Strafrecht overig

Veroordeling belaging (stalking ex-partner), vrijspraak mishandeling. GS 30 dagen waarvan 29 dagen…

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
23-001824-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2177
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Veroordeling belaging (stalking ex-partner), vrijspraak mishandeling. GS 30 dagen waarvan 29 dagen voorwaardelijk. Locatie- en contactverbod. Vordering BP afgewezen gelet op vrijspraak en omdat voor het overige een wettelijke grondslag voor toewijzing ontbreekt (geestelijk letsel onvoldoende gebleken).

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001824-25

datum uitspraak: 1 april 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 17 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-117886-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1988,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 maart 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks 17 januari 2025 tot en met 15 maart 2025 te Purmerend, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door

- veelvuldig mails naar die [slachtoffer] te verzenden en/of

- veelvuldig tekstberichten naar die [slachtoffer] te verzenden en/of

- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] en/of

- meermaals zich op de houden bij/rondom de woning en/of het werk van die [slachtoffer] en/of

- meermaals zich op de houden bij de woning van de ouders van die [slachtoffer] en/of

- meermaals zich op de houden bij het kinderdagverblijf van zoon [persoon] en/of (vervolgens) zoon [persoon] zonder toestemming van die [slachtoffer] mee te nemen,

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
hij op of omstreeks 02 maart 2025 te Purmerend [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan in/tegen het gezicht, althans het hoofd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank

De raadsman heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat de politierechter zijn aanhoudingsverzoek in eerste aanleg ten onrechte heeft afgewezen.

Het hof overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het onterecht of op ontoereikende gronden afwijzen van een aanhoudingsverzoek in eerste aanleg, geen grond is voor terugwijzing door het hof in de zin van artikel 423 lid 2 Sv. In een dergelijk geval geldt het uitgangspunt dat vormverzuimen die zijn begaan gedurende de behandeling van de zaak in eerste aanleg, bij een voortbouwend appel doorgaans door de behandeling in appel zijn hersteld (zie ECLI:NL:HR:2020:756). Dat ligt in deze zaak niet anders. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

Standpunten OM en verdediging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft hij hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet voldaan is aan het bestanddeel ‘stelselmatig'. Wat betreft de onder 2 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman gesteld dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Daarbij heeft hij gewezen op tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de aangeefster en de getuige en het feit dat uit de verklaring van de huisarts niet blijkt dat zij letsel heeft waargenomen.

Oordeel van het hof

Overweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door en namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde belaging wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen, die elkaar over en weer ondersteunen, te twijfelen.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

Volgens de aangifte zou de verdachte op 2 maart 2025 [slachtoffer] tegen haar achterhoofd hebben geslagen. De verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft geslagen. De verklaringen van de aangeefster en de verdachte staan daarmee lijnrecht tegenover elkaar. Voor de vraag of sprake is van wettig en overtuigend bewijs komt het aan op de vraag in hoeverre sprake is van overtuigend steunbewijs voor de gedane aangifte. Met de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt aan de aangifte om overtuigend bewezen te achten dat de verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft begaan. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van de aan hem onder 2 tenlastegelegde mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode 19 januari 2025 tot en met 14 maart 2025 in Nederland,

wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door

- veelvuldig mails naar die [slachtoffer] te verzenden en

- veelvuldig tekstberichten naar die [slachtoffer] te verzenden en

- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] en

- meermaals zich op de houden bij/rondom de woning van die [slachtoffer] ,

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Wat onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen met aftrek, waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf voor de duur van 180 uren. Daarnaast heeft de politierechter op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contact- en gebiedsverbod opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de politierechter is opgelegd, met dien verstande dat de maatregel opnieuw dadelijk uitvoerbaar verklaard moet worden en de looptijd van twee jaren pas ingaat op de datum dat het hof arrest wijst.

De raadsman heeft, indien het hof toch tot strafoplegging komt, verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, zonder contact- en gebiedsverbod. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de looptijd van de 38v-maatregel niet opnieuw in te laten gaan.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. De verdachte heeft stelselmatig op verschillende manieren contact met haar gezocht. Door zijn handelswijze heeft de verdachte op indringende wijze een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster en heeft hij gevoelens van onrust en angst bij haar veroorzaakt, wat blijkt uit haar slachtofferverklaring.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2026 blijkt onder meer dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte het hem opgelegde contact- en gebiedsverbod tussentijds heeft overtreden. Het hof acht het van belang dat dit zo blijft. De verdachte toonde ter terechtzitting in hoger beroep hoezeer hij het hartgrondig – en met een geladen houding – oneens is met wat door en namens de aangeefster over deze strafzaak naar voren wordt gebracht en houdt in het oog dat zij samen een kind hebben. Om de verdachte ervan te doordringen dat hij zich dient te onthouden van het stelselmatig lastigvallen en van voor het slachtoffer bedreigende feiten (en overige strafbare feiten), ziet het hof aanleiding aan de verdachte een voornamelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen met aftrek, waarvan

29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden, in combinatie met de hieronder opgenomen maatregel.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Het hof ziet, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten in de richting van de aangeefster, daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkte maatregel op te leggen, bestaande uit een contact- en gebiedsverbod voor de duur van vijf jaren, waarbij de verdachte zich dient te onthouden van ieder contact met het slachtoffer en zich niet mag begeven in de in het dictum genoemde gebied. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en het gegeven dat de verdachte herhaaldelijk de wensen van het slachtoffer en een waarschuwing van de politie heeft genegeerd. De verdachte volhardde in zijn ongewenste gedrag, zelfs nadat hem duidelijk was gemaakt dat hij daarmee de grenzen van het slachtoffer en de wet overschreed. Oplegging van deze maatregel moet de verdachte ervan weerhouden het slachtoffer (opnieuw) te belagen.

Om de maatregel kracht bij te zetten geldt dat iedere overtreding door de verdachte wordt gesanctioneerd met vervangende hechtenis van zeven (7) dagen, met een maximum van zes (6) maanden.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, om de redenen die hierboven reeds zijn uiteengezet.

Volledigheidshalve merkt het hof op dat de vrijheidsbeperkende maatregel een wettelijk maximum van vijf jaren kent. Gelet op het feit dat deze maatregel reeds van kracht is sinds het wijzen van het eerdere vonnis op 17 juli 2025, zal het hof bevelen dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de door het hof opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade. Blijkens de toelichting op de vordering ziet een deel daarvan – groot € 1.000,00 – op feit 1 en heeft een deel van

€ 500,00 betrekking op feit 2. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen overeenkomstig de politierechter.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dan wel sterk gematigd moet worden. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat het gestelde psychische letsel onvoldoende is onderbouwd en niet duidelijk is in hoeverre dat in verband staat met het tenlastegelegde dan wel eerdere (traumatische) ervaringen.

Oordeel van het hof

Voor zover de vordering ziet op immateriële schade ten gevolge van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling (te weten € 500,00) is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van haar vordering, gelet op de voor dit feit gegeven vrijspraak.

Voor de overig gevorderde € 1.000,00 aan immateriële schade ten gevolge van de onder 1 bewezen verklaarde belaging geldt het volgende.

Het hof stelt voorop dat artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar kan zich ook voordoen indien uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Blijkens de toelichting op de vordering is deze toegeschreven op deze laatste categorie, die van de aard en ernst van de normschending.

Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld – hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn – ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW vanwege de aard en ernst van de normschending en het hof is onvoldoende gebleken dat geestelijk letsel is opgelopen. Anders dan waarop de toelichting van deze vordering is toegeschreven, doet zich hier geen situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dit betekent dat het hof van oordeel is dat een wettelijke grondslag voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade ontbreekt. De vordering zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 29 (negenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende:

? dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in/op (delen van) de volgende straten in Purmerend en het gebied daarbinnen:

- [straat 1]

- [straat 2]

- [straat 3]

- [straat 4]

- [straat 5]

- [straat 6]

- [straat 7] (vanaf kruising met [straat 8] tot en met kruising met [straat 9] )

- [straat 9]

- [straat 10]

- [straat 11]

- [straat 12] (vanaf de kruising met [straat 13] tot en met kruising [straat 14]

(vanaf de kruising met [straat 12] tot en met kruising [straat 15] )

waarbinnen de volgende adressen liggen:

- [adres 2] ;

- [adres 3] ;

- [adres 4] ,

EN

zich niet ophoudt in/op (delen van) de volgende straten te Amsterdam en het gebied daarbinnen:

- [straat 16] (vanaf kruising [straat 17] tot en met kruising met [straat 18] );

- [straat 18] ;

- [straat 19] ;

- [straat 20] ;

- [straat 21] ;

- [straat 22] ;

- [straat 17] (vanaf kruising met [straat 23] tot en met kruising [straat 16]

,

waarbinnen het volgende adres ligt: [adres 5] .

? dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met

[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1994 te [geboorteplaats 2] .

Enige uitzondering op het contactverbod:

Veilig Thuis heeft de wettelijke taak om in zaken van huiselijk geweld en/of kindermishandeling de veiligheid te taxeren en veiligheidsvoorwaarden op te stellen. In die veiligheidsvoorwaarden kunnen contactmomenten worden toegekend of voorgeschreven. Als daarvan sprake is, gelden de in de veiligheidsvoorwaarden genoemde contactmomenten als uitzondering op het contactverbod. Voor deze contactmomenten is uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Veilig Thuis nodig. In het geval dat Veilig Thuis de casus overdraagt aan een hulpverlenende instantie kan deze instantie, enkel in het kader van de hulpverlening aan de veroordeelde, schriftelijke toestemming geven om tijdelijk van dit contactverbod af te wijken.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst af de ter zake van feit 1 ingediende vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar ter zake van feit 2 ingediende vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. R. van der Heijden en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2026.

=========================================================================

[…]