Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Hoger beroep Strafrecht overig

26 november 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:10936

Op 26 november 2021 heeft de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht. Het zaaknummer is 21-004981-20, bekend onder ECLI code ECLI:NL:GHARL:2021:10936.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
21-004981-20
Datum uitspraak
26 november 2021
Datum gepubliceerd
26 november 2021
Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004981-20

Uitspraak d.d.: 26 november 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2020 met het parketnummer 18-930000-20 in de strafzaak tegen

[verdachte]
,

geboren te

[geboorteplaats]
op
[geboortedatum]
1992,

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de beslissing die is genomen ten aanzien van het beslag. Van die voorwerpen vordert de advocaat-generaal de onttrekking aan het verkeer. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 december 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen bevolen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, strafbaarheid en strafoplegging op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis daarom op die onderdelen bevestigen, met dien verstande dat het hof de bewijsoverwegingen en de strafoplegging van de rechtbank zal aanvullen en/of verbeteren naar aanleiding van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het hof komt ten aanzien van de kwalificatie tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Aanvullende bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verklaringen van verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
en de verklaring van verdachte lopen uiteen voor wat betreft de positie van waar verdachte zou hebben geschoten. Volgens
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
stond verdachte toen hij schoot midden op de T-splitsing aan het einde van de brandgang. Dat wordt evenwel niet ondersteund door het verrichte forensisch onderzoek waaruit tevens niet kan worden afgeleid of de schotbeschadigingen aan de damwand door verdachte zijn veroorzaakt. Het aan het door verdachte aangewezen vuurwapen verrichte forensisch onderzoek wijst uit dat de schotbeschadiging niet is veroorzaakt met dat vuurwapen. Aan de andere wapens is verdachte niet te linken. Dit maakt de verklaring van verdachte dat hij zijn rechterhand in de steeg heeft gestoken en vanuit een hoek van zestig graden een waarschuwingsschot heeft gelost geloofwaardiger, te meer nu de fysieke en psychische beperkingen (angst en paniek) die verbalisanten hebben ervaren mogelijk hebben geleid tot foutieve of vertekende waarnemingen en/of herinneringen, in casu bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal keer dat
[slachtoffer 1]
zich herinnert te hebben geschoten op verdachte. Deze fysieke en psychische beperkingen bracht het hof Amsterdam in ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8201 ertoe om geen bijzondere bewijskracht toe te kennen aan het proces-verbaal van de verbalisant die zelf ook slachtoffer was. Wanneer de verklaring van verdachte wordt gevolgd kan alleen een bewezenverklaring volgen voor feit 1 (subsidiair) en feit 2, met dien verstande dat verdachte één vuurwapen, te weten AAN04824NL (vuurwapen 1), voorhanden heeft gehad.

Verklaring verdachte in hoger beroep

Verdachte heeft desgevraagd op de terechtzitting van het hof verklaard dat hij bij zijn eerdere afgelegde verklaringen blijft.

Beoordeling hof

Het hof stelt vast dat verdachte in hoger beroep over de feiten in de kern zijn eerdere afgelegde verklaringen heeft bevestigd. Evenmin heeft de verdediging andere verweren dan de reeds in eerste aanleg gevoerde verweren opgeworpen. Het hof is alles afwegende van oordeel dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof zal daarom het vonnis voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigen. Voor wat betreft de kwalificatie zal het hof het vonnis vernietigen. Deze vernietiging leidt niet tot een andere beslissing met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte en de strafoplegging. Ten aanzien van die onderdelen zal het hof het vonnis onder aanvulling bevestigen. Ten aanzien van een aantal door de verdediging opgevoerde punten zal het hof hieronder aanvullende overwegingen opnemen. Op een enkel punt worden de gronden verbeterd.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Het hof zal allereerst ingaan op de beoordeling van het verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
.

In dat verband overweegt het hof dat verklaringen in een strafzaak kritisch en zorgvuldig dienen te worden bezien. Zij dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en ook om de wijze waarop zij zijn afgelegd.

Het voorgaande toepassend is het hof van oordeel dat er geen enkele aanleiding bestaat te twijfelen aan de betrouwbaarheid van hetgeen verbalisanten

[slachtoffer 2]
en
[slachtoffer 1]
hebben verklaard. In het bijzonder overweegt het hof in aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen nog het volgende.

Verbalisant

[slachtoffer 1]
is na het schietincident gehoord door de interne afdeling VIK, omdat hij heeft geschoten met zijn dienstwapen. Daarnaast heeft hij een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Dit laatste geldt ook voor verbalisant
[slachtoffer 2]
die kort na het schietincident tevens een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. Ten aanzien van het schietincident staat niet ter discussie dat verdachte heeft geschoten. Wel lopen de verklaringen van verbalisant
[slachtoffer 1]
en verdachte uiteen voor wat betreft de positie van waaruit verdachte heeft geschoten.

Verbalisant

[slachtoffer 2]
, die schuin achter verbalisant
[slachtoffer 1]
in de brandsteeg liep, verklaart samengevat uit het niets op ooghoogte mondingsvuur te hebben gezien en knallen te hebben gehoord, maar zag niet vanuit welke positie het mondingsvuur afkomstig was. Hoewel het hof zich goed kan voorstellen dat het schietincident indruk heeft gemaakt op de verbalisanten is het hof van oordeel dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan hetgeen verbalisant
[slachtoffer 2]
hierover heeft verklaard. Er bestaat evenmin twijfel met betrekking tot de door
[slachtoffer 1]
wel waargenomen man en de positie van waaruit die man zou hebben geschoten. Het hof stelt vast dat beide verbalisanten ieder voor zich hebben verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen in de steeg. Duidelijk is dat hun feitelijke positie en daarmee gezichtspunt in de steeg verschillend was. Zij geven van hetgeen zij vanuit hun positie hebben waargenomen een concrete en plausibele beschrijving. Zo verklaart verbalisant
[slachtoffer 1]
dat – alvorens hij samen met verbalisant
[slachtoffer 2]
de brandsteeg inliep – hij zijn zaklamp, maglite, heeft vastgepakt met zijn linkerhand en daarmee de steeg heeft ingeschenen. Op vier à vijf meter afstand van het einde van de brandsteeg zag hij een niet zo grote man in een hoody vanaf de linkerkant de T-splitsing op komen lopen met iets in zijn handen en hoorde hij knallen waarna hij de zaklamp naar zijn hoofd heeft gebracht en met zijn rechterhand naar zijn dienstwapen heeft gegrepen om in de richting waarvandaan hij een vlammetje zag terug te schieten. Verbalisant
[slachtoffer 1]
heeft de positie van waaruit de man zou hebben geschoten aangegeven in een situatieschets die onderdeel uitmaakt van zijn verhoor.

Het komt er samengevat op neer dat

[slachtoffer 1]
wel zag – zoals de rechtbank in het vonnis juist heeft samengevat – dat een man midden op de T-splitsing van de steeg met de achterliggende gang stilstond en dat deze man gelijk begon te schieten.
[slachtoffer 1]
zag iets in de handen van de man waar vuur uitkwam.

Het hof acht zowel

[slachtoffer 2]
als
[slachtoffer 1]
in hun beschrijving, voor zover ze waarnemingen hebben gedaan, feitelijk en consistent. In de inhoud van hun verklaringen vindt het hof met de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding daar aan te twijfelen. Het hof stelt vast dat
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
elkaar ondersteunen in hun verklaringen. Daar komt bij dat de verklaringen ondersteuning vinden in ander bewijsmateriaal waaronder de verschillende resultaten uit het forensisch onderzoek. Daarmee verschilt deze casus van de casus uit het arrest van het hof Amsterdam waarnaar de advocaat van verdachte heeft gewezen. Meer specifiek overweegt het hof dat zich in het dossier een proces-verbaal Onderzoek schotbeschadigingen van 22 januari 2020 bevindt. Daarin staat dat er schotbeschadigingen zijn aangetroffen op het damwandprofiel op de zijkant van de garage op het perceel
[adres 1]
. Deze schotbeschadigingen kennen een horizontaal verloop en zijn gelet op de staat van de beschadigingen vanaf een positie op de T-splitsing afgevuurd. Verbalisant
[verbalisant 1]
beschrijft in zijn proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 8 februari 2020 – zoals ook opgenomen in het vonnis van de rechtbank – dat de beschadigingen zich op ooghoogte bevinden. Deze onderzoeksresultaten passen bij hetgeen
[slachtoffer 2]
en
[slachtoffer 1]
in de steeg hebben waargenomen toen zij daar liepen. Ook vindt het hof met de rechtbank ondersteuning voor de verklaringen van verbalisanten in het NFI-onderzoek van 5 juni 2020 naar de gedeformeerde kogel die aan het einde van de steeg op de oprit van het naastgelegen perceel
[adres 2]
is aangetroffen. Op deze kogel zijn deeltjes aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt met de verschillende materialen uit de damwand. Daarnaast zijn door het NFI verschillende hypothesen beschouwd en zijn de resultaten van het vergelijkend kogelonderzoek ongeveer even waarschijnlijk (1-2) wanneer de hypothese dat de kogel is afgevuurd uit de loop van vuurwapen AANI9061NL (vuurwapen 3) waar is, als wanneer de hypothese dat de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van vuurwapen AANI9061NL. Gelet op de gebezigde neutrale waarschijnlijkheidsgradatie acht het hof deze bevindingen in die zin ondersteunend dat deze kunnen passen bij de verklaring van
[slachtoffer 1]
over de positie vanwaar de man heeft geschoten. Het hof verbetert de gronden in het vonnis op dit onderdeel waar de rechtbank ten onrechte bewijsmiddel 24 als redengevend bewijs heeft opgenomen. Het hof is van oordeel dat dient te worden volstaan met als bron de conclusies uit het bovengenoemde scenario-onderzoek van het NFI van 5 juni 2020. De in bewijsmiddel 24 geschreven samenvatting van dat onderzoek levert veeleer verwarring op dan redengevend bewijs. Het hof schrapt dat bewijsmiddel nr. 24 nu de conclusies van het brononderzoek beschikbaar zijn.

Met betrekking tot het gevoerde verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van hetgeen

[slachtoffer 1]
heeft verklaard overweegt het hof tot slot nog het volgende. Dat uit het wapenonderzoek is gebleken dat verbalisant
[slachtoffer 1]
twee keer heeft teruggeschoten, terwijl hijzelf aanvankelijk dacht vaker te hebben teruggeschoten – de enige onjuistheid die het hof heeft waargenomen in zijn verklaring – doet niet af aan de betrouwbaarheid nu één en ander zich laat verklaren door de beleefde hectiek waarover
[slachtoffer 1]
desgevraagd zelf ook over heeft verklaard.
[slachtoffer 1]
geeft in zijn eerste verhoor op dit punt overigens ook nog aan eigenlijk geen idee te hebben hoe vaak hij heeft geschoten en nuanceert de genoemde aantallen in die zin. Daar komt bij dat verbalisant
[verbalisant 2]
heeft gerelateerd – hetgeen de bevindingen van voornoemd wapenonderzoek ondersteunt – dat hij samen met
[slachtoffer 1]
het aantal patronen heeft geteld.
[verbalisant 2]
telde een totaal van 13 patronen, waarvan twaalf patronen uit de houder en één uit de kamer. Vervolgens vertelde
[slachtoffer 1]
hem dat hij zijn houder altijd voorziet van 15 patronen. Hieruit concludeert
[slachtoffer 1]
dat hij op 3 januari 2020 twee keer heeft geschoten.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring is gekomen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan zoals door de rechtbank bewezen is verklaard. Het hof baseert zich bij zijn oordeel op alle door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen waarvan een aantal op zich zelfstandig weliswaar alleen niet volledig dragend kunnen zijn voor bewijs van de tenlastegelegde feiten, maar die in hun onderlinge samenhang het redengevend en overtuigend bewijs vormen. Ook het hof gaat er op basis van de elkaar ondersteunende verklaringen van

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
in samenhang met de resultaten van het overige (forensisch) onderzoek vanuit dat verdachte een kogel heeft afgevuurd in de steeg die bij onderzoek aan het einde van de gang op de oprit van het naastgelegen huis gedeformeerd werd aangetroffen. Met die kogel zijn de schotbeschadigingen aan de damwand veroorzaakt. Verdachte vuurde die kogel op ooghoogte af op het moment dat verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
zich op een afstand van circa 4 à 5 meter verwijderd van verdachte lopend in die brandsteeg bevonden. Verbalisanten liepen op verdachte toe. Onder verwijzing naar de overwegingen daarover is ook het hof van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. De rechtbank heeft daarin een juiste afweging gemaakt.

Het hof stelt vast dat het dossier geen aanknopingspunt biedt voor de (enkele) suggestie van de verdediging dat de schotbeschadigingen in de damwand ook afkomstig kunnen zijn van een schietincident op een ander moment. Daar komt bij dat de suggestie reeds afstuit op de bewijsmiddelen, die in onderlinge samenhang worden gewogen en gewaardeerd. Het hof schuift ook de alternatieve verklaring van verdachte over de positie vanwaar hij zou hebben geschoten als ongeloofwaardig terzijde nu ook deze verklaring door de bewijsmiddelen wordt bestreden. Het horizontale verloop van de schotbeschadigingen in de damwand acht het hof evenmin passend bij de stelling van verdachte dat hij, toen hij schoot, zijn vuurwapen in een hoek van 60 graden omhoog heeft gehouden. Het hof acht het scenario van verdachte dan ook niet aannemelijk geworden.

Het hof komt met de rechtbank op basis van de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte met het vuurwapen (rechtbank: vuurwapen 3) heeft geschoten, welk vuurwapen later is aangetroffen in het grasveld in de directe omgeving van

[adres 3]
. Ook het hof kent betekenis toe aan de deskundigenrapportage van het NFI dat de in de steeg aangetroffen huls in verband brengt met laatstgenoemd vuurwapen (rechtbank: vuurwapen 3). Dat verdachte een ander vuurwapen (rechtbank: vuurwapen 1) aanwijst – achter een vuilnisbak in de achtertuin van het perceel
[adres 3]
– doet aan het bovenstaande niet af. De partner van verdachte heeft immers tijdens een tapgesprek meegedeeld dat verdachte de woning met drie wapens verliet die nacht. Dat de rechtbank onder feit twee uiteindelijk tot een bewezenverklaring komt van het voorhanden hebben van 2 vuurwapens acht het hof begrijpelijk nu zich met betrekking tot het derde – op het dak van het gebouw gelegen achter het pand aan de
[adres 4]
– aangetroffen vuurwapen anders dan de algemene verklaring van de partner voor daderschap van verdachte voor dat vuurwapen onvoldoende specifiek aanvullend wettig bewijs voorhanden is.

Tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het hof heeft verdachte herhaald dat hij heeft geschoten omdat hij dacht dat personen die hem eerder hadden bedreigd met de dood in de steeg liepen en dat deze personen hem wilden liquideren. Het hof is van oordeel dat verdachte desgevraagd op de terechtzitting niet meer gegevens heeft verschaft dan dat de dreiging met drugs te maken had en dat het nu afgehandeld was. Dit verweer – wat daar ook van zij – is ook in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Het hof is van oordeel dat de rechtbank dit verweer op juiste gronden heeft verworpen. Het hof sluit zich daarom aan bij de overwegingen van de rechtbank daarover.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie III en munitie van categorie III.

Aanvulling overweging ten aanzien van de strafoplegging

Het hof komt tot een andere kwalificatie van feit 1. Dit leidt evenwel niet tot een andere strafoplegging. De rechtbank heeft met betrekking tot de door haar opgelegde straf een juiste afweging gemaakt. Het hof verenigt zich met die strafoplegging omdat het hof deze straf passend en geboden acht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft de kwalificatie;

Kwalificeert het onder 1 primair en feit 2 bewezenverklaard als hiervoor vermeld.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. H. Pluimers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,

en op 26 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 januari 2020, pagina 131 e.v.; en proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 15 september 2020.