Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - meervoudig Strafrecht overig

15 december 2020
ECLI:NL:RBNNE:2020:4472

Op 15 december 2020 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht. Het zaaknummer is 18/930000-20, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBNNE:2020:4472. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
18/930000-20
Datum uitspraak
15 december 2020
Datum gepubliceerd
16 december 2020
Wetsverwijzingen
  • Wetboek van Strafrecht 287
  • Wetboek van Strafrecht 57
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930000-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]
,

geboren op

[geboortedatum]
1992 te
[geboorteplaats]
,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

gedetineerd te

[instelling]
.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 31 maart 2020, 25 juni 2020, 15 september 2020 en 1 december 2020 (inhoudelijke behandeling).

Verdachte is ter terechtzitting van 1 december 2020 verschenen, bijgestaan door

mr. A. Çimen, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 januari 2020 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1]
en/of

[slachtoffer 2]
(beiden werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Noord-Nederland) opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen naar en/of in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 januari 2020 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo,

[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
(beiden werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Noord-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door een vuurwapen op die

[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
gericht te houden en/of dat vuurwapen omhoog te richten en (vervolgens) met dat vuurwapen naar en/of in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
en/of in de lucht te schieten;

2.

hij op of omstreeks 3 januari 2020 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo, twee wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten twee pistolen, van het merk Zoraki, Model (M)906, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of vijf kogelpatronen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en onder 2

ten laste gelegde. Zij heeft daartoe -kort weergegeven- aangevoerd dat gelet op het handelen van verdachte op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat

de op 3 januari 2020 en 23 april 2020 aangetroffen vuurwapens en de bijbehorende munitie direct aan verdachte te linken zijn. De officier van justitie merkt nog op dat zij de overtuiging heeft dat het op 29 februari 2020 aangetroffen vuurwapen ook in het bezit is geweest van verdachte, maar wegens gebrek aan objectief verifieerbaar bewijs is dit wapen niet op de tenlastelegging meegenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft daartoe het volgende -kort weergegeven- aangevoerd.

Verdachte heeft een open proceshouding en heeft in een vroeg stadium op een overtuigende wijze inzicht gegeven in wat er in zijn hoofd omging kort voor het schietincident. Verdachte had een conflict met zekere personen en was bang om door hen geliquideerd te worden. Hij bevond zich eind 2019 in een benarde situatie en verbleef op plaatsen waar hij zich kon verschuilen, waaronder in de woning aan de

[straatnaam]
te Paterswolde. Kort voor het schietincident plaatshad, verkeerde verdachte in de veronderstelling dat de politie reeds vertrokken was. Die veronderstelling was gebaseerd op het feit dat hij een politiewagen met gedoofde lichten had zien langsrijden. Verdachte wist niet dat de personen die in de steeg liepen, politieagenten waren. Verdachte is ervan uitgegaan dat daar de personen liepen die hem wilden liquideren. Verdachte was zeer angstig en besloot om met zijn vuurwapen een waarschuwingsschot te lossen om de desbetreffende personen af te schrikken, zodat hij zichzelf in veiligheid kon brengen. Verdachte heeft zeker niet geschoten in de richting van die personen. Verdachte deed zijn arm omhoog en schoot schuin de lucht in, in een hoek van 60 graden. Verdachte stond om de hoek en alleen zijn arm ging de steeg in. Hij had geen opzet op het doden van de desbetreffende personen. De forensische bevindingen sluiten niet uit dat deze verklaring van verdachte juist is. Bovendien kunnen de in het stalen damwandprofiel aangetroffen schotbeschadigingen op een ander moment (dan in de nacht van 3 januari 2020) zijn ontstaan. De verklaringen van verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
wijken af van de verklaring van verdachte, maar dat is ook niet zo vreemd nu verbalisanten zich in een benarde situatie bevonden en overmand waren door emoties. Wellicht dat de verbalisanten daardoor onjuiste waarnemingen hebben gedaan. Aan hun waarnemingen mag daarom niet méér waarde worden toegekend dan aan de waarnemingen van verdachte.

Het strafdossier bevat aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een poging doodslag, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat slechts wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad dat, op zijn aanwijzing, in de nacht van 3 januari 2020 is aangetroffen achter een vuilnisbak in de tuin behorende bij het perceel

[straatnaam]
. Verdachte heeft geen wetenschap van en beschikkingsmacht gehad over de andere twee aangetroffen vuurwapens.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen, die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Meldkamergesprek

Op 3 januari 2020, 2:31:54 uur, komt bij de meldkamer een melding binnen van

[getuige]
.
[getuige]
vertelt aan de centralist dat zij in Paterswolde zit met haar ex-vriend, dat hij allemaal doorgeladen wapens heeft en dat hij haar slaat.
[getuige]
geeft vervolgens aan dat hij er nu vandoor gaat en dat zij, omdat hij nu weg is, weer kan ophangen. Zij verbreekt daarop de verbinding. De centralist belt
[getuige]
terug om 2:34:28 uur.
[getuige]
geeft aan dat ze heeft gebeld omdat ze bang was en haar vriend niet wilde weggaan. Hij heeft haar met de vlakke hand in haar gezicht geslagen. Dit gebeurde omdat hij aan de coke zit en aan de drank. Hij zei dat hij iemand dood zou schieten. Het maakte haar bang. Ze wil niet dat de politie nog bij haar langskomt, want hij is inmiddels vertrokken en hij komt toch niet weer terug want ze heeft de politie toch al gebeld.

Bevindingen verbalisanten

Verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
krijgen op 3 januari 2020, omstreeks 2:32 uur, het verzoek van de meldkamer om naar de
[straatnaam]
te Paterswolde te gaan. Hier zou meldster
[getuige]
aanwezig zijn. De meldkamer geeft aan dat
[getuige]
inmiddels heeft aangegeven dat de politie niet meer hoeft te komen, maar verzoekt verbalisanten alsnog ter plaatse te gaan om te kijken of alles goed gaat met haar.

In de woning aan de

[straatnaam]
treffen verbalisanten
[getuige]
aan.
[getuige]
verklaart dat zij samen met haar ex-vriend in de woning verblijft. Zij weet niet wie de eigenaar van de woning is en de vaste bewoner van het huis is niet aanwezig.

[getuige]
vindt het goed dat verbalisanten de woning controleren om te kijken of er echt niemand meer aanwezig is. Verbalisanten controleren de bijkeuken en de bovenverdieping, maar treffen niemand aan.
[getuige]
geeft aan dat haar moeder onderweg is vanuit Amsterdam om haar op te halen. Hierop verlaten verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
de woning. Terwijl zij richting de dienstauto lopen die voor de woning aan de
[straatnaam]
geparkeerd staat, spreekt verbalisant
[slachtoffer 1]
uit dat hij een onderbuikgevoel heeft dat er nog iemand in de buurt verstopt zou kunnen zitten. Hierop lopen verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
samen langs de rechterzijde van de woning, om in de tuin achter de woning te kijken. Zij schijnen daarbij met zaklampen. In de tuin zien zij geen persoon of andere bijzonderheden.

De woning aan de

[straatnaam]
betreft een hoekwoning. Tussen de woning genummerd
[nummer]
en
[nummer]
bevindt zich -in de volledige lengte van de woning genummerd
[nummer]
inclusief de tuin en de garage/schuur- een steeg/brandgang, die uitkomt op een soort

T-splitsing, met een steeg/brandgang naar links achter de woningen langs. Deze brandgang loopt achter de woningen

[straatnaam]
tot en met
[nummer]
langs, waar de brandgang bij de woning genummerd
[nummer]
(eveneens een hoekwoning) weer op de
[straatnaam]
uitkomt.

Verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
besluiten de steeg (die uitkomt op de T-splitsing) in te lopen. Verbalisant
[slachtoffer 2]
loopt voorop en verbalisant
[slachtoffer 1]
loopt schuin achter hem. Verbalisanten hebben hun uniform aan en praten op een normale toon tegen elkaar. Zij schijnen met hun zaklampen. Verbalisant
[slachtoffer 2]
heeft zijn portofoon aan en geen oortje in. Het portofoonverkeer is daarom hoorbaar. Nadat zij een aantal meters de steeg zijn ingelopen, ziet verbalisant
[slachtoffer 1]
uit het niets, op ooghoogte, een aantal vuurstoten. Tegelijk hoort hij een aantal knallen. Verbalisant
[slachtoffer 1]
herkent deze vuurstoten als mondingsvuur dat ontstaat bij het gebruik van een vuurwapen. In zijn beleving ziet hij dit vier à vijf keer. Verbalisant
[slachtoffer 1]
schat in dat de persoon die op hen schiet ongeveer drie à vier meter van hen vandaan staat. Verbalisant
[slachtoffer 1]
heeft de schutter niet gezien.

Verbalisant

[slachtoffer 2]
verklaart dat vier, hooguit vijf meter voor de T-splitsing er van links iemand aan komt lopen die gelijk begint te schieten. Het is een vrij jonge man, niet zo groot. Hij heeft een hoody op en iets in zijn handen waar vuur uitkomt. De man staat midden op de T-splitsing stil en schiet. In de beleving van verbalisant
[slachtoffer 2]
heeft de man twee, drie, of vier keer geschoten. Verbalisant
[slachtoffer 2]
pakt hierop zijn vuurwapen en schiet terug. Verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
rennen vervolgens achteruit terug door de steeg en zoeken dekking achter de dienstauto die geparkeerd staat tegenover de woning aan de
[straatnaam]
.Vervolgens zetten zij een vuurlijn op de steeg naast de woning aan de
[straatnaam]
en een vuurlijn op de steeg naast de woning aan de
[straatnaam]
.

Verbalisanten

[verbalisant 1]
en
[verbalisant 2]
horen over de portofoon dat collega's
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
zijn beschoten en rijden met spoed naar de
[straatnaam]
.

Zij komen ter plaatse en verlenen assistentie. De collega's van de Ondersteuningsgroep Noord-Nederland (OGNN) komen kort hierna ook ter plaatse en nemen de positie over van de verbalisanten.

Nadat de aanwezigen in de woning

[straatnaam]
worden gesommeerd naar buiten te komen, opent
[getuige]
de voordeur en loopt zij met haar handen omhoog naar buiten.

Kort hierna komt verdachte vanaf de oprit van de woning aan de

[straatnaam]
tevoorschijn. Diverse verbalisanten en getuigen, buurtbewoners, verklaren dat verdachte in alle staten is. Hij schreeuwt, tiert en is verbaal zeer agressief, zowel richting de verbalisanten als richting
[getuige]
.

Verdachte wordt vervolgens aangehouden. Hij geeft aan dat er een doorgeladen vuurwapen en een mes achter de vuilnisbak in de achtertuin van de

[straatnaam]
ligt.

Op het perceel van de

[straatnaam]
worden daarop, achter een vuilnisbak in de achtertuin, een vuurwapen en een mes aangetroffen, zoals aangegeven door verdachte.

Aantreffen vuurwapens en munitie

In de directe omgeving van de

[straatnaam]
zijn gedurende het politieonderzoek nog twee vuurwapens gevonden.

Op 29 februari 2020 wordt door een buurtbewoner een vuurwapen aangetroffen tijdens schoonmaakwerkzaamheden van het dak van het gebouw gelegen achter (en behorende bij) het pand aan de

[straatnaam]
te Paterswolde. Achter het gebouw loopt een brandgang.

De brandgang grenst aan de woningen aan de

[straatnaam]
tot en met
[nummer]
.

Op 23 april 2020 wordt door de politie met een drone gezocht naar een derde vuurwapen dat verdachte mogelijk bij zich zou hebben gehad. Het zoekgebied beslaat het gebied boven en rondom de percelen

[straatnaam]
en
[nummer]
. Na onderzoek treft de politie in een stuk grasland, gelegen achter het pand
[straatnaam]
te Paterswolde een derde vuurwapen aan .

Uit forensisch onderzoek door verbalisant

[verbalisant 4]
, werkzaam als materiedeskundige bij de specialistische ondersteuning, afdeling Wapens, Munitie en Explosieven, blijkt dat het op

3 januari 2020 op het perceel

[straatnaam]
te Paterswolde aangetroffen vuurwapen (hierna: vuurwapen 1, met spoor identificatienummer (hierna: SIN): AAN04824NL) een pistool van het merk/type Zoraki M906 betreft, zijnde een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Het op 29 februari 2020 aangetroffen vuurwapen (hierna: vuurwapen 2, met SIN: AAM07271NL) betreft eveneens een pistool van het merk/type Zoraki, M906, zijnde een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Het op 23 april 2020 aangetroffen vuurwapen (hierna: vuurwapen 3, met SIN: AAN19061NL) betreft eveneens een pistool van het merk Zoraki, model 906-B, zijnde een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Na zijn aanhouding op 3 januari 2020 wordt verdachte overgebracht naar het cellencomplex Hooghoudt te Groningen. Aldaar wordt hij gefouilleerd. Er worden in zijn linker broekzak drie scherpe patronen en in zijn rechter broekzak vier scherpe patronen aangetroffen.

De woning aan de

[straatnaam]
te Paterswolde is naar aanleiding van het incident doorzocht. Daarbij zijn diverse voorwerpen in beslag genomen, waaronder zeven sledes (onderdelen van vuurwapens) en meerdere patronen.

Tapgesprekken

Tijdens het politieonderzoek is telefoonverkeer afgeluisterd. Uit de tapgesprekken blijkt dat meerdere gesprekken zijn gevoerd tussen verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevond, en

[getuige]
, waarbij gesproken is over het schietincident. Uit een uitgewerkt tapgesprek van 3 februari 2020 tussen
[getuige]
en “NN-vrouw” blijkt -onder meer- dat
[getuige]
tegen haar heeft verklaard dat verdachte de nacht van 3 januari 2020 helemaal was doorgesnoven, onder de alcohol zat en naar buiten is gegaan met drie geladen pistolen.

Forensisch onderzoek

Uit forensisch onderzoek blijkt dat er schotresten zijn aangetroffen op de onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van verdachte zijn bemonsterd.

Verder is, op vuurwapen 1, DNA-profiel van ten minste twee personen aangetroffen, waarbij het DNA afkomstig kan zijn van verdachte en een onbekende vrouw.

De verkregen DNA-mengprofielen AANO4824NL#01, #02, #03, #04, #05en #09 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte

[verdachte]
en één willekeurige onbekende persoon dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

Tijdens forensisch onderzoek ter plaatse zijn door verbalisant

[verbalisant 5]
, werkzaam als forensisch technisch rechercheur/materiedeskundige bij de specialistische ondersteuning, afdeling Wapens, Munitie en Explosieven, twee schotbeschadigingen aangetroffen op een damwandprofiel dat aan de garage/schuur op perceel
[straatnaam]
is bevestigd.

Deze twee schotbeschadigingen bevinden zich in één lijn. De eerste schotbeschadiging, gezien vanuit de richting van de T-splitsing van de brandgang, is een ricochet (afkets) beschadiging. De volgende beschadiging is een inslagbeschadiging.

Gezien de aangetroffen ricochet- en inslagbeschadiging is te verklaren dat het projectiel op het damwandprofiel is gericocheerd en vervolgens nogmaals op het damwandprofiel is ingeslagen, maar niet is gepenetreerd. Gezien de aangetroffen schotbeschadigingen is de meest waarschijnlijke verklaring dat er een projectiel middels een vuurwapen is afgevuurd vanaf een positie van de T-splitsing van de brandgang in de richting van de

[straatnaam]
.

Door verbalisant

[verbalisant 6]
is, bij het forensisch onderzoek ter plaatse, aan het einde van de steeg, op de oprit bij perceel
[straatnaam]
, een gedeformeerd projectiel (SIN: AANI4962NL) aangetroffen. Dit projectiel is veiliggesteld.

Vervolgens is verbalisant

[verbalisant 6]
de steeg tussen de huisnummers
[nummer]
en
[nummer]
ingelopen vanaf de voorkant van de woningen. Rechts is de steeg voorzien van bosschages. Links bevindt zich de tuinafscheiding van perceel
[nummer]
. Aan het einde van de steeg bevindt zich links de losstaande schuur (ook wel: de garage) behorende bij perceel
[nummer]
. In de damwandbeplating van de schuur bevindt zich in het midden op ooghoogte een beschadiging. Aan het einde van de steeg rechts onder de bosschages is een patroon (SIN: AANI4963NL) aangetroffen. Deze patroon is veiliggesteld.

Er loopt een betegeld pad haaks op de steeg. Dit pad loopt naar rechts voorbij de achtertuin van perceel

[nummer]
dood. Links loopt dit pad achter de tuinen langs door tot voorbij perceel nummer
[nummer]
. Het pad komt uit op de steeg naast perceel
[nummer]
. Ter hoogte van de steeg tussen de percelen
[nummer]
en
[nummer]
, achter de daar aanwezige schuur, slaat de getrainde hond aan. Dit is vanaf de achterzijde gezien rechts in de hoek waar de paden haaks op elkaar lopen. Tussen de afgevallen bladeren onder de bosschages heeft de getrainde hond iets gevonden. De hondenbegeleider schuift wat bladeren aan de kant en verbalisant
[verbalisant 6]
ziet een huls liggen. Deze huls is veiliggesteld (SIN: AANI4964NL).

De hondenbegeleider geeft aan dat deze huls nog vers moet zijn, omdat de hond aanslaat.

De huls ligt tegenover de plek waar eerder de patroon (SIN: AANI4963NL) is veiliggesteld.

De richochetbeschadiging aan de damwand (AANI4971NL), de aangetroffen kogel (AAN14962NL; het gedeformeerde projectiel) en de aangetroffen huls (AANI4964NL) zijn onderzocht door het NFI.

Het NFI concludeert als volgt:

"Vraag 1: het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de huls (AANI4964NL) en de kogel (AANI4962NL) zijn verschoten met een ander vuurwapen dan het vuurwapen (AAN04824NL) (noot griffier: vuurwapen 1)

(…)

Vraag 3

Op de kogel (AANI4962NL) zijn deeltjes aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt met de verschillende materialen uit de stalen wand (AANI4971NL).

Zowel de kunststoflaag op de buitenzijde van de stalen wand als het zink van het gegalvaniseerde staal zijn aangetroffen. Dit maakt het erg aannemelijk dat er contact is geweest tussen kogel en de stalen wand."

Het NFI concludeert voorts als volgt:

"Het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de huls (AANI4964NL), aangetroffen na een schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020, is verschoten met het vuurwapen (AANI9061NL). (noot griffier: vuurwapen 3)

(…)

Huls

Voor de huls (AANI4964NL) en het vuurwapen (AANI9061NL) zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: de huls is verschoten met het vuurwapen;

Hypothese 2: de huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

De resultaten van het vergelijkend hulsonderzoek zijn minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Kogel

Voor de kogel (AANI4962NL) en het vuurwapen (AANI9061NL) zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 3: de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen;

Hypothese 4: de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

De resultaten van het vergelijkend kogelonderzoek zijn ongeveer even waarschijnlijk wanneer hypothese 3 waar is, als wanneer hypothese 4 waar is."

Uit aanvullende informatie van het NFI blijkt dat voor de kogel (AAN14962NL) geen aanwijzingen werden gevonden of deze met het hiervoor genoemde vuurwapen (AAN19061NL) of met een ander vuurwapen is verschoten.

Verklaringen verdachte

Verdachte verklaart dat hij zat ondergedoken in de woning aan de

[straatnaam]
te Paterswolde vanwege een conflict met zekere personen. Daarnaast stond hij gesignaleerd in het politiesysteem.

In de nacht van 3 januari 2020 had hij ruzie met zijn vriendin

[getuige]
. Toen
[getuige]
daarop de politie belde en benoemde dat zij zich in Paterswolde bevond, verliet hij de woning, bewapend met één vuurwapen, een aantal kogels en een mes. Hij wilde niet door de politie worden opgepakt.

Hij heeft zich enige tijd buiten schuilgehouden rondom de woning aan de

[straatnaam]
. Op een gegeven moment zag hij een politieauto met gedoofde lichten uit de straat wegrijden. Hij dacht toen dat hij veilig voor de politie was, maar toen hij na een tijdje de steeg inliep langs de woning aan de
[straatnaam]
, zag hij plots lichten in de tuin. Verdachte vreesde op dat moment voor zijn leven, omdat hij bang was om geliquideerd te worden. Er waren immers zekere personen die hem wat aan wilden doen. In de weken voorafgaand aan het schietincident had hij een observatieauto met camera's gericht op de woning aan de
[straatnaam]
in de straat zien staan. Dit betrof een rode Renault Mégane. Hij dacht toen dat die zekere personen hem in de gaten hielden.

Ten tijde van het schietincident stond hij achter de garage/schuur behorende bij de woning aan de

[straatnaam]
, op de hoek, aan het einde van de steeg links, gezien vanaf de voorkant van de woningen. Hij ging ervan uit dat er andere personen dan de politie op hem af kwamen. Hij meende dus dat dit de personen waren die hem wilden liquideren. Toen deze personen dichterbij kwamen, stak hij zijn arm de steeg in, stak deze omhoog, waarna hij met zijn vuurwapen, te weten het vuurwapen dat hij later achter de vuilnisbak in de achtertuin van de
[straatnaam]
heeft gelegd, een waarschuwingsschot heeft gelost. Hij had tijdens het wachten zijn vuurwapen geladen.

Hij schoot schuin de lucht in, in een hoek van 60 graden. Hij schoot met zijn rechterhand. Zijn arm ging de steeg in. Hij heeft niet met zijn lichaam in het midden van de steeg gestaan. Hij schoot alleen om de personen die hem wilden liquideren af te schrikken, zodat hij zichzelf in veiligheid kon brengen. Toen hij vervolgens om het hoekje keek, zag hij pas dat het twee agenten betrof.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden en de daarbij in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 3 januari 2020 één keer heeft geschoten, waarbij hij (gezien vanaf de voorkant van de woning aan de

[straatnaam]
) aan het einde van de steeg om de linkerhoek stond. Verdachte heeft verklaard dat hij niet met zijn lichaam de hoek om is geweest, maar dat hij zijn rechterarm

-met in zijn rechterhand het vuurwapen- de steeg in stak waarna hij (welbewust) schuin de lucht in heeft geschoten, in een hoek van 60 graden, waarmee hij beoogde een waarschuwingsschot te lossen om zekere personen die in de steeg liepen en die hem wilden liquideren, af te schrikken.

De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat hij niet gericht zou hebben geschoten op de personen in de steeg, maar (slechts) een waarschuwingsschot in de lucht zou hebben gelost. Die verklaring wordt weersproken door de resultaten van het verrichte forensische onderzoek. In dit verband geldt het navolgende.

Uit het forensisch onderzoek volgt dat de huls (AAN14964NL) die kort na het schietincident is aangetroffen (vanaf de achterzijde van de steeg gezien, rechts in de hoek van de

T-splitsing), is verschoten met vuurwapen 3 (AAN19061NL). Vuurwapen 3 is op 23 april 2020 aangetroffen in een stuk grasland, gelegen achter de evenwijdig aan de woningen aan de

[straatnaam]
tot en met
[nummer]
lopende brandgang. Bedoeld stuk grasland waar het vuurwapen is aangetroffen, is gelegen nabij de woning aan de
[straatnaam]
. Dit is de woning waar verdachte uit de steeg vandaan kwam toen hij zich in de nacht van 3 januari 2020 aan de politie overgaf. Daarbij heeft verdachte gelijk aan de politie aangegeven dat hij op dat moment geen vuurwapen bij zich droeg, maar dat hij zijn vuurwapen (en een mes) had gelegd achter een vuilnisbak in de achtertuin behorende bij de woning aan de
[straatnaam]
. De politie heeft het door verdachte bedoelde vuurwapen (vuurwapen 1, AAN04824NL) daar ook aangetroffen. Niet is evenwel vastgesteld dat op 3 januari 2020, tijdens het schietincident, met vuurwapen 1 is geschoten.

Voorts is, eveneens op een plaats nabij de woning aan de

[straatnaam]
, op 29 februari 2020 een vuurwapen aangetroffen (vuurwapen 2, AAM07271NL). Ten aanzien van dit vuurwapen geldt eveneens dat niet is vastgesteld dat daarmee op 3 januari 2020, tijdens het schietincident, is geschoten.

Op het stalen damwandprofiel dat aan de garage/schuur van de woning aan de

[straatnaam]
is bevestigd, zijn twee schotbeschadigingen aangetroffen, te weten een ricochet (afkets) beschadiging en een inslagbeschadiging. Uit het forensisch onderzoek volgt dat deze twee schotbeschadigingen zich in één lijn bevinden en op ooghoogte. Gezien de aangetroffen schotbeschadigingen is te verklaren dat het projectiel op het damwandprofiel is gericocheerd en vervolgens nogmaals op het damwandprofiel is ingeslagen, maar niet is gepenetreerd. De meest waarschijnlijke verklaring is dat er een projectiel met een vuurwapen is afgevuurd vanaf een positie van de T-splitsing van de steeg, in de richting van de
[straatnaam]
, derhalve de positie waar verdachte heeft gestaan op het moment van het schieten. Van belang is vervolgens dat aan het begin van de steeg -te weten op de oprit bij de woning aan de
[straatnaam]
-, een (gedeformeerde) kogel (AAN14962NL) is aangetroffen. Uit het forensisch onderzoek volgt dat er op de kogel deeltjes zijn aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt met de verschillende materialen uit de stalen damwand. Dit maakt het zeer aannemelijk dat er contact is geweest tussen deze kogel en de stalen damwand.

Het NFI concludeert voorts dat het even waarschijnlijk is dat de kogel is afgevuurd uit de loop van vuurwapen 3, als dat de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen. Uit de aanvullende informatie van het NFI volgt dat er geen aanwijzingen zijn gevonden waaruit kan worden opgemaakt of deze kogel met vuurwapen 3 of met een ander vuurwapen is verschoten.

De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat verdachte in de nacht van 3 januari 2020 vanaf de T-splitsing aan het einde van de steeg, in de richting van de

[straatnaam]
heeft geschoten met (in ieder geval) vuurwapen 3. Gelet op de in het stalen damwandprofiel aangetroffen schotbeschadigingen, die zich op ooghoogte bevinden, en de locatie van de aangetroffen gedeformeerde kogel (op welke kogel, kort gezegd, deeltjes van het damwandprofiel zaten) acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij enkel een waarschuwingsschot heeft gelost, en wel schuin de lucht in, in een hoek van 60 graden, waarbij alleen zijn rechterarm (met vuurwapen in de rechterhand) de steeg in ging, ongeloofwaardig.

Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op het moment van het schieten wel degelijk in/op de T-splitsing van de steeg heeft gestaan. Deze positie van verdachte past bij de in het stalen damwandprofiel aangetroffen schotbeschadigingen. Daar komt bij dat verbalisant

[slachtoffer 2]
met zoveel woorden heeft verklaard dat er een man midden op de

T-splitsing stond die schoot, en dat verbalisant

[slachtoffer 1]
heeft verklaard dat hij op ooghoogte een aantal vuurstoten zag, die hij herkende als mondingsvuur.

Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
te twijfelen. Zoals uit het vorenoverwogene blijkt, vinden hun verklaringen steun in overige bewijsmiddelen, in het bijzonder de resultaten van het forensisch onderzoek. De omstandigheid dat beide verbalisanten, in alle hectiek, menen vaker dan één keer te zijn beschoten, maakt zulks niet anders, terwijl het aantreffen van één “verse” huls, afkomstig uit vuurwapen 3, niet per se betekent dat slechts éénmaal is geschoten door verdachte. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat er meer hulzen in de nabije omgeving zijn aangetroffen en dat verdachte

-volgens de verklaring van zijn vriendin

[getuige]
tijdens een tapgesprek- die nacht met in totaal drie vuurwapens de woning aan de
[straatnaam]
heeft verlaten (waarvan vuurwapen 1 en 3 direct aan verdachte zijn te linken).

De raadsvrouw heeft nog betoogd -zonder verdere onderbouwing- dat niet vaststaat dat de twee schotbeschadigingen op het damwandprofiel daadwerkelijk zijn ontstaan bij het schietincident in de nacht van 3 januari 2020. De rechtbank gaat daar, blijkens de hiervoor besproken bewijsmiddelen, wel van uit.

Verdachte heeft ter terechtzitting met nadruk verklaard dat hij heeft geschoten omdat hij dacht dat zekere personen die al langer naar hem op zoek waren en hem wilden liquideren,

in de steeg liepen.

De rechtbank gaat hier niet in mee. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij (slechts) een waarschuwingsschot heeft gelost, ongeloofwaardig, reeds op grond van de resultaten van het forensisch onderzoek. Ook overigens komt de verklaring van verdachte dat hij dacht dat zekere personen in de steeg liepen die hem wilden liquideren, de rechtbank ongeloofwaardig voor. Omtrent de aard van de gestelde dreiging van die zekere personen richting verdachte, heeft verdachte geen enkele verklaring willen afleggen. Verdachte heeft, voor het eerst ter terechtzitting, verklaard dat,

in de weken voorafgaand aan het schietincident op 3 januari 2020, aan de

[straatnaam]
een rode Renault Mégane stond geparkeerd met daarin camera’s gericht op de woning waar verdachte verbleef (dus nummer
[nummer]
). Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting aangegeven dat deze verklaring zó moet worden begrepen dat daarmee de bedreiging die er van de kant van zekere personen in zijn richting is, wordt onderbouwd. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze verklaring afzonderlijke betekenis toekomt. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat niet valt in te zien waarom verdachte deze verklaring niet al in eerder stadium zou hebben kunnen afleggen.

De rechtbank houdt het ervoor, op grond van de bewijsmiddelen, dat verdachte in de nacht van 3 januari 2020 de woning aan de

[straatnaam]
heeft verlaten, nadat hij had begrepen dat zijn (toentertijd al dan niet ex-)vriendin
[getuige]
de politie had gebeld en de politie aan de lijn had. Bij zijn vertrek uit de woning had verdachte, volgens de verklaring van
[getuige]
tijdens een tapgesprek, drie vuurwapens bij zich. Uiteindelijk zijn ook drie vuurwapens aangetroffen in de directe omgeving van de
[straatnaam]
, de locatie waar verdachte zich in de nacht van 3 januari 2020 heeft overgegeven aan de politie.

De reden voor verdachte om (gewapend) de woning te verlaten, was dat hij op de vlucht was voor de politie, omdat hij gesignaleerd stond.

De politie is in een opvallende dienstauto ter plaatse gekomen. Deze dienstauto stond geparkeerd voor de woning aan de

[straatnaam]
. Verbalisanten zijn korte tijd in de woning gebleven.

Verdachte is, nadat hij de woning aan de

[straatnaam]
had verlaten, in de nabije omgeving van de woning gebleven. Verdachte heeft verklaard dat hij op een gegeven moment een politieauto met gedoofde lichten uit de straat zag wegrijden en dat hij toen dacht dat hij veilig was voor de politie.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat deze verklaring van verdachte -wat hier ook van zij- onverlet laat dat verbalisanten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
nog ter plaatse waren. Na het bezoek van verbalisanten
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
aan
[getuige]
in de woning
[straatnaam]
, hebben zij in de tuin gekeken (waarbij is geschenen met zaklampen), waarna zij ook nog de steeg/brandgang wilden controleren. Daarbij droeg verbalisant
[slachtoffer 2]
zijn portofoon zonder oortje en was het geluid van zijn portofoon hoorbaar. Verbalisanten gebruikten hun zaklampen in de steeg en voerden op normale toon een gesprek met elkaar. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte zijn ontgaan dat de personen die naderden door de steeg, agenten waren.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de agenten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
.

De rechtbank is gelet op de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte de dood van de agenten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
heeft gewild. Van vol opzet kan dan ook niet worden gesproken.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier de dood van de agenten- is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Indien onder de omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, waarbij nog moet worden opgemerkt dat verdachte onder invloed was van drank en drugs, vanaf een afstand van enkele meters en op ooghoogte, een kogel wordt afgevuurd in een steeg, in de richting van agenten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
die zich in die steeg bevinden, bestaat de aanmerkelijke kans dat
[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
wordt/worden geraakt en daardoor komt/komen te overlijden.

De verdachte moet zich van die kans bewust zijn geweest en heeft die kans, door te handelen zoals hij heeft gedaan, bewust aanvaard, althans op de koop toegenomen.

Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, althans op de koop heeft toegenomen, is de rechtbank niet gebleken. Dat er feitelijk geen letsel is ontstaan, maakt dit oordeel niet anders.

Op de keper beschouwd is het zo dat de door verdachte afgeschoten kogel

[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
rakelings moet hebben gemist.

Op basis van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van de agenten

[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
.

De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat vuurwapen 1 op 3 januari 2020 op aanwijzing van verdachte is aangetroffen achter de vuilnisbak in de tuin van perceel

[straatnaam]
te Paterswolde. Dit is de locatie waar verdachte vandaan kwam toen hij zich overgaf aan de politie. Op dit vuurwapen is -onder meer- DNA van verdachte aangetroffen. Vuurwapen 3 is aangetroffen op 23 april 2020, in de nabije omgeving van de locatie
[straatnaam]
. Met dit wapen heeft verdachte in de nacht van 3 januari 2020 geschoten.

Verdachte is na zijn aanhouding op 3 januari 2020 op het politiebureau gefouilleerd. In zijn broekzakken zijn in totaal zeven patronen aangetroffen. Voornoemde vuurwapens en de aangetroffen munitie zijn aldus direct aan verdachte te linken en daarmee is het onder 2

ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte op 3 januari 2020 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
(beiden werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Noord-Nederland) opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen in de richting van het (boven)lichaam van die
[slachtoffer 1]
en/of
[slachtoffer 2]
heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op 3 januari 2020 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo, twee wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten twee pistolen, van het merk Zoraki, Model (M)906, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool en kogelpatronen, zijnde munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. poging tot doodslag;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie III en munitie van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van ten hoogste 1,5 jaar, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht in het bijzonder rekening te houden met het feit dat verdachte al ruim elf maanden in voorarrest zit, een gering strafblad heeft, een zeldzame nieraandoening heeft en daarnaast blijkens de adviezen van Reclassering Nederland, na zijn vrijlating gebaat is bij hulpverlening en begeleiding van de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de adviezen van Reclassering Nederland van respectievelijk 20 april 2020 en

17 november 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 november 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag jegens agenten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
. Verdachte heeft in de nacht van 3 januari 2020 vanuit een donkere

steeg/brandgang op een afstand van drie à vier meter met een vuurwapen geschoten in de richting van deze twee agenten die bezig waren met de uitoefening van de aan hen door de samenleving toevertrouwde politietaak.

Agenten

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
werden onverhoeds geconfronteerd met zeer ernstig en levensbedreigend geweld. Dat zij daarbij niet zijn verwond of zelfs gedood, mag een wonder heten en is geenszins aan verdachte te danken. Door aldus te handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van
[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
en heeft hij hun zeer veel angst aangejaagd.

Blijkens de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen heeft het schietincident grote impact gehad op

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
, alsmede op hun gezin, overige familie en vrienden. Zij hebben doodsangst uitgestaan en ernstige hinder ondervonden van het schietincident, zowel privé als tijdens de uitoefening van hun politietaak.

Het gedrag van verdachte veroorzaakt tevens gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, temeer nu het schietincident heeft plaatsgevonden in een woonwijk. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het incident onder invloed was van drank en drugs. Hij had een halve fles wodka op en had cocaïne gesnoven.

Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van (in ieder geval) twee vuurwapens en munitie. Dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie uitlokt tot het gebruik ervan, is in onderhavig geval wel gebleken.

Dit alles rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de adviezen van Reclassering Nederland.

In deze adviezen is -onder meer- als conclusie vermeld, kort weergegeven:

Verdachte schetst een positief beeld van zichzelf en zijn functioneren. Het lijkt dat verdachte zijn problemen bagatelliseert. Er is bij verdachte sprake van problemen ten aanzien van meerdere leefgebieden, zoals het ontbreken van vaste huisvesting en vaste dagbesteding, financiële problemen en problematisch middelengebruik. Daarnaast is er mogelijk sprake van een negatief sociaal netwerk, een gebrek aan probleembesef en een gebrekkige probleemhantering. De zorgwekkende situatie van de leefgebieden maakt dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf met daarbij een voorwaardelijk deel.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd. Hierbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:1.

[slachtoffer 1]
, tot een bedrag van € 4.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; 2.
[slachtoffer 2]
, tot een bedrag van € 4.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen tot schadevergoeding voldoende zijn onderbouwd en toewijsbaar zijn, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de beide vorderingen zijn onderbouwd en dat verdachte zich realiseert dat hij door zijn handelen gevoelens van angst heeft veroorzaakt bij de beide politieagenten. De gevorderde immateriële schade is evenwel aan de hoge kant bij bewezenverklaring van -zoals de raadsvrouw heeft bepleit- een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en verzoekt de rechtbank, afhankelijk van de bewezenverklaring (het onder 1 primair ten laste gelegde of het onder 1 subsidiair ten laste gelegde), de hoogte van de immateriële schade te schatten.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1]
de gestelde immateriële schade van € 4.000,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde.

De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 januari 2020.

Naar het oordeel van de rechtbank is tevens voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2]
de gestelde immateriële schade van € 4.000,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde.

De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 januari 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tot en met 12 genummerde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 5 november 2020 dienen te worden vernietigd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal bevelen dat alle op de beslaglijst onder 1 tot en met 12 genummerde voorwerpen dienen te worden teruggeven aan de rechthebbende(n).

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1]
toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.000,- (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2020.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1]
, te betalen een bedrag van € 4.000,- (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2020. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 50 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 4.000,- immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1]
, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2]
toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.000,- (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2020.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2]
, te betalen een bedrag van € 4.000,- (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2020. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 50 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 4.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2]
, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]
en
[slachtoffer 2]
gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Beslag

Beveelt teruggave aan de rechthebbende(n) van de onder 1 tot en met 12 genummerde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 5 november 2020, te weten:

- 12 stk jerrycan;

- 1 stk inpakmachine kl: grijs;

- 2 stk tent, kweektent;

- 3 stk overige goederen, droognet;

- 1 stk geldautomaat, telmachine;

- 3 stk pijp;

- 3 stk filter, can-lite 600;

- 1 colafles;

- 1 stk ventilator;

- 1 stk vuilniszak kl: grijs;

- 1 stk vuilniszak kl: grijs;

- 1 stk persluchtapparaat, drukpers.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. M. van den Steenhoven en

mr. T.P. Hoekstra, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 december 2020.

Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de politie eenheid Noord-Nederland, districtsrecherche Drenthe, onderzoek CADILLAC met het onderzoeksnummer NN3R019128/CADILLAC en met het proces-verbaalnummer 69, met als sluitingsdatum 29 april 2020.

Waar in de voetnoten wordt verwezen naar dossierpagina's middels de afkorting p. betreffen dit pagina's van voornoemd proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de politie eenheid Noord Nederland, districtsrecherche Drenthe. Indien voor de p. de afkorting FD staat wordt hiermee de pagina in het forensisch dossier met Proces-verbaalnummer PL0100-2020003507 (onderzoek CADILLAC) met als sluitingsdatum 9 juni 2020 bedoeld.

proces-verbaal van bevindingen uitwerking meldkamergesprekken d.d. 4 januari 2020, p. 47 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 34 e.v.; proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 januari 2020, p. 126 e.v.; en proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d.

15 september 2020

proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict d.d. 8 februari 2020, p. 392 e.v.

proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 januari 2020, p. 131 e.v.; en proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 15 september 2020

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 39 e.v. en proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 41 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 37 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 36; en proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 januari 2020, p. 105

proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 februari 2020, p. 170 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2020, p. 226 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2020, p. 149 e.v.

proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 16 maart 2020, p. 171 e.v.

proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juni 2020, los opgenomen in het dossier

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 46

proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2020, p. 58 e.v.

uitgewerkt tapgesprek d.d. 3 februari 2020, p. 246

verkorte rapportage van het NFI betreffende schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020 d.d. 24 januari 2020, bijlage A FD p. 455 e.v.

rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020 d.d. 1 april 2020, bijlage B FD p. 477 e.v.

proces-verbaal van onderzoek schotbeschadigingen d.d. 22 januari 2020, p. 151 e.v.

In het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict (

[straatnaam]
Paterswolde) d.d. 8 februari 2020 staat (zie p. 393, negende regel) dat het gedeformeerde projectiel (kogel) is voorzien van SIN:AAN14965NL. De rechtbank gaat ervan uit dat dit een misslag is. Bedoeld zal zijn dat het gedeformeerde projectiel (kogel) is voorzien van SIN:AAN14962NL. Zie hiervoor ook p. 396 en p. 397, en het rapport NFI Wapen-, munitie- en microsporenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020 d.d. 28 april 2020, bijlage D FD p. 488 e.v. (in het bijzonder p. 490)

proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (

[straatnaam]
Paterswolde) d.d.

8 februari 2020, FD p. 391

rapport NFI Wapen-, munitie- en microsporenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020 d.d. 28 april 2020, bijlage D, FD p. 488 e.v.

rapport NFI wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een vuurwapen in Paterswolde op 23 april 2020 d.d. 5 juni 2020, bijlage F, FD p. 510 e.v.

aanvullende informatie NFI betreffende schietincident in Paterswolde op 3 januari 2020 d.d. 5 juni 2020, bijlage H, FD p. 520

afgelegd ter terechtzitting van 1 december 2020

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158