg en daarbij tevens aan een poging tot doodslag op de beveiligers die op dat moment voor de coffeeshop aanwezig waren. Bij zowel de woning in Breda als bij de coffeeshop in Tilburg is gebruik gemaakt van zwaar vuurwerk, type Cobra 6. Bij het incident in Tilburg was dit zelfs bevestigd aan twee petflessen gevuld met benzine. Cobra 6 is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere en explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Door dit vuurwerk al dan niet samen met petflessen benzine tot ontploffing te brengen bij een woning en te gooien naar een coffeeshop waar beveiligers bij stonden, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Bij het incident in Breda was de bewoonster in de hal aanwezig op het moment dat verdachte het vuurwerk door de brievenbus gooide en bij het incident in Tilburg waren meerdere beveiligers voor het pand van de coffeeshop aanwezig waren op het moment dat het explosief daarheen werd gegooid. Als het vuurwerk bij [koffieshop] tot ontploffing was gekomen, zou dit ernstige gevolgen hebben gehad voor de beveiligers. Daarnaast is het een gelukkige omstandigheid dat de bewoonster van de woning in Breda slechts lichte verwondingen heeft opgelopen. Het gooien van het explosief is voor de beveiligers bij de coffeeshop ook zeer beangstigend geweest. Zij hebben verklaard dat zij op dat moment voor hun leven vreesden en ook daarna hier nog veel last van hebben gehad. Dergelijke incidenten zorgen bovendien in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Dat geldt in het bijzonder voor de bewoner van de woning in Breda en de eigenaar van de coffeeshop in Tilburg.

Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Eendaadse samenloop

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, tussen het teweegbrengen van de ontploffing in Tilburg (feit 2) en de poging tot doodslag daar (feit 1).

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 24 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

[psycholoog] heeft op 8 augustus 2025 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en dat beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte functioneert op een beperkt sociaal-emotioneel en cognitief niveau. Hoewel de deskundige weinig zicht heeft gekregen op de motieven, gedachten en emoties van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, is het aannemelijk dat verdachte geen initiërende rol heeft gespeeld, maar zich ook geenszins heeft laten remmen door enig geïnternaliseerd geweten. Hoewel verdachte ten gevolge van het niveau van functioneren maar beperkt in staat is de consequenties van zijn handelen te overzien, kan hij zeker wel in staat worden geacht het strafbare en voor anderen schadelijke en gevaarlijke gedrag dat hij toonde/ waar hij in meeging, te begrijpen. Hij kan echter, juist vanwege het beperkte sociaal-emotionele en cognitieve niveau niet geacht worden dit afdoende te hebben kunnen voorzien. Geadviseerd wordt dan ook hem de feiten in enigszins verminderde mate toe te rekenen.

Er zijn amper beschermende factoren: mogelijk de praktische zorg binnen de familie en de droom van verdachte om in de zorg te gaan werken. Als risicofactoren worden gezien dat verdachte weinig openheid van zaken heeft gegeven, het antisociale vriendennetwerk, de gebrekkige emotionele banden binnen het gezin van herkomst met een moeder die weinig stevigheid lijkt te kunnen bieden en het ontbreken van dagbesteding. Het recidiverisico wordt bepaald door de mate waarin verdachte beïnvloed wordt door zijn omgeving. Hij heeft weinig eigenheid, is enorm beïnvloedbaar en het ontbreekt hem aan een geïnternaliseerd geweten. Geadviseerd wordt om het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

Verdachte is een kwetsbare jongen; zowel sociaal-emotioneel als cognitief en ook het gezin van herkomst lijkt hem weinig stevigheid te kunnen bieden. Begeleiding zal zich moeten richten op het stimuleren van zelfstandigheid waarbij duidelijkheid van groot belang is en middels positieve bekrachtiging gedrag en denken meer bewust worden, geleerd moet worden dat hij verantwoordelijkheid draagt en zijn identiteit gevormd wordt en normen en waarden concreet moeten worden gemaakt. Geadviseerd wordt om verdachte aan te melden/ terug te plaatsen binnen een beschermde woonvorm waar veel structuur heerst, waar hij zich praktische en emotionele vaardigheden eigen kan maken en waar hij mogelijk op termijn een meer zelfstandig bestaan kan opbouwen.

Reclassering Nederland heeft op 21 april 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat bij de reclassering het beeld is ontstaan dat verdachte zich eerder met anderen heeft beziggehouden met criminele klussen vanuit een financieel motief. Bij verdachte is sprake van een verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Dit maakt dat hij weinig weerbaarheid heeft tegen negatieve invloeden en ook over zeer beperkte vaardigheden beschikt om zijn leven zelfstandig vorm te geven. Er is bij verdachte sprake van een sociaal-emotionele achterstand: hij functioneert niet zelfstandig. Hij beschikt niet over een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Het toezicht bij de reclassering verloopt goed. Verdachte verblijft bij zijn zus. Er wordt gezocht naar een nieuwe plek voor beschermd wonen. Vanwege het niveau van functioneren van verdachte wordt geadviseerd jeugdstrafrecht toe te passen en zijn er interventies nodig om de problemen van verdachte aan te pakken. Het ontbreekt verdachte aan stabiliteit op het gebied van huisvesting, dagbesteding en financiën. Er is slechts in beperkte mate sprake van sociale steun. In onderhavige zaken spelen negatieve sociale contacten, de verstandelijke beperking en deels pro criminele houding een rol. Mogelijk was er ook sprake van een financiële motivatie.

Toerekeningsvatbaarheid en adolescentenstrafrecht

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door diens bevindingen en door hetgeen op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Verdachte wordt dus in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Daarnaast is de rechtbank met de psycholoog en de reclassering van oordeel dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast gelet op het niveau van functioneren van verdachte en de onderliggende verstandelijke beperking en gedragsstoornis.

Straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de rapportages van de deskundigen, waaruit onder meer de psychische problematiek van verdachte blijkt. Het lijkt nu beter te gaan met hem. De reclassering is tevreden over zijn inzet, zoals ook door de medewerker van de reclassering ter zitting is toegelicht, en verdachte zet stappen in de goede richting. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen 487 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte door de reclassering begeleid blijft worden en zal daarom de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen bij het voorwaardelijk strafdeel. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat gezien de rapportages er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 De benadeelde partijen

[benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.701,41 aan materiële schade en een vergoeding van € 16.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting de schadepost verlies verdienvermogen naar beneden bijgesteld en aangegeven dat dit bedrag het te vorderen bedrag minus de belasting betreft. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk hoe deze schadepost is opgebouwd en welke berekening de raadsvrouw heeft toegepast om tot dit bedrag te komen. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De schadeposten die zien op de kosten voor medische zorg en de kosten voor medische verschotten zijn niet gemotiveerd betwist en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze posten zullen daarom worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij knieletsel heeft opgelopen. Het vergt echter nader onderzoek om vast te stellen in welke mate dit letsel is ontstaan door de bewezenverklaarde feiten en in welke mate sprake was van het eerder opgelopen en vastgestelde knieletsel van de benadeelde partij. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend en zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Conclusie

De rechtbank wijst € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.

[benadeelde 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade.

De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 1.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder af te willen doen aan de ernst van de schade, meegewogen dat het hier niet om een woning ging maar om een bedrijfspand en dat dit bedrijfspand al vaker doelwit is geweest van aanslagen. Ook is het explosief niet afgegaan. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de stelpost van € 10.000,-.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.

[benadeelde 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder parketnummer 02-032280-25 onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.882,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.

Nu verdachte is vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

[benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder parketnummer 09-058206-26 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 750,- aan materiële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dat betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding is voldoende onderbouwd, is niet betwist en komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegekend.

Nu verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 18 december 2024.

8 Het beslag

De in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. De bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 55, 57, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 287, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 02-032280-25 onder feit 1 impliciet ten laste gelegde poging tot moord;

  • spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 02-032280-25 onder 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

onder parketnummer 02-032280-25

de eendaadse samenloop van

feit 1: medeplegen van poging tot doodslag;

en

feit 2: medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten

is;

onder parketnummer 02-112853-25

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;

onder parketnummer 09-058206-26

feit 1: oplichting;

feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 487 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;

  • veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

  • veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met de medeverdachten [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 2] 2005, [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] 1997 en [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 4] 1999;

  • veroordeelde zich gedurende het toezicht niet bevindt binnen een straal van 1 kilometer van het [adres 4] te Tilburg en van Amsterdam Zuidoost, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode de verboden gebieden laten vervallen, verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van de verboden gebieden te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Tevens zal veroordeelde gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaten zonder toestemming van de reclassering;

  • veroordeelde gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen 10 uur op het verblijfadres te zijn. In het weekend is dit 16 uur per dag. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

  • veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van (betaald) werk of het volgen van een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

  • veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • voorwaarden daarbij zijn:

  • dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- bepaalt dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Benadeelde partij [benadeelde 4]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] , van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 4] te betalen € 1.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , van € 6.504,41, bestaande uit € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 2] te betalen € 6.504,41 (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 57 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [benadeelde 5]

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , van € 750,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 1] te betalen € 750,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd als voor de feiten onder parketnummer 02-032280-25:

1 stk telefoon, Apple.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte wordt onder parketnummer 02-032280-25 ten laste gelegd dat

1
hij op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of een of meer anderen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, in de richting van die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3] en/of een of meer anderen heeft/hebben gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 4 januari 2025 te Tilburgtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten [koffieshop] en omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [koffieshop] en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, heeft/hebben gegooid in de richting van het pand van [koffieshop] en/of de beveiligers van [koffieshop] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3
hij op 3 januari 2025 te Amsterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, voor de woning aan de [adres 2] te Amsterdam te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van voornoemde woning en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was.

Aan verdachte wordt onder parketnummer 02-112853-25 ten laste gelegd dat

hij op 26 februari 2024 te Breda opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, door een explosief
- aan te steken en/of
- (vervolgens) naar binnen te gooien in de woning aan [adres 3]
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van voornoemde woning en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was.

Aan verdachte wordt onder parketnummer 09-058206-26 ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 18 december 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- een bankpas en/of
- een contant geldbedrag van 700 euro,
door
- die [benadeelde 1] te bellen en/of zich voor te doen als een medewerker van de politie Den Haag en/of die [benadeelde 1] te vertellen dat er een poging inbraak was geweest in de woning van [benadeelde 1] en/of
- die [benadeelde 1] te vertellen dat een persoon in burgerkleding, te weten verdachte, in naam van de politie haar cashgeld en/of haar bankpas zou komen ophalen en/of een code zou opgeven en/of
- bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en/of zich voor te doen als een medewerker van de politie Den Haag en/of
- daar om afgifte van voornoemde bankpas en/of voornoemd geldbedrag te vragen,
waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot afgifte van voornoemde goederen;

2
hij op of omstreeks 18 december 2024 te 's-Gravenhage één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/ die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door
- een geldbedrag van 300 euro en/of
- een geldbedrag van 200 euro en/of
- een geldbedrag van 50 euro en/of
- een gedbedrag van 100 euro
te pinnen met de pinpas van die [benadeelde 1] .