Strafrecht overig
Verdachte is n-o t.a.v. de in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Bevestiging van het vonnis waarvan beroep…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2590 · Gerechtshof Amsterdam · 8 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2590
Zaakgegevens
Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 september 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000766-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2590
Samenvatting
Verdachte is n-o t.a.v. de in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Bevestiging van het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behalve t.a.v. de duur van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, de beslissing om bijzondere voorwaarden op te leggen en de duur van de aan de voorwaardelijke straf verbonden proeftijd (in zoverre vernietiging) en met dien verstande dat het hof een aanvullende overweging opneemt ten aanzien van de straf en reageert op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000766-26
datum uitspraak: 8 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 maart 2026 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-144983-25 en 02-403725-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 02-403725-24 onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Dit betekent dat dit feit in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan de orde, en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de duur van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie en de in het vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden, die het hof niet zal opleggen, en de duur van de aan de voorwaardelijk opgelegde straf verbonden proeftijd - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof een aanvullende overweging opneemt ten aanzien van de straf en reageert op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan. De raadsman heeft verzocht het geluidsfragment van het op pagina 67 in het procesdossier (15-144983-25) uitgewerkte tapgesprek van 20 mei 2025 aan de processtukken toe te voegen, doch uitsluitend indien het hof dat geluidsfragment tot het bewijs zal bezigen of in een bewijsoverweging zal opnemen.
Het hof overweegt als volgt.
In het door het hof bevestigde vonnis waarvan beroep is het aan het geluidsfragment ten grondslag liggende proces-verbaal van bevindingen ‘uitwerking tap [nummer]’ niet tot het bewijs gebezigd noch in een bewijsoverweging opgenomen. Hiermee is de voorwaarde die de raadsman aan het voorwaardelijk verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet vervuld zodat het verzoek geen verdere bespreking meer behoeft.
Overwegingen van het hof ten aanzien van de opgelegde straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden, te weten dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en moet meewerken met de begeleiding en hulpverlening vanuit Co-Fiducia. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf opgelegd van 100 uren, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 61 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie als bijzondere voorwaarde zal worden verbonden dat de verdachte zich meldt bij de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers, afdeling jeugdreclassering, doch uitsluitend voor de delict bespreking. De advocaat-generaal heeft in haar strafeis ten aanzien van de bijzondere voorwaarde en de proeftijd uitdrukkelijk rekening gehouden met de proceshouding van de verdachte. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wat betreft de taakstraf conform het vonnis waarvan beroep zal worden veroordeeld.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de straf gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met wat de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging heeft overwogen in paragraaf 6.3 van het vonnis, met uitzondering van de overwegingen met betrekking tot de bijzondere voorwaarden en de aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden proeftijd. Het hof vult de overwegingen als volgt aan.
De Raadsonderzoeker, mevrouw [persoon], heeft ter terechtzitting in hoger beroep geadviseerd om aan de verdachte bij een bewezenverklaring in hoger beroep een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan zijn voorarrest. De Raad heeft – kort samengevat – geadviseerd om aan het voorwaardelijk strafdeel geen bijzondere voorwaarden meer te verbinden, omdat het coachingtraject bij Co-Fiducia reeds is afgerond, er geen zorgen zijn op de leefgebieden en de Raad gezien de ontkennende proceshouding van de verdachte geen meerwaarde ziet in de begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de delict bespreking.
Bijzondere voorwaarden
Uit het advies van de Raadsonderzoeker en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, trekt het hof de conclusie dat er geen aanleiding is om de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden te handhaven. Het hof ziet ook geen meerwaarde in de door de advocaat-generaal in hoger beroep voorgestelde bijzondere voorwaarde tot verdere begeleiding van de jeugdreclassering uitsluitend ter bespreking van het delict. De verdachte is ook in hoger beroep het onder 1 primair bewezenverklaarde feit stellig blijven ontkennen en niet valt te verwachten dat deze proceshouding op afzienbare termijn zal veranderen. Hoewel het hof in dat verband de zorgen deelt over de gewetensontwikkeling van de verdachte, ziet het hof daarom geen heil in de oplegging van de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de delict bespreking.
Voorarrest en proeftijd
Het hof merkt ten aanzien van het voorwaardelijk strafdeel van de jeugddetentie op dat de verdachte in eerste aanleg 29 dagen heeft doorgebracht in voorarrest, zodat het voorwaardelijk strafdeel van de jeugddetentie dient te worden bepaald op 61 dagen in plaats van 62 dagen.
Met de advocaat-generaal is het hof verder van oordeel dat een proeftijd van twee jaren in plaats van één jaar gelet op de ernst van de feiten en de proceshouding van de verdachte passend en geboden is. Het hof zal daarom bepalen dat de aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden proeftijd zal worden bepaald op 2 jaren.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-403725-24 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de duur van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, de bijzondere voorwaarden (die door het hof niet worden opgelegd) en de duur van de proeftijd die aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf is verbonden en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 61 (eenenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. C.A. Boom en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.
Mr. M.T.C. de Vries en mr. M.K. Durdu-Agema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen,