Hoge Raad, cassatie strafrecht overig

ECLI:NL:HR:2024:1867

Op 17 December 2024 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22/02534, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2024:1867.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22/02534
Datum uitspraak:
17 December 2024
Datum publicatie:
12 December 2024

Indicatie

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr), oplichting (art. 326.1 Sr) en verduistering (art. 321 Sr), en gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1 Sr). 1. Bewijsklacht m.b.t. beschikkingsmacht verdachte over € 29.000 i.v.m. hoedanigheid als zaakvoerder. 2. Bewijsklachten oplichting. 3. Verbeurdverklaring horloge, art. 33a.1.a Sr. Kon hof verbeurdverklaring baseren op art. 33a.1.a Sr, nu feiten mede zijn begaan voor inwerkingtreding van dat artikel? 4. Verjaring verduistering, art. 70.1.2 jo. 72 Sr.

Ad 1., 2. en 3. HR: art. 81.1 RO.

Ad 4. HR (ambtshalve): Om redenen vermeld in CAG is verduistering verjaard. HR zal OM in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in vervolging. CAG: Verjaringstermijn van art. 72.2 Sr is aangevangen op 15-9-2011, zodat recht tot strafvordering is vervallen per 15-9-2023. Feit is verjaard na indiening schriftuur, zodat in cassatie hierover niet kon worden geklaagd.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verduistering en strafoplegging (met uitzondering van schadevergoedingsmaatregel en verbeurdverklaring), n-o verklaring OM t.a.v. verduistering en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02534

Datum 17 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juli 2022, nummer 22-002171-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

Procesverloop

1
Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft (de duur van) de opgelegde gevangenisstraf, in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Overwegingen

2
Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3
Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
3.1

De Hoge Raad is van oordeel dat het onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit (verduistering) is verjaard. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 23 en 24.

3.2

De Hoge Raad zal het openbaar ministerie voor dit feit niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Beslissing

4
Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde verduistering en de strafoplegging, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de voor feit 5 uitgesproken verbeurdverklaring;

- verklaart het openbaar ministerie voor het onder 3 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de hiervoor genoemde opgelegde schadevergoedingsmaatregel en uitgesproken verbeurdverklaring, opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.