Alle nieuws

Rotterdam · 27 oktober 2026

Vrijspraak voor betrokkenheid bij explosie Schammenkamp

Beeld: Rechtspraak

De rechtbank in Rotterdam heeft vandaag een 37-jarige man uit Rotterdam vrijgesproken, er is geen bewijs dat hij verantwoordelijk is voor de dodelijke explosie in de Rotterdamse wijk Schammenkamp.

Verwoestende knal
Op 29 januari 2024 vond om 20.20 uur in een bedrijfsruimte aan de Schammenkamp 66 in Rotterdam een zeer zware explosie plaats, waarna een zeer grote brand uitbrak. Daardoor zijn drie personen overleden en zijn anderen (zwaar) gewond geraakt. Aangrenzende bedrijfsruimten en daarboven gelegen woningen zijn door de explosie verwoest. Deze gebeurtenissen hadden en hebben nog steeds een grote impact.

De verdachte

Vast staat dat de verdachte al jarenlang de (hoofd)huurder was van de bedrijfsruimte, dat hij deze voor de gewone bedrijfsvoering van zijn aannemingsbedrijf gebruikte en dat ook zijn medewerkers en anderen daar vaak kwamen en gebruik maakten van die ruimte. Tot ongeveer een uur voor de explosie is de verdachte nog in (het voorste deel van) de bedrijfsruimte aan het werk geweest, waarna hij is vertrokken naar België.

Nadat hij op de hoogte was geraakt van de explosie is hij een paar uur later teruggekeerd naar Nederland. In de dagen daarna is hij, terwijl het werk van politie en brandweer nog in volle gang was, over de politieafzetting geklommen en heeft afgedwongen dat de zoektocht naar, en de berging van een van de drie dodelijk getroffen personen versneld plaatsvond.

Cocaïne lab?

In een vroeg stadium van het politieonderzoek naar de oorzaak van de explosie en de daaropvolgende brand ontstond het vermoeden dat in de bedrijfsruimte cocaïne werd bewerkt of verwerkt, maar daarvoor is uiteindelijk geen bewijs gevonden. Na de explosie is weliswaar een beperkt aantal cocaïnesporen aangetroffen op een garagedeur en een kozijndeel van de verwoeste bedrijfsruimte en op een vernielde bedrijfsauto die voor het pand had gestaan, maar deze sporen kunnen niet worden gelinkt aan het bewerken of verwerken van cocaïne in de bedrijfsruimte en ook niet aan de verdachte. Dat de verdachte, al of niet samen met anderen, daar cocaïne aanwezig heeft gehad, is ook niet te bewijzen.

Aceton, procaïne en de plaats en oorzaak van de explosie

Gebleken is dat de explosie in verband kan worden gebracht met de bewerking van procaïne, een versnijdingsmiddel voor cocaïne. Verhitting van aceton, dat zeer brandbaar is, is onderdeel van dat proces. Of er op de dag van de explosie of in de weken daarvóór bewerking van procaïne plaatsvond, is onzeker gebleven. Op basis van op de plaats delict aangetroffen sporen en gebruiksvoorwerpen en van beeldmateriaal op een telefoon die is gevonden bij een in de bedrijfsruimte overleden persoon is het wel aannemelijk dat in de bedrijfsruimte op enig moment en in ieder geval een dag eerder, op 28 januari 2024,  procaïne is bewerkt.

Technische onderzoeken hebben uitgewezen dat de bron van de explosie zich bevond in de achterste helft van de bedrijfsruimte, dat met tussenwanden was afgescheiden van de rest van die ruimte. De meest waarschijnlijke toedracht is dat daar toen een explosief aceton-luchtmengsel is ontploft. Onbekend is hoe snel een aceton-luchtmengsel wordt gevormd dat een explosie van deze kracht kan teweegbrengen. Ook is onduidelijk gebleven waardoor die ontploffing precies in gang is gezet, door bijvoorbeeld een vonkje van een elektrisch apparaat, statische elektriciteit, open vuur of een andere hittebron of nog een andere oorzaak.

Wetenschap van de verdachte?

De verdachte heeft in zijn verhoren telkens ontkend dat hij wist of kon weten wat er gedaan werd in het verder naar achter gelegen gedeelte van de bedrijfsruimte waarin de explosie heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij dit deel van de ruimte ter beschikking had gesteld aan een ander, en dat die ander dit vervolgens had afgescheiden met tussenwanden. Daarmee was dit deel van de bedrijfsruimte mogelijk aan zijn waarneming en macht onttrokken.
 

De verdachte heeft tijdens zijn verhoren vaker niet de waarheid gesproken. Zo heeft hij gelogen over het vernielen van zijn telefoon in België, kennelijk omdat daarin aanwijzingen zouden kunnen worden aangetroffen voor contacten die hij had met personen die op grote schaal in hasj handelen. Op basis hiervan kan echter niet worden geconcludeerd dat de verklaring van de verdachte over de indeling van de bedrijfsruimte ook niet klopt. En ook kan daarmee niet zijn bewering worden weerlegd dat hij niet wist of had moeten weten wat er plaatsvond in het deel van de bedrijfsruimte waar de explosie plaatsvond.

De inrichting van de bedrijfsruimte kan als gevolg van die explosie niet meer worden gereconstrueerd. Ook het dossier verschaft daarover geen duidelijkheid. Of de verklaring van de verdachte over de meest recente inrichting van de bedrijfsruimte juist of onjuist is, kan daardoor niet meer worden vastgesteld.

Direct bewijs dat de verdachte wel wist, of had moeten weten, dat er in de bedrijfsruimte procaïne werd bewerkt is niet verkregen, noch uit onderzoek aan telefoons, noch uit afgeluisterde gesprekken, noch uit de inzet van een politie-informant, noch uit camerabeelden of uit getuigenverklaringen.

Uitspraken in dit bericht

Bron: rechtspraak.nl