[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats],
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats 1].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder:
- feit 1 eerste cumulatief/alternatief;
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 16, 17 en 21;
- feit 2;
- feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) , 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21;
- feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’.
De verdachte is ter zake van hetgeen overigens aan hem is tenlastegelegd, te weten:
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief (zaaksdossier 1);
- feit 3 (zaaksdossiers 1 en 14);
- feit 4 primair;
- feit 5 (zaaksdossier 1 en de eerste twee gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’) en
- feit 6,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.
Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 11 juli 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.
Hierbij zijn het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van:
- feit 1 eerste cumulatief/alternatief;
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) 2, 7, 13, 16, 17 en 21;
- feit 2;
- feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21;
- feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’.
Ten aanzien van het aan de verdachte tenlastegelegde onder:
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief;
- feit 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief;
- feit 4 primair;
- feit 5 eerste cumulatief/alternatief; en
- feit 6,
is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 17 december 2024 het arrest van het gerechtshof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen over de onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde verduistering en de strafoplegging, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de voor feit 5 uitgesproken verbeurdverklaring. De Hoge Raad heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde (de verduistering). De zaak is naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde deze ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen, met uitzondering van de eerdergenoemde opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de uitgesproken verbeurdverklaring. Voor het overige is het cassatieberoep verworpen.
Gelet op voormelde procesgang is – met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 17 december 2024 – het vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de uitgesproken verbeurdverklaring.
De bewezenverklaring en strafbaarheid zijn in deze procedure dus niet meer aan de orde en zijn door het arrest van de Hoge Raad reeds onherroepelijk geworden.
Waar hierna wordt gesproken van “de zaak” of “het vonnis”, wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van mr. [curator], curator in het faillissement van [bedrijf 2].
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof tot de oplegging van een andere straf komt dan de rechter in eerste aanleg. Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof zich niet uitlaten over een op te leggen schadevergoedingsmaatregel, omdat dat buiten de opdracht tot terugwijzing valt en derhalve niet aan zijn oordeel onderworpen is.
De raadsman heeft het hof verzocht niet over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar te volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte zijn leven thans een positieve wending heeft gegeven en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dat zou doorkruisen.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, oplichting , bedrieglijke bankbreuk, gewoontewitwassen en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. De verdachte heeft vele (manipulatieve) middelen ingezet met als uitsluitend doel gelden van anderen te eigen bate aan te wenden en zonder ook maar enig oog te hebben voor de financiële problemen die hij daarmee bij die anderen veroorzaakte. [slachtoffer] is als gevolg van de op frauduleuze wijze verkregen geldlening op zijn naam met een grote schuld blijven zitten, terwijl het met die lening gemoeide geld via een buitenlandse rechtspersoon waarbij de verdachte betrokken was, in elk geval mede aan de verdachte ten goede is gekomen.
De verdachte heeft voorts een bedrijf dat hij had aangekocht feitelijk leeggehaald waardoor het bedrijf failliet is gegaan. De verdachte heeft hiermee de werknemers en de schuldeisers benadeeld.
De omvang van het witwassen blijkt met name uit hetgeen is overwogen en bewezenverklaard door dit hof met betrekking tot de criminele organisatie die gericht was op het plegen van gewoontewitwassen. Vele rechtspersonen hebben zich gedurende enige jaren systematisch bezig gehouden met het witwassen van bedragen tot een totaal van ten minste € 890.000,-. Dit bedrag is in contanten via de verschillende, aan de verdachte gelieerde, rechtspersonen weggesluisd. De verdachte heeft bij dit alles een leidende rol vervuld en fungeerde als spin in het web. Hij heeft, via diverse katvangers, de rechtspersonen bestuurd en gaf aldus leiding aan de criminele organisatie en daarmee aan het witwassen.
Ook ten aanzien van het witwassen geldt dat de verdachte zich enkel heeft laten leiden door eigen geldelijk gewin en geen oog heeft gehad voor de belangen van anderen, bijvoorbeeld slachtoffers, werknemers en katvangers, die allen met grote schulden achterbleven. Daarnaast houden dergelijke witwaspraktijken het plegen van criminele activiteiten in stand en bevorderen die praktijken die criminele activiteiten. Witwassen vormt bovendien een ernstige bedreiging van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer .
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft ook plaatsgevonden nadat de in deze zaak bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft daarmee rekening gehouden.
Gelet op de aard, omvang en ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten kan naar het oordeel van het hof, anders dan zoals bepleit door de raadsman, niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat gezien de relatieve ouderdom van de zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof neemt echter in aanmerking dat de verdachte, anders dan bij de rechtbank en bij de eerste inhoudelijke behandeling door dit hof, nu meer het strafwaardige en het laakbare van zijn handelen lijkt in te zien. Ook is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte zijn leven inmiddels een positieve wending lijkt te hebben gegeven. Na het volgen van systeemtherapie heeft de verdachte de keuze gemaakt om vanuit detentie te beginnen aan een opleiding. De verdachte volgt momenteel de opleiding tot psychosociaal counselor (hbo-niveau). Uit een aan het hof overgelegd bericht van een medewerker van Team onderwijs van het [verblijfplaats 2] blijkt dat de verdachte een sterke motivatie en betrokkenheid bij zijn studie toont. De verdachte is voornemens in de nabije toekomst te starten met de deeltijdopleiding HBO bachelor Toegepaste Psychologie en daarnaast stage te lopen. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat de penitentiaire inrichting hem hiervoor ook de ruimte geeft in de vorm van verlof.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsrapport van 25 oktober 2024, welke is opgemaakt ten behoeve van een andere – hoewel grotendeels betrekking hebbend op soortgelijke feiten – strafzaak tegen de verdachte. Uit dit rapport komt onder meer naar voren dat er bij de verdachte al vanaf 23-jarige leeftijd een patroon van delictpleging bestaat in de sfeer van de in deze zaak bewezenverklaarde feiten. Ook constateert de reclassering een groot aantal risicoverhogende factoren. Beschermende factoren ziet de reclassering eveneens op veel leefgebieden, veelal ontstaan onder invloed van de corrigerende werking van detentie. De reclassering rapporteert dat de verdachte integer overkomt in zijn proces van afstand nemen van criminaliteit, waarbij hij zijn langdurige delictgedrag erkent. Dit is het hof ook gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Een andere beschermende factor is het behouden van de huisvesting van de verdachte, evenals de relatie met zijn partner en gezin. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte nog steeds op dagelijkse basis contact heeft met zijn gezin, waarbinnen hij na detentie weer welkom is.
Het hof is met inachtneming van de hiervoor geschetste omstandigheden van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De verdachte is op 28 januari 2014 in verzekering gesteld en door de rechtbank is op 22 april 2016 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg met ongeveer 3 maanden is overschreden.
Op 4 mei 2016 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft op 11 juli 2022 voor de eerste maal arrest gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 4 jaar en 2 maanden is overschreden.
Vervolgens is op 14 november 2022 namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 17 december 2024 arrest gewezen. Dat maakt dat de redelijke termijn in cassatie met ongeveer vijf maanden is overschreden.
Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de op te leggen straf. Het hof zal daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 140, 225, 326, 343 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.