Strafrecht overig
Beperkt ingesteld hoger beroep. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbepaling conform…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2343 · Gerechtshof Amsterdam · 13 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2343
Zaakgegevens
Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-001519-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2343
Samenvatting
Beperkt ingesteld hoger beroep. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001519-23
datum uitspraak: 13 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-271158-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2000,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Het vonnis waarvan beroep en de omvang van het appel
De verdachte is ter zake van de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en gedragsinterventie alcohol en geweld. Tegen dit vonnis is door de verdediging op 8 mei 2023 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij akte van 22 juli 2026 is het hoger beroep ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 ingetrokken.
Dit betekent dat slechts het onder 4 tenlastegelegde feit in hoger beroep aan de orde is. Het hof zal het vonnis voor wat betreft de beslissingen over dit feit vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
4.
hij op of omstreeks 22 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, op of aan de openbare weg, Weteringschans, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] door voornoemde [benadeelde partij] (met een vuist) op/tegen een oog en/of de slaap te slaan en/of te stompen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, voor die [benadeelde partij] (het hof begrijpt [benadeelde partij]) ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft bij pleidooi overeenkomstig zijn pleitaantekeningen vrijspraak bepleit, omdat het onder 4 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld door de medeverdachte richting [benadeelde partij] en dat ook geen sprake is geweest van enige (bewuste) ondersteuning, dan wel instemming door de verdachte.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] gewelddadig gedrag vertoonde jegens zowel beveiligers als verbalisanten op straat, voor de ingang van uitgaansgelegenheid Paradiso. Toen zij bij de ingang werden geweigerd door portier [persoon] , werden ze agressief tegen het personeel van Paradiso. De verdachte bedreigde [persoon] met de woorden “Ik ga je schieten” en gaf hem vervolgens een klap. Toen beveiliger [benadeelde partij] tussenbeide sprong, werd hij tweemaal door [medeverdachte] geslagen. Vervolgens werden de verdachte en [medeverdachte] door andere medewerkers tegen de grond gewerkt en vastgehouden tot de politie arriveerde. Toen de politie gearriveerd was, pakte verbalisant [benadeelde partij] de verdachte van achter om zijn nek vast en zei hem dat hij moest stoppen met agressief doen en schreeuwen. Toen [benadeelde partij] de verdachte daarop weer losliet, liep de verdachte meteen weer op het opstootje af en hervatte zijn agressieve gedrag. Vervolgens greep hij [benadeelde partij] bij zijn keel. [benadeelde partij] pakte toen zijn stroomstootwapen en liet deze knetteren als waarschuwingsteken. Daarop riep de verdachte “Taser me dan!” en greep hij verbalisant [verbalisant] bij zijn steekvest. [benadeelde partij] heeft de verdachte vervolgens getaserd, waarna hij op de grond viel. Vrijwel direct daarna werd [benadeelde partij] op zijn oog geslagen door [medeverdachte] .
In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat de verdachte een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging jegens [benadeelde partij] . Immers blijkt uit het voorgaande dat de verdachte steeds bewust tezamen met [medeverdachte] de confrontatie aanging met de medewerkers van Paradiso en de gearriveerde verbalisanten, waarbij zij zowel verbale als fysieke agressie toonden. Er is sprake van een gezamenlijk gewelddadig optreden. Door met zijn gedrag en de woorden “Taser me dan!” [benadeelde partij] ertoe te bewegen om hem te taseren, heeft de verdachte bijgedragen aan een verdere sfeer van ontremming, waarin [medeverdachte] overging tot geweld tegen [benadeelde partij] . Dat het niet de verdachte zelf is geweest die de klap op het oog van [benadeelde partij] heeft gegeven, maakt dat niet anders. Het hof verwerpt het verweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4.
hij op 22 oktober 2022 te Amsterdam, openlijk, op of aan de openbare weg, Weteringschans, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] door voornoemde [benadeelde partij] tegen een oog te slaan.
Hetgeen onder 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals de rechtbank die heeft opgenomen en uitgewerkt in de aanvulling verkort vonnis onder bewijsmiddel 7 en 8. Het hof neemt deze bewijsmiddelen over en maakt deze tot de zijne.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde uitsluit.
Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en gedragsinterventie alcohol en geweld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 4 zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, te vervangen door 45 dagen hechtenis, en dat het hof de straf voor feiten 1, 2, 3 en 5 zal bepalen op een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
Nu het hoger beroep enkel is gericht tegen het onder feit 4 tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van de onder feiten 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.
Het hof bepaalt deze straf op een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
Oplegging van straf en maatregel voor feit 4
De raadsman heeft verzocht in geval van een bewezenverklaring ten voordele van de verdachte rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn, toepassing van artikel 63 Sr en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die in de afgelopen jaren ten positieve zijn gewijzigd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens politieagent [benadeelde partij] voor de ingang van een drukbezocht Paradiso tijdens
het Amsterdam Dance Event. Door zo te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan een voor deze ambtenaar en omstanders intimiderende situatie, terwijl de betreffende verbalisant daar juist ter plaatse was om bijstand te verlenen. Uit de onderbouwing bij de vordering benadeelde partij blijkt duidelijk wat de negatieve gevolgen van het geweld zijn geweest voor [benadeelde partij] . Het hof acht de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ernstig en kwalijk, temeer nu het feit is gepleegd tijdens een drukbezocht evenement en tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn functie.
Verder heeft het hof acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 13 juli 2026.
De ernst van het feit en de impact daarvan op verbalisant [benadeelde partij] maakt naar het oordeel van het hof de door de advocaat-generaal geëiste taakstraf voor de duur van 90 uren, te vervangen door 45 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof stelt wel vast dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Die overschrijding betreft een jaar en drie maanden. Om die reden zal het hof de taakstraf met 40 uren verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 650,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte in zijn persoon is aangetast. Door de klap op zijn oog heeft de benadeelde partij een forse bult en een hersenschudding opgelopen. Hij heeft twee weken niet kunnen werken en had naderhand last van onder meer hoofdpijn, prikkels en duizeligheid. Op grond van artikel 6:106 aanhef onder b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Nu deze schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van verdachte en zijn mededader, is ieder verplicht tot vergoeding van dezelfde schade. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Verder heeft het hof bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijk integriteit van de benadeelde partij is gemaakt. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade vast op de gevorderde € 650,00. Hiervoor is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk.
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf de pleegdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
De hoofdelijke aansprakelijkheid brengt mee dat voor zover dit schadebedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die betalingsverplichting zal zijn bevrijd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde op:
een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededader [medeverdachte] hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader [medeverdachte] aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. R.A.E. van Noort en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 augustus 2026.
Mr. A.J. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]