Strafrecht overig

Onder invloed rijden. Vrijspraakverweer inhoudende dat niet conform artikel 6, eerste lid, van de Regeling…

Zaakgegevens

Op 16 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 maart 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
23-002721-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2511
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Onder invloed rijden. Vrijspraakverweer inhoudende dat niet conform artikel 6, eerste lid, van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer is genoteerd dat ten minste 3 milliliter bloed is afgenomen en dat daarom geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verweer verworpen. Veroordeling.

Uitspraak

Inhoudsopgave

proces-verbaal terechtzitting

[afbeelding niet beschikbaar]

GERECHTSHOF AMSTERDAM

datum arrest 16 maart 2026

parketnummer 23-002721-24

datum vonnis eerste aanleg 12 november 2024

parketnummer 96-214592-24

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 16 maart 2026.

Tegenwoordig:

mr. N.A. Schimmel raadsheer,

en B.F. van den Kommer griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B. Selier, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op vragen van de raadsheer te zijn:

[verdachte]

geboren [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Urbanus, advocaat te Amsterdam.

De raadsheer vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij zegt dat hij de straf te zwaar vindt.

De raadsvrouw vult aan dat eveneens een bewijsverweer gevoerd zal gaan worden.

De raadsheer geeft een samenvatting van het dossier.

De verdachte verklaart:

Ik ben mij bewust van de gevaren van rijden onder invloed. Het is mij een raadsel hoe het kan dat ik nog steeds onder invloed was. Ik heb namelijk een tijd van 13 uren in acht genomen. Normaal zou dat dan goed moeten gaan.

Desgevraagd geven de advocaat-generaal en de raadsvrouw te kennen geen vragen te hebben en geen behoefte hebben aan het nader voorhouden van stukken.

In het kader van de persoonlijke omstandigheden houdt de raadsheer een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2026 voor en deelt mede dat het bepaalde uit artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De verdachte verklaart aangaande zijn persoonlijke omstandigheden:

Ik heb schulden, zo rond de 40.000 euro. Ik zit in een schuldhulptraject en wij zijn nu bezig om bewind aan te vragen. Ik heb geen baan en ik krijg een daklozenuitkering. Ik ben wel bezig met een opleiding om vrachtwagenchauffeur te worden. Mijn adres betreft een kamer die ik sinds een maand heb. Ik ben gescheiden en heb met mijn ex een zoontje van twee jaren oud. Voor mij is het behouden van mijn rijbewijs belangrijk, want dan kan ik mijn zoontje ophalen. Ik ben zes jaar geleden gepakt met een glaasje te veel op. Deze zaak valt net één maand voor de vijf-jaarstermijn. Dat betekent dat als ik veroordeeld word, mijn rijbewijs afgepakt wordt. Dat is ook de reden van het hoger beroep.

Desgevraagd geven de advocaat-generaal en de raadsvrouw te kennen geen vragen te hebben voer de persoonlijke omstandigheden.

De advocaat-generaal rekwireert tot een bewezenverklaring en leest de vordering voor. Deze wordt aan het hof overgelegd en dit stuk wordt in het dossier gevoegd.

De raadsvrouw voert het woord aan de hand van haar pleitaantekeningen en legt deze over aan het hof. Dit stuk wordt in het dossier gevoegd en de inhoud geldt als hier ingevoegd. In aanvulling daarop voert zij aan:

Primair verzoek ik het hof om mijn cliënt schuldig te verklaren maar geen straf op te leggen en subsidiair om de geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen.

De advocaat-generaal persisteert.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.

De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.

= = = = = = = = = =

AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,3 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de verdachte is bloed afgenomen en op grond van artikel 6, eerste lid, van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer dient daarbij ten minste 3 milliliter bloed te worden afgenomen. Uit het dossier volgt niet hoeveel bloed daadwerkelijk is afgenomen. zodat niet kan worden vastgesteld dat aan dit voorschrift is voldaan. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:780), dat dit een strikte waarborg betreft en dus niet alle waarborgen die zien op de betrouwbaarheid van de resultaten zijn nageleefd. Dit moet leiden tot de vrijspraak van de verdachte, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft geen standpunt ingenomen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal volgt dat het bloed bij de verdachte is afgenomen conform de vereisten van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Het hof gaat er daarom vanuit dat het bloedonderzoek overeenkomstig de geldende voorschriften, dat wil zeggen inclusief de afname van tenminste 3 milliliter bloed, heeft plaatsgevonden, ook al is de exacte hoeveelheid afgenomen bloed niet afzonderlijk in het dossier vermeld.

Het hof ziet aanleiding om ten overvloede als volgt te overwegen. Van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omkleed. Tot die strikte waarborgen behoren uitsluitend voorschriften die strekken tot waarborging van de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek als zodanig. Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, waarin is bepaald welke minimale hoeveelheid bloed dient te worden afgenomen, strekt naar het oordeel van het hof niet tot waarborging van de betrouwbaarheid van het onderzoek. Een grotere of kleinere hoeveelheid bloed leidt immers niet tot een ander onderzoeksresultaat. Het hof gaat ervan uit dat dit voorschrift ertoe strekt te waarborgen dat voldoende bloed beschikbaar is, onder meer voor het geval de verdachte gebruik wenst te maken van de mogelijkheid van tegenonderzoek. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot tegenonderzoek en evenmin is gesteld of gebleken dat een dergelijk tegenonderzoek wegens een tekort aan bloed niet mogelijk was.

De verdediging heeft zich beroepen op een eerdere beslissing van het hof, waarin is geoordeeld dat het voorschrift omtrent de minimaal af te nemen hoeveelheid bloed moet worden aangemerkt als een strikte waarborg. Het hof ziet thans aanleiding om dat oordeel te nuanceren.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,3 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Bewijsmiddelen

De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.

  1. Een proces-verbaal rijden onder invloed van 15 oktober 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegd opsporingsambtenaren, pagina’s 2-5;

  2. Een proces-verbaal verhoor verdachte van 15 oktober 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina’s 11-12;

  3. Een geschrift, zijnde een rapport drugs in verkeer van 14 november 2023, opgesteld door Dr. [persoon] , pagina’s 20-22.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8. vijfde lid, van de Wegenverkeerwet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ter zake het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van 850 euro, bij niet betalen te vervangen door 17 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 15 uren, bij niet verrichten te vervangen door 7 dagen hechtenis met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een personenauto bestuurd op de openbare weg terwijl hij onder invloed verkeerde van cannabis. Door aldus te handelen heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs een nadelige invloed heeft op de rijvaardigheid.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat sprake is van een soortgelijk misdrijf in de zin van artikel 43b van het Wetboek van Strafrecht, nu de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Aldus is sprake van recidive.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Daarbij heeft met name zijn financiële situatie, waaronder zijn schuldenproblematiek, een belangrijke rol gespeeld.

Alles afwegende acht het hof het passend en geboden om, overeenkomstig het verzoek van de verdediging, een geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen. Daarnaast zal het hof een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen, eveneens geheel voorwaardelijk, teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

Gelet op de ernst van het feit en de recidive van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is bepleit. Het hof acht een dergelijke afdoening in dit geval niet passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De raadsheer geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.