II. Bewezenverklaring en bewijsvoering
3. Ten laste van de verdachte is voor zover hier van belang bewezenverklaard dat:
“1. hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, te weten
- Een werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] en
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] betreffende de periode februari 2009 en
- Een bankafschrift van ING bank d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 1]
bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat
(ZD-01)
- in voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] vermeld stond dat [betrokkene 1] in dienst was per 1 januari 2009 en een fulltime salaris ontving van 3.680 euro (per maand) en in de maand februari een bedrag van 2.473,84 op de bankrekening [rekeningnummer] betaald had gekregen, terwijl die [betrokkene 1] niet (langer) werkzaam was bij [bedrijf 1] B.V., en
- in voornoemde werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] vermeld stond dat [betrokkene 1] per 1 januari 2009 in dienst was in de functie van accountmanager en/of een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd en een bruto jaarsalaris ontving van 44.160 euro, terwijl die [betrokkene 1] niet werkzaam was bij [bedrijf 1] B.V., en
- in voornoemd bankafschrift van ING bank d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 1] vermeld stond dat op 23 februari 2009 een bedrag groot € 2.473,84 aan salaris gestort was door [bedrijf 1] B.V. terwijl die [betrokkene 1] geen salaris van voornoemd bedrijf had ontvangen
bestaande dat gebruikmaken hieruit dat hij, verdachte
- voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 1] B.V. en voornoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 1] B.V. en voornoemd bankafschrift van ING bank had aangeleverd teneinde een krediet te verkrijgen’
3.
hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een (rechts)persoon, te weten:
- Crédit Agricole Deveurope
heeft bewogen tot de afgifte van een goed te weten
- een krediet van 29.000 euro
immers heeft verdachte toen en daar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
1) valse geschriften, te weten
- Een werkgeversverklaring d.d 6 maart 2009 van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] en
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 1] B.V. op naam van [betrokkene 1] betreffende de periode februari 2009 en
- Een bankafschrift van ING bank d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 1]
aan voornoemde rechtspersoon aangeleverd of laten aanleveren
terwijl hij, verdachte, wist dat die documenten vals waren,
waardoor voornoemde rechtspersoon werd bewogen tot het afgeven van bovenomschreven geldbedrag
hij in de periode van 13 september 2011 tot en met 14 september 2011 in Nederland opzettelijk een geldbedrag van 20.000 euro,
welk geldbedrag toebehoorde aan [betrokkene 2] ,
en welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten doordat die [betrokkene 2] voornoemde geldbedrag had overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 2] N.V., onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend (door voornoemd daags na de storting op de bankrekening van [bedrijf 2] N.V. contant van deze rekening op te nemen en/of door te storten naar een andere bankrekening in Nederland en/of door te storten naar een bankrekening in Jamaica;
5.
hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen,
immers heeft hij, verdachte (telkens) van voorwerpen bestaande uit geldbedragen, te weten
- een geldbedrag van 29.000,- euro en
- een geldbedrag van (in totaal) 106.590,- euro en
- een geldbedrag van (in totaal) 47.100,- euro (aangetroffen bij de aanhouding van verdachte)
de herkomst en de vindplaats verhuld en die geldbedragen voorhanden gehad en omgezet terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
4. De bewezenverklaringen van de feiten 1, 3 eerste alternatief en 5 steunen onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
“6. Een geschrift, zijnde afschriften betaalrekening op naam van [betrokkene 1] , d.d. 21 april 2009. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/1 De Hoge Kamp 7, p. 260 en 261):
Op 23 februari 2009 is er geen salarisbetaling ontvangen van [bedrijf 1] . Op 17 maart 2009 is van de rekening [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 1] een bedrag van € 29.000,- overgemaakt naar [bedrijf 3] BVBA.
7. Een geschrift, zijnde een afschrift van een oprichtingsakte van [bedrijf 3] , als bijlage bij het Belgisch Staatsblad - 07/03/2005. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/1 De Hoge Kamp 7, p. 265):
[bedrijf 3] Besloten Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid (BVBA) is op 24 februari 2005 opgericht en gevestigd te Antwerpen. De vennootschap wordt bestuurd door [verdachte] , zaakvoerder aan wie volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid is toegekend.”
5. De bewijsoverwegingen van het hof luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
“Zaaksdossier 1
Zaaksdossier 1 heeft, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, betrekking op een kredietovereenkomst met Crédit Agricole Deveurope B.V. (hierna: Crédit Agricole) op naam van [betrokkene 1] . Onder feit 1 is het gebruik van (ver)vals(t)e stukken ten laste gelegd en onder feit 3 de oplichting van Crédit Agricole. Onder feit 5 is het witwassen van het met die oplichting verkregen bedrag van € 29.000,- ten laste gelegd.
[…]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 februari 2009 is bij Interbank N.V., een werkmaatschappij van (indertijd) Crédit Agricole een kredietaanvraag gedaan op naam van [betrokkene 1] voor een bedrag van € 30.000,-. Na voorlopige goedkeuring van de aanvraag zijn in het kader van de definitieve verstrekking stukken op naam van [betrokkene 1] overgelegd. Daarbij gaat het onder andere om een salarisspecificatie over de maand februari 2009. Hierop staat [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) als werkgever vermeld en [betrokkene 1] als werknemer en een netto maandsalaris van € 2.473,84.
Tevens is er een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] d.d. 6 maart 2009 verstrekt waarop staat dat [betrokkene 1] bij [bedrijf 1] een vast dienstverband als accountmanager heeft sinds 1 januari 2009 en dat zijn bruto-jaarsalaris exclusief vakantietoeslag € 44.160,- bedraagt. Daarnaast is een bankafschrift verstrekt. Hierop staat een betaling op 23 februari 2009 van € 2.473,84 door [bedrijf 1] aan [betrokkene 1] op diens betaalrekening bij de ING met nummer [rekeningnummer] .
De kredietovereenkomst is afgesloten tussen [betrokkene 1] en Crediet Maatschappij "De IJssel" B.V., (toentertijd) onderdeel van Interbank B.V.
Op 16 maart 2009 heeft Interbank een bedrag van € 29.999,- aan [betrokkene 1] overgemaakt. Op 17 maart 2009 is vanaf de rekening van [betrokkene 1] een bedrag van € 29.000,- overgemaakt naar [bedrijf 3] BVBA.
[bedrijf 3] BVBA is een besloten vennootschap naar Belgisch recht en gevestigd te Antwerpen. De verdachte is sinds de oprichting van [bedrijf 3] zaakvoerder en was dat nog op 17 maart 2009.
[…]
Het hof stelt vast dat het krediet is verkregen met valse of vervalste stukken. Kopieën van de bankafschriften van [betrokkene 1] zitten bij de stukken. Uit die bankafschriften blijkt dat er op 23 februari 2009 geen bedrag is betaald door [bedrijf 1] aan [betrokkene 1] . Het bankafschrift dat is overgelegd om de kredietovereenkomst te verkrijgen is vals.
De werkgeversverklaring en de salarisstrook zijn eveneens vals. […]
Het toezenden van een valse werkgeversverklaring, salarisstrook en bankafschrift bij de aanvraag van een kredietovereenkomst is een samenweefsel van verdichtsels die de kredietverstrekker bewegen tot afgifte van het krediet; dit is oplichting.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte deze valse stukken heeft gebruikt en of hij degene is die Crédit Agricole heeft opgelicht.
[…]
[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte op zijn naam een lening heeft geregeld van € 30.000,-. Dit geld is op de rekening van [betrokkene 1] gestort. De verdachte heeft vooraf tegen [betrokkene 1] gezegd naar welke rekening het geld moest worden overgemaakt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte steeds met papieren kwam die [betrokkene 1] moest ondertekenen en dat hij nooit zelf formulieren aan de kredietverstrekker heeft verstuurd. De verdachte nam de papieren die [betrokkene 1] ondertekende steeds mee. [betrokkene 1] heeft de werkgeversverklaring van [bedrijf 1] nog nooit gezien en kent niet de salarisspecificatie van [bedrijf 1] over februari 2009; het ten behoeve van de aanvraag van de lening overgelegde bankafschrift kan niet van [betrokkene 1] zijn.
Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat de verdachte de kredietovereenkomst bij Interbank voor [betrokkene 1] geregeld heeft. De werkgeversverklaring, de salarisspecificatie en het bankafschrift zijn niet door [betrokkene 1] aan de verdachte gegeven nu [betrokkene 1] heeft verklaard deze stukken niet te kennen. Dit betekent dat de verdachte deze drie stukken bij iemand anders dan [betrokkene 1] heeft betrokken, of zelf heeft gemaakt. Deze stukken zijn vervolgens bij de kredietverstrekker ingeleverd als waren ze echt en onvervalst. Nu de verdachte degene is die het krediet voor [betrokkene 1] heeft geregeld volgt daaruit dat de verdachte deze stukken naar Interbank heeft verstuurd of laten sturen. Verdachte heeft aldus, gebruik makend van valse stukken op naam van [betrokkene 1] , Interbank opgelicht. Nu Interbank een volle dochter van Crédit Agricole was staat daarmee de oplichting van Crédit Agricole vast.
Het door [betrokkene 1] op zijn bankrekening ontvangen bedrag van € 29.999,- was derhalve de opbrengst van de door de verdachte gepleegde oplichting. Door [betrokkene 1] hiervan € 29.000,- te laten overboeken naar de rekening van de Belgische rechtspersoon [bedrijf 3] BVBA heeft de verdachte deze opbrengst onder zijn beschikkingsmacht gebracht en is tevens sprake van omzetting of verplaatsing van het bedrag met als doel de herkomst en de uiteindelijke bestemming daarvan te verhullen. Immers, zodra [bedrijf 3] BVBA het bedrag op haar bankrekening ontving bleek daarvan niet meer de herkomst, namelijk Interbank B.V., en waren zowel die bank als [betrokkene 1] het zicht op (de uiteindelijke bestemming van) het geldbedrag kwijt. Derhalve is hier sprake van een verhullingshandeling. Gelet hierop zal het hof bij feit 5 het witwassen van een bedrag van € 29.000,- bewezen verklaren.”
III. De cassatiemiddelen
Het eerste middel
6. De klacht luidt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ook nog op 17 maart 2009 zaakvoerder was van [bedrijf 3] B.V. en dus ook niet de beschikkingsmacht heeft gekregen over het bedoelde geldbedrag van € 29.000,-, en dat het daarop betrekking hebbend verweer van de verdediging en/of de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen is of zijn omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de omstandigheid of het feit dat de verdachte ook nog op 17 maart 2009 zaakvoerder was van [bedrijf 3] B.V. kennelijk als redengevend voor de bewezenverklaarde feiten heeft aangemerkt, maar dat zulks slechts is ontleend aan het onderzoek ter terechtzitting en niet aan een door het hof gebruikt of met voldoende mate van nauwkeurigheid aangewezen bewijsmiddel.
7. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2022 het volgende verklaard:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
De feiten zoals die onder zaaksdossier 1 aan mij zijn tenlastegelegd heb ik niet gepleegd. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de 29.000 euro is doorgestort naar een buitenlandse rekening […].
U houdt mij voor dat het geld is overgemaakt naar [bedrijf 3] BVBA en dat de rechtbank heeft aangenomen dat ik binnen die vennootschap beschikkingsbevoegd was. Dat klopt niet. Dat bedrijf is ooit van mij geweest, maar het is overgedragen aan de toenmalige directeur van [bedrijf 1] . Op het moment van de deal stond ik niet meer als beschikkingsbevoegd ingeschreven. Mijn broer en ik hebben getekend voor de overdracht. Het bedrijf is overgedragen aan [betrokkene 3]. U houdt mij voor dat het dossier voor die stelling geen onderbouwing biedt. Het heeft in de Staatscourant van Antwerpen gestaan. U houdt mij voor dat de rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] per 28 november 2008 is benoemd tot bijkomend zaaksvoerder en dat mijn broer als zaaksvoerder is ontslagen. Ik ben alleen maar aandeelhouder geweest en nooit zaaksvoerder. Dat moet mijn vader zijn geweest, [betrokkene 4] . Ik heb nooit in het bestuur van [bedrijf 3] gezeten.”
8. De raadsman heeft dit punt niet aan de orde gesteld op de terechtzittingen in hoger beroep (noch in zijn ter terechtzitting van 30 mei 2022 overgelegde pleitnotities, noch in aanvulling daarop).
9. De stellers van het middel keren zich tegen de vaststelling van het hof dat de verdachte op 17 maart 2009 nog zaakvoerder was van de besloten vennootschap [bedrijf 3] BVBA, omdat dit niet uit de bewijsmiddelen zou blijken.
10. Ik meen vooreerst dat de feitelijke vaststelling van het hof dat de verdachte ook nog op 17 maart 2009 zaakvoerder was van [bedrijf 3] B.V. enkel relevant is voor het onder 5 bewezenverklaarde gewoontewitwassen wat betreft het voorhanden hebben van en, in de woorden van de stellers van het middel, de beschikkingsmacht over het (eerstgenoemde) geldbedrag van 29.000,- euro. (Voetnoot 1) Voor de bewijsvoering van de overige feiten is de vraag of de verdachte op die dag al dan niet (nog) zaakvoerder was van [bedrijf 3] B.V naar het mij voorkomt niet relevant.
11. Uit het als bewijsmiddel 7 opgenomen afschrift van een oprichtingsakte van [bedrijf 3] BVBA in het Belgisch Staatsblad, blijkt dat de verdachte sinds 24 februari 2005 zaakvoerder met volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid was van deze besloten vennootschap. De overweging van het hof dat de verdachte dat ook op 17 maart 2009 nog was – de dag waarop € 29.000,- vanaf de rekening van [betrokkene 1] werd overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 3] BVBA – begrijp ik dan ook aldus dat het hof uit het zaaksdossier of anderszins niet is gebleken dat in de tussentijd een verandering in het zaakvoerderschap van de verdachte heeft plaatsgevonden. In die overweging ligt tevens besloten dat het hof de, hierboven aangehaalde, enkele verklaring die de verdachte desgevraagd daarover heeft gegeven – te weten dat hij nooit zaakvoerder is geweest van [bedrijf 3] BVBA – niet aannemelijk acht.
12. Het middel faalt.
13. Dit middel keert zich tegen de bewezenverklaring van oplichting (feit 3 eerste cumulatief) en behelst als eerste klacht dat het hof ten onrechte het verstrekken van een krediet heeft aangemerkt als de afgifte van een goed, en als tweede klacht dat – mocht er wel sprake zijn van afgifte van een goed – uit het arrest volgt dat het hof in feite heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] als kredietnemer door de verdachte is bewogen tot afgifte van het goed (Voetnoot 2) en niet Crédit Agricole Deveurope als kredietverstrekker.
14. Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte Crédit Agricole Deveurope heeft bewogen tot de afgifte van een goed en daarbij, door mij hier samengevat, vastgesteld dat de verdachte de wezenlijke handelingen heeft verricht, zoals het inleveren van (door hem vervalste of door hem verkregen valse) stukken, voor het verkrijgen van het krediet bij de dochteronderneming van Crédit Agricole Deveurope.
15. De eerste klacht berust denk ik op een verkeerde lezing van het arrest en de bewezenverklaring van feit 3. Zowel uit die bewezenverklaring als uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt evident dat hier onder goed is te verstaan het geldbedrag van € 29.000,- en niet de kredietverlening an sich. Het is dit bedrag dat door kredietverlening ter beschikking is gesteld aan de kredietnemer. Dat het hof zulks heeft bewezenverklaard als de afgifte van een goed, is niet onbegrijpelijk en ook overigens toereikend gemotiveerd. (Voetnoot 3)
16. De tweede klacht treft evenmin doel. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte Crédit Agricole Deveurope heeft opgelicht door middel van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Gelet op de bewijsoverwegingen is het hof tot dat oordeel gekomen omdat het de verdachte is geweest die de bewezenverklaarde oplichtingshandelingen feitelijk heeft verricht en daarmee degene is geweest die de kredietovereenkomst heeft gesloten. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk, waarbij ik in aanmerking neem dat het hof daarbij (onder meer) expliciet heeft overwogen dat [betrokkene 1] bij de politie heeft verklaard dat de verdachte op naam van [betrokkene 1] een lening heeft geregeld, de verdachte steeds met papieren kwam die [betrokkene 1] moest ondertekenen, dat [betrokkene 1] nooit zelf formulieren aan de kredietverstrekker heeft verstuurd, dat de verdachte de door [betrokkene 1] ondertekende papieren steeds meenam en dat uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat de verdachte de kredietovereenkomst bij Interbank voor [betrokkene 1] geregeld heeft.
17. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.
18. Het middel is gericht tegen ’s hofs beslissing tot verbeurdverklaring van een Rolex-horloge. In de schriftuur wordt aangevoerd dat uit het arrest “bezwaarlijk anders [kan] volgen dan dat het hof kennelijk van oordeel is geweest dat het verbeurde horloge verkregen is uit baten van het bewezenverklaarde en dat het hof de verbeurdverklaring heeft gebaseerd op art. 33a lid 1 onder a Sr zoals dat luidt sedert 1 juli 2011, terwijl de bewezenverklaarde feiten mede zijn begaan voordat het bewuste artikel van kracht was en dit juridisch mogelijk was”.
19. Met de verwijzing naar de wetswijziging op 1 juli 2011 doelen de stellers van het middel op het volgende. Tot 1 juli 2011 luidde art. 33a lid 1 aanhef en onder a (oud) Sr, voor zover hier van belang: “Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen”. Sinds de wetswijziging (Voetnoot 4) luidt deze bepaling: “Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen”. Toegevoegd is toen dus het zinsdeel “of uit de baten van”.
20. De klacht zou slagen indien het hof daadwerkelijk toepassing zou hebben gegeven aan de uitbreiding die eerst na de wetswijziging van 1 juli 2011 van kracht is geworden, hetgeen het geval was geweest indien uit het arrest zou volgen dat de verbeurdverklaring van het Rolex-horloge was gegrond op de vaststelling dat het “uit de baten van” het gewoontewitwassen was verkregen. Het middel berust echter op een verkeerde lezing respectievelijk uitleg van het bestreden arrest, nu het hof met betrekking tot de verbeurdverklaring van het Rolex-horloge (nr. 53 op de beslaglijst) expliciet heeft overwogen dat het geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen is verkregen. Ik citeer:
“Het hof zal de op de lijst van conservatoir beslag onder 50 tot en met 63 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren (aangehecht als lijst A). Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze voorwerpen, als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, onder sub a van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.”
21. Het middel faalt. (Voetnoot 5)