Strafrecht overig

Opzettelijk gebruikmaken van een valse Belgische verblijfskaart (art. 231 lid 2 Sr subsidiair art. 225 lid 2…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 juli 2026

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
21-003083-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4673
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk gebruikmaken van een valse Belgische verblijfskaart (art. 231 lid 2 Sr subsidiair art. 225 lid 2 Sr) door een Syriër die kort na het inreizen van Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en aan wie later ook een asielvergunning is verleend.

Het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging, omdat de vervolging in strijd is met artikel 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag. In verband met het zogenoemde 'coming directly'-vereiste overweegt het hof dat dit vervolgingsbeletsel niet wordt weggenomen doordat de verdachte na het ontvluchten van Syrië een aantal jaar in Turkije heeft verbleven voordat hij naar Nederland is gekomen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003083-23

Uitspraakdatum: 17 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 juni 2023 met parketnummer 05-075566-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [datum] in [plaats] (Syrië),

wonende op het adres [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.J. Jansen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 15 maart 2023 te Duiven opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationale verblijfskaart van België (documentnummer: 355344821, op naam van [naam] ), door voornoemde verblijfskaart te tonen aan verbalisanten die een toezichtscontrole uitvoerden op grond van de Vreemdelingenwet 2000;

subsidiair

hij op of omstreeks 15 maart 2023 te Duiven opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationale verblijfskaart van België (documentnummer: [nummer] , op naam van [naam] als ware het echt en onvervalst, door voornoemde verblijfskaart te tonen aan verbalisanten die een toezichtscontrole uitvoerden op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Dit wordt als volgt onderbouwd.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Ter onderbouwing daarvan is aangevoerd (kort gezegd) dat de vervolging van de verdachte in strijd is met artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: Vluchtelingenverdrag).

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging. Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag vormt in dit geval geen vervolgingsbeletsel, omdat de verdachte niet voldoet aan de voorwaarde dat hij (toen hij Nederland inreisde) rechtstreeks kwam (‘directly coming’) uit een land waar zijn leven of vrijheid wordt bedreigd. De verdachte heeft na het ontvluchten van Syrië namelijk een aantal jaar in Turkije verbleven voordat hij naar Nederland is gekomen.

Oordeel hof

Artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: Vluchtelingenverdrag) luidt als volgt:

‘The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry of presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of Article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry of presence.’

Voor deze strafzaak is van belang dat uit deze verdragsbepaling voortvloeit dat vluchtelingen niet behoren te worden vervolgd voor het bezit en/of gebruik van valse identiteitspapieren als dat bezit en/of gebruik samenhangt met het illegaal inreizen van Nederland met het oog op het aanvragen van een asielvergunning (waarbij het hof hier onder ‘vluchtelingen’ alle vreemdelingen verstaat die voldoen aan de voorwaarden voor een asielvergunning in de zin van de Vreemdelingenwet 2000).

Dit vervolgingsbeletsel geldt alleen bij vluchtelingen die rechtstreeks komen (‘coming directly’) uit een land waar hun leven of vrijheid wordt bedreigd. Voor de uitleg van dat begrip ‘coming directly’ heeft het hof onder meer gelet op de Guidelines (van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR)) on International Protection No. 14: Non-penalization of refugees on account of their irregular entry or presence and restrictions on their movements in accordance with Article 31 of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, van 23 september 2024. Dat document houdt onder meer het volgende in (voetnoten weggelaten):

‘Article 31(1) applies to refugees who come “directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1”. Such a territory can be the refugee’s country of origin or any other territory where their life or freedom was threatened in the sense of Article 1 of the 1951 Convention. Refugees “coming directly” include those who come straight from such territory, but may also include those who have merely transited through an intermediate country or countries, as well as those who have stayed in an intermediate country or countries. (…) [I]n determining whether a person can be considered to have been “coming directly,” elements to consider include the length of stay in any intermediate country or countries; the reasons for delaying onward movement from that country; and whether or not the refugee sought or found international protection there.’

Bij de beoordeling of het vervolgingsbeletsel van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag in deze zaak van toepassing is, is het hof uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

? De verdachte is geboren in Syrië en heeft de Syrische nationaliteit. In 2015 of 2016 is de verdachte van Syrië naar Turkije gevlucht. In januari 2023 heeft de verdachte Turkije verlaten en is de verdachte via Bulgarije, Servië, Hongarije, Slowakije, Polen en Duitsland naar Nederland gereisd. De verdachte is Nederland ingereisd op 15 maart 2023.

? Na het ontvluchten van Syrië heeft de verdachte ongeveer 7 jaar in Turkije verbleven. De verdachte heeft in Turkije een tijd een tijdelijk verblijfsdocument gehad. De verdachte is vanuit Turkije doorgereisd naar Nederland omdat hij in Nederland familie heeft en omdat zijn tijdelijke verblijfsdocument niet zou worden verlengd. Daardoor liep de verdachte in Turkije het risico dat hij zou worden uitgezet naar Syrië.

? Toen de verdachte Nederland inreisde, had hij een valse Belgische verblijfskaart bij zich. Hiervoor wordt de verdachte vervolgd.

? De verdachte heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 8 april 2024 is de verdachte een asielvergunning verleend, met als ingangsdatum 16 maart 2023.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vervolging van de verdachte in strijd is met artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag. Naar het oordeel van het hof wordt dit vervolgingsbeletsel niet weggenomen doordat de verdachte na het ontvluchten van Syrië een aantal jaar in Turkije heeft verbleven voordat hij naar Nederland is gekomen. Daarbij is van belang dat het verblijf in Turkije blijkbaar niet in de weg heeft gestaan aan het verlenen van een asielvergunning. Bovendien liep verdachte tijdens zijn verblijf in Turkije het risico dat hij zou worden uitgezet naar Syrië, nu het hof aanneemt dat – zoals door het Openbaar Ministerie ook niet is weersproken – het tijdelijke verblijfsdocument van de verdachte in Turkije op enig moment niet werd verlengd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de politierechter en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. D. Stikkelbroeck, mr. J. Corthals en mr. R.D.J. Visschers, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juli 2026.

Mr. Visschers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.