Strafrecht overig
Procesafspraken. Ontnemingszaak. Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank, waarbij rekening is…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 augustus 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5172 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5172
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- 21-003062-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5172
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Procesafspraken. Ontnemingszaak. Het hof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank, waarbij rekening is gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. Het hof acht de in de procesafspraken opgenomen afdoening redelijk en passend. Het hof is tevens van oordeel dat het hoger beroep niet (vooral) is ingesteld om het recht op hoger beroep in combinatie met de verdedigingsrechten in te zetten voor het bereiken van een voor betrokkene gunstige procesafspraak.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003062-25
Uitspraakdatum: 11 augustus 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkorte beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2025 met parketnummer 16-249820-21 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de [locatie P.I.] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 28 juli 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw,
mr. M.N. Greeven, hebben aangevoerd.
Beslissing waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Procesafspraken
Voorafgaand aan de zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal laten weten dat de verdediging en het openbaar ministerie overeenstemming hebben bereikt over procesafspraken.
Op 22 juli 2026 heeft het hof de ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het openbaar ministerie en betrokkene ontvangen.
Het gezamenlijke afdoeningsvoorstel houdt – voor zover relevant – in dat:
betrokkene in het kader van deze overeenkomst:
-
geen nieuwe onderzoekswensen indient;
-
geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt, uiterlijk ter zitting maar bij voorkeur eerder schriftelijk;
-
geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
-
zich niet aan de inning van de vordering zal onttrekken.
het openbaar ministerie in het kader van deze overeenkomst:
? ?? ??ter terechtzitting zal vorderen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 23.875,- en dat een betalingsverplichting van € 20.000,- wordt opgelegd.
Verder zien beide partijen af van cassatie indien de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting door het gerechtshof conform deze overeenkomst plaatsvindt.
Beoordeling van de procesafspraken
De procesafspraken zijn ter zitting van 28 juli 2026 besproken.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door beide partijen bevestigd en toegelicht. Daarbij is besproken dat betrokkene in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot een ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het voorliggende afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Omdat de procesafspraken op basis van vrijwilligheid en op basis van wederkerigheid tot stand zijn gekomen en betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep in aanwezigheid van zijn raadsvrouw meermalen ondubbelzinnig heeft aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en daarmee akkoord te gaan, komen deze afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Het oordeel van het hof
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de afdoening van de zaak redelijk en passend zijn.
Ofschoon het voor het voor het hof niet helemaal inzichtelijk is waarom het openbaar ministerie en de verdediging ten aanzien van de betalingsverplichting op een lager bedrag zijn uitgekomen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, is dit voor het hof onvoldoende reden anders te beslissen dan is overeengekomen. Kennelijk is de afspraak een gevolg van een verschil van mening over het werkelijk genoten voordeel. Volgens betrokkende was het door hem genoten voordeel namelijk lager dan € 23.875,- (en ook lager dan € 20.000,-). Hij is in hoger beroep gegaan om dit aan te tonen, onder meer door het laten horen van mededaders.
Gelet hierop is het hof tevens van oordeel dat het hoger beroep niet (vooral) is ingesteld om het recht op hoger beroep in combinatie met de verdedigingsrechten in te zetten voor het bereiken van een voor betrokkene gunstige procesafspraak.
Gelet op het voorgaande en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de persoon van betrokkene naar voren is gekomen, acht het hof de in de procesafspraken opgenomen afdoening redelijk en passend.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 15 februari 2025 (met parketnummer 21-004052-23) voor:
-
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
-
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
-
het medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van € 20.000,-.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald.
Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de procesafspraken tussen betrokkene en het openbaar ministerie schatten op een bedrag van € 23.875,-. Het hof acht de door de advocaat-generaal voorgestelde afdoening redelijk en passend nu deze aansluit bij de berekening zoals weergegeven in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 april 2022 in combinatie met het oordeel van de rechtbank dat betrokkene het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel moest delen met drie andere personen.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat conform de procesafspraken tussen betrokkene en het openbaar ministerie vaststellen op een bedrag van € 20.000,-.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 23.875,00 (drieëntwintigduizend achthonderdvijfenzeventig euro).
Legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. J.D. den Hartog en
mr. E.P.J. Schelkers, in aanwezigheid van de griffier mr. L.A.C. van den Berg-Veltman
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 augustus 2026.