Strafrecht overig
Bewezenverklaring van oplichting en misbruik van identiteitsgegevens. Vrijspraak van mishandeling vanwege een…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6800 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6800
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-004658-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6800
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezenverklaring van oplichting en misbruik van identiteitsgegevens. Vrijspraak van mishandeling vanwege een geslaagd beroep op noodweer. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004658-24
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 25 oktober 2024 met parketnummer 18-172508-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
uit anderen hoofde verblijvende in de [locatie] te [plaats 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis. De advocaat-generaal vordert daarnaast de toewijzing van de vordering van de [benadeelde 1] voor een bedrag van € 530,00 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Smid, en de [benadeelde 1] hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 25 oktober 2024 verdachte ten aanzien van feit 1 (oplichting) en feit 2 (misbruik van identiteitsgegevens) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Verdachte is daarnaast door de politierechter vrijgesproken van feit 3 (vernieling) en ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 4 (mishandeling). De vordering van de [benadeelde 1] ter hoogte van € 530,00, bestaande uit € 30,00 materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, is door de politierechter toegewezen. De vordering van de [benadeelde 2] is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, omdat in hoger beroep de tenlastelegging is gewijzigd. Het hof doet opnieuw recht.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder feit 3 tenlastegelegde vernieling. Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor dus ook gericht tegen de vrijspraak voor dit feit. Verdachte kan op basis van de wet (art. 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)) tegen een vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen die vrijspraak is gericht. Dit betekent dat feit 3 in hoger beroep niet meer aan de orde is.
De tenlastegelegde mishandeling (feit 4) is in hoger beroep wel opnieuw aan de orde omdat verdachte door de politierechter is ontslagen van alle rechtsvervolging.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 23 februari tot en met 3 april 2023 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , in de [gemeente 1] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het [Bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten hoeveelheden en/of een hoeveelheid bouwmateria(a)l(en), hebbende hij, verdachte, met gegevens van anderen, te weten bedrijfsgegevens van [Bedrijf 2] en/of het [Bedrijf 3] en/of [Bedrijf 4] en/of een bankrekeningnummer van een incassobureau en/of een telefoonnummer van [Bedrijf 5] één of meer bestellingen geplaatst bij voornoemd bedrijf en/of (daarbij) als leveradres adres [adres 1] te [plaats 2] , zijnde verdachtes adres, en/of [adres 2] te [plaats 3] en/of [adres 3] te [plaats 2] en/of op laatstgenoemd adres verdachte de chauffeur liet weten de goederen voor de buren aan te nemen en/of (vervolgens) voor ontvangst heeft getekend;
2.
hij in of omstreeks de periode van 16 januari tot en met 26 mei 2023, in de [gemeente 1] en/of in de [gemeente 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten de naam en/of de bedrijfsnaam en/of het woonadres en/of het bedrijfsadres van [slachtoffer 1] ( [Bedrijf 2] en/of [Bedrijf 6] ) en/of [slachtoffer 2] ( [Bedrijf 2] ) en/of [benadeelde 1] ( [Bedrijf 3] ) en/of [benadeelde 2] ( [Bedrijf 4] ) heeft gebruikt door met die persoonsgegevens online goederen te bestellen, met het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
4.
hij op of omstreeks 26 mei 2023 te [plaats 2] , [gemeente 1] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door boterzuur, althans een bijtende en/of brandende en/of traanverwekkende stof in het gezicht te spuiten;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze (voor zover aan de orde) in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1 (oplichting) en feit 2 (misbruik van identiteitsgegevens)
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2 vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het daadwerkelijk verdachte is geweest die de bestellingen heeft gedaan. Het bewijs bestaat uit de verdenkingen van getuigen, maar onduidelijk is waar zij die verdenkingen op baseren. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de bestellingen heeft geplaatst, waardoor niet kan komen vast te staan dat verdachte de identiteit van die (rechts)personen heeft gebruikt.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte heeft diverse bedrijven benadeeld door spullen te bestellen in hun naam, terwijl deze goederen niet bij de betreffende bedrijven werden afgeleverd en ook niet betaald werden. Verschillende getuigen hebben zowel in hun aangifte als bij de raadsheer-commissaris uitgebreid verklaard over de oplichtingen. Daarbij is er telkens een link met verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Het dossier bevat verschillende aangiftes van meerdere personen en bedrijven. De heer [slachtoffer 3] doet namens [Bedrijf 1] aangifte van oplichting. Hij verklaart dat op 23 februari 2023 een chauffeur in opdracht van [Bedrijf 1] goederen heeft afgeleverd op het adres [adres 3] te [plaats 2] . Na aflevering is hiervoor niet betaald. De heer [slachtoffer 3] doet later nogmaals aangifte van soortgelijke leveringen. De bestellingen zijn gedaan op naam van twee bedrijven, te weten: [Bedrijf 2] en [Bedrijf 3] (hierna: [Bedrijf 3] ). Deze bestellingen zijn afgeleverd, maar niet betaald.
De heer [slachtoffer 1] ( [Bedrijf 6] ) doet aangifte wegens identiteitsmisbruik en verklaart dat een bezorger van het [Bedrijf 7] op 17 maart 2023 bij hem aan de [adres 4] in [plaats 4] een bestelling kwam afleveren. [slachtoffer 1] had deze bestelling echter niet geplaatst.
De heer [benadeelde 1] doet op 17 april 2023 aangifte van identiteitsmisbruik. Hij verklaart dat op naam van zijn zorgbedrijf, [Bedrijf 3] , verschillende goederen waren besteld. De heer [benadeelde 1] ontving diverse ingebrekestellingen voor bestellingen die hij niet had gedaan. De goederen waren bezorgd op het adres [adres 2] te [plaats 3] .
Ook de heer [benadeelde 2] ( [Bedrijf 5] ) doet aangifte vanwege identiteitsfraude. Hij is door [Bedrijf 1] benaderd vanwege een openstaande factuur. Op zijn naam en op naam van zijn bedrijf was een bestelling geplaatst en bezorgd op het afleveradres [adres 5] in [plaats 5] . Bij de bestelling stond het telefoonnummer van verdachte. De heer [benadeelde 2] doet daarnaast aangifte wegens identiteitsfraude vanwege een aanmaning die hij had ontvangen van de [Bedrijf 8] ten behoeve van het plaatsen van een (bouw)container die was afgeleverd aan de [adres 3] in [plaats 2] .
Ten slotte doet mevrouw [slachtoffer 2] ( [Bedrijf 2] ) aangifte wegens identiteitsfraude. Zij ontving een aanmaning wegens een openstaande factuur bij [Bedrijf 1] . Er was een bestelling in haar naam geplaatst – die zij niet had gedaan – en afgeleverd bij de [adres 1] in [plaats 2] .
Op basis van het dossier stelt het hof vast dat er verschillende bestellingen zijn gedaan die op een ander adres zijn bezorgd dan bij degene die de bestelling zou hebben gedaan en waarvoor niet werd betaald. Het hof constateert dat alle bestellingen, via gegevens bij de bestelling, via het afleveradres of vanwege een persoonlijke relatie, gekoppeld kunnen worden aan verdachte. Verdachte woont op de [adres 1] in [plaats 2] . De vader van verdachte woont aan de [adres 4] in [plaats 4] . Op beide adressen zijn bestellingen afgeleverd.
Verdachte heeft bij de levering aan zijn adres op 17 maart 2023 aan de bezorger medegedeeld dat hij een personeelslid was van [Bedrijf 6] en dat hij daarom de goederen kon aannemen. Op 23 februari 2023 werden goederen afgeleverd, geadresseerd aan het adres [adres 3] in [plaats 2] , de woning naast verdachte. Verdachte heeft tegen de chauffeur gezegd dat hij de goederen voor de buren kon aannemen en hij heeft voor ontvangst getekend. Op de [adres 5] in [plaats 5] is ook een bestelling afgeleverd. Op dit adres zou verdachte samen met zijn zakenpartner verbouwen, zo verklaarde verdachte op de zitting in hoger beroep.
De heer [benadeelde 1] (van [Bedrijf 3] ) en verdachte kennen elkaar via het ambulante zorgbedrijf van [benadeelde 1] , waar de vriendin van verdachte korte tijd cliënt was. Zij zouden in onmin zijn geraakt over de begeleiding die zij ontving van [Bedrijf 3] . De heer [benadeelde 2] (van [Bedrijf 5] ) verklaart dat hij verdachte kent van een klus die verdachte voor een bedrijf heeft gedaan bij [Bedrijf 4] . Verdachte zou van mening zijn dat hij voor die klus nog betaald moet worden. De heer [slachtoffer 1] (van [Bedrijf 6] ) en verdachte kennen elkaar omdat verdachte in het verleden een paar weken voor de heer [slachtoffer 1] heeft gewerkt.
Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast dat verschillende goederen van de bestellingen bij verdachte zijn aangetroffen. De heer [slachtoffer 1] treft accu’s van het merk Makita, veiligheidsschoenen en handschoenen aan bij verdachte, die door hem al in gebruik zijn genomen. Deze goederen zijn op naam van het [Bedrijf 6] van de heer [slachtoffer 1] besteld. De heer [benadeelde 2] (van [Bedrijf 4] ) treft de in zijn naam bestelde bouwmaterialen aan in de tuin van verdachte. Verder staat naast de woning van verdachte ( [adres 3] , [plaats 2] ) een bouwcontainer met bouwmateriaal die daar is afgeleverd door [Bedrijf 8] . Op de order staat het telefoonnummer van verdachte vermeld, met de aanwijzing dat met dat nummer gebeld moet worden voor de plaatsing van de container. In de container liggen meerdere dozen waar de adresseringsstickers uit zijn geknipt. De heer [benadeelde 2] ontving voor het plaatsen van deze container een factuur van [Bedrijf 8] .
De aangevers zijn gehoord bij de raadsheer-commissaris. Zij hebben uitvoerig verklaard over de oplichtingen. Hieruit volgt dat verdachte de oplichtingen volgens dezelfde modus operandi heeft uitgevoerd. Hieruit volgt ook dat verdachte met alle betrokken partijen waarvan verdachte de identiteitsgegevens heeft gebruikt in een conflict was verwikkeld (geweest).
Op grond van het hiervoor beschrevene is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een valse naam heeft aangenomen en zich heeft voorgedaan als [Bedrijf 2] , het [Bedrijf 3] en als [Bedrijf 5] , en vervolgens, meermaals, diverse materialen heeft besteld en laten bezorgen op aan verdachte te linken adressen, zonder deze goederen te betalen. Verdachte wordt vrijgesproken ten aanzien van de zinssnede en/of een bankrekeningnummer van een incassobureau, nu dit niet volgt uit de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde komt het hof ook tot een veroordeling. Er zijn meerdere aangiftes én de link met verdachte is helder. Verdachte heeft de spullen besteld op naam van de genoemde personen en bedrijven zonder deze te betalen. Daarnaast heeft verdachte een container in zijn straat laten plaatsen zonder hiervoor te betalen. Hij heeft deze bestelling op een andere naam (de heer [benadeelde 2] van [Bedrijf 4] ) gedaan. Het kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude met als gevolg dat er wederrechtelijk nadeel is ontstaan.
Ten aanzien van feit 4 (mishandeling)
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte uit noodweer handelde. De camerabeelden bevestigen volgens de verdediging dat de heer [slachtoffer 1] het geweld heeft geïnitieerd en dat verdachte daar enkel op heeft gereageerd. De heer [slachtoffer 1] probeerde de woning van verdachte binnen te komen en maakte het verdachte onmogelijk om zijn deur te sluiten. Het boterzuur was het enige middel waarmee verdachte zich kon verdedigen aangezien hij fysiek niet in staat was zich te verweren vanwege het recent bij verdachte geplaatste hartkastje.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was geen sprake van een onmiddellijke aanranding en daarnaast was de handeling ter verdediging van verdachte buitenproportioneel.
Oordeel van het hof
Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangifte van de heer [slachtoffer 1] en het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 31 augustus 2023, blijkt dat verdachte op 26 mei 2023, tijdens een fysieke confrontatie bij de voordeur van zijn woning boterzuur in de ogen van de heer [slachtoffer 1] heeft gespoten. Verdachte heeft bij de politie erkend dat hij de heer [slachtoffer 1] in zijn ogen heeft gespoten met boterzuur. Hij verklaarde daarover dat de heer [slachtoffer 1] bij hem binnen wilde komen, dat hij dat niet wilde en dat hij hem met het boterzuur probeerde af te houden. Er was volgens hem dus sprake van noodweer.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van de verdediging van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit de stukken die zich in het dossier bevinden leidt het hof het volgende af. Verdachte was op 26 mei 2023 in zijn woning in [plaats 2] toen de heer [slachtoffer 1] samen met zijn neef aan de deur kwam om verhaal te halen vanwege oplichting (feit 1). De neef van de heer [slachtoffer 1] filmde de gebeurtenissen. Op die beelden is duidelijk te zien dat de heer [slachtoffer 1] met een been, en het grootste gedeelte van zijn lichaam in de woning van verdachte stond. De heer [slachtoffer 1] confronteerde verdachte met informatie op zijn telefoon. Vervolgens is te zien dat de heer [slachtoffer 1] zijn telefoon aan zijn neef geeft die achter hem staat en vervolgens probeert verder het huis van verdachte binnen te dringen. Er ontstaat een worsteling en verdachte spuit in de richting van de heer [slachtoffer 1] met een flesje waar boterzuur in zit. Dat flesje heeft verdachte bij de voordeur staan vanwege eerdere problemen bij zijn woning, zo verklaart hij. Ook is te horen dat verdachte meerdere keren “weg nu” roept. Vervolgens is langere tijd alleen de voorovergebogen rug van de heer [slachtoffer 1] zichtbaar. Op het moment dat de heer [slachtoffer 1] overeind komt ligt verdachte bewusteloos op de grond. Verdachte wordt met de ambulance opgehaald en bij hem wordt een hersenschudding geconstateerd en enkele gekneusde ribben. De heer [slachtoffer 1] heeft door de handeling van verdachte boterzuur in zijn ogen gekregen en heeft op advies van de ambulancemedewerkers zijn ogen 30 minuten gespoeld.
Uit de hierboven beschreven situatie leidt het hof af dat de heer [slachtoffer 1] het geweld heeft geïnitieerd. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof niet dat verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht. Hoewel de intentie van de heer [slachtoffer 1] wellicht in eerste instantie was gelegen in het verhaal halen bij verdachte, veranderde dit naar het oordeel van het hof in een wederrechtelijke aanranding toen hij zijn telefoon aan zijn neef gaf om vervolgens – ondanks herhaalde verzoeken van verdachte om te vertrekken – met geweld verder de woning van verdachte binnen te dringen. Het hof is van oordeel dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door de heer [slachtoffer 1] , waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk was.
Daarnaast overweegt het hof ten aanzien van de subsidiariteitseis het volgende. Verdachte bevond zich in zijn eigen woning en stond in zijn smalle gang. De voordeur ging naar binnen open. Hij stond zelf direct achter de voordeur. Door het met geweld binnendringen van de heer [slachtoffer 1] kwam verdachte klem te zitten achter de deur, wat hem beperkte in zijn bewegingsruimte. Het lukte hem niet meer om de deur dicht te drukken, nu de heer [slachtoffer 1] daar tegenaan duwde om binnen te komen. Verdachte had daardoor geen mogelijkheid om zich op een andere manier te onttrekken aan de ogenblikkelijke aanranding.
Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de proportionaliteitseis dat het gebruik van het gekozen middel, het boterzuur, onder de gegeven omstandigheden proportioneel was.
Uit het dossier blijkt dat de heer [slachtoffer 1] weliswaar op advies van de ambulancemedewerkers dertig minuten zijn ogen heeft uitgespoten maar niet dat hij enig letsel, pijn of irritatie heeft overgehouden aan het boterzuur. Ook is niet op het filmpje te horen dat de heer [slachtoffer 1] pijn of last had van het boterzuur. Integendeel, het boterzuur heeft [slachtoffer 1] er niet van weerhouden om dusdanig geweld te gebruiken tegen verdachte dat hij het bewustzijn heeft verloren. Het hof oordeelt dat de handeling van verdachte - het spuiten met het boterzuur - onder de hierboven geschetste omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De verdachte komt een geslaagd beroep op noodweer toe. Daardoor is de als mishandeling ten laste gelegde gedraging niet wederrechtelijk: de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in de periode van 23 februari tot en met 3 april 2023 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , in de [gemeente 1] , althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het [Bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten bouwmaterialen, hebbende hij, verdachte, met gegevens van anderen, te weten bedrijfsgegevens van
- [Bedrijf 2] en/of
- het [Bedrijf 3] en/of
- [Bedrijf 4] en/of
- een telefoonnummer van [Bedrijf 5]
bestellingen geplaatst bij voornoemd bedrijf en daarbij als afleveradres op te geven [adres 1] te [plaats 2] , zijnde verdachtes adres, en [adres 2] te [plaats 3] en [adres 3] te [plaats 2] en op laatstgenoemd adres verdachte de chauffeur liet weten de goederen voor de buren aan te nemen en vervolgens voor ontvangst heeft getekend;
2.
hij in de periode van 16 januari tot en met 26 mei 2023 in de [gemeente 1] en in de [gemeente 2] opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten de naam en/of de bedrijfsnaam en/of het woonadres en/of het bedrijfsadres van [slachtoffer 1] ( [Bedrijf 2] en/of [Bedrijf 6] ) en/of [slachtoffer 2] ( [Bedrijf 2] ) en/of [benadeelde 1] ( [Bedrijf 3] ) en/of [benadeelde 2] ( [Bedrijf 4] ) heeft gebruikt door met die persoonsgegevens online goederen te bestellen, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde
biometrische persoonsgegevens. van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om net als de politierechter, bij een veroordeling, aan verdachte een taakstraf op te leggen eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en misbruik van identiteitsgegevens. Verdachte heeft met het doen van bestellingen – ter waarde van duizenden euro’s – in andermans naam zonder hiervoor te betalen, maar het zich wel toe te eigenen, enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Verdachte heeft bij de gedupeerden overlast en hinder veroorzaakt. Leveranciers hebben geen betaling ontvangen voor hun geleverde bestellingen of eigenaren van bedrijven hebben aanmaningen ontvangen voor bestellingen die zij niet hebben gedaan. De personen van wie de identiteit door verdachte is misbruikt, kregen daardoor een slechte naam bij leveranciers. Dat hebben zij moeten herstellen. Het handelen van verdachte getuigt van een groot gebrek aan respect voor andermans eigendommen en identiteit.
Het hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het strafblad van verdachte (uitdraai van 3 september 2026). Daaruit volgt verdachte meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten. Het hof weegt het strafblad van verdachte in strafverzwarende zin mee.
Het hof heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 maart 2026, dat is opgemaakt in verband met een andere strafzaak betreffende verdachte. Uit dit rapport blijkt dat verdachte beschikt over disfunctionele copingvaardigheden ten aanzien van het omgaan met spanning en emoties. Uit het rapport blijkt dat sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Zo beschikt betrokkene op dit moment niet over stabiele huisvesting en is er geen sprake van een structurele dagbesteding. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog.
Verder heeft het hof gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, waarbij als oriëntatiepunt voor een oplichting met een benadelingsbedrag tussen € 10.000 en € 70.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week tot twee maanden, eventueel in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf, als passend wordt beschouwd.
Verdachte verblijft momenteel in verband met een andere strafzaak in een penitentiaire inrichting. Na zijn vrijlating zal hij geen vast verblijfadres hebben. Daarom acht het hof een werkstraf niet uitvoerbaar.
Alles afwegende acht het hof, gelet op de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en noodzakelijk.
Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2]
De vordering van de [benadeelde 2] is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De vordering is in hoger beroep daarom niet meer aan de orde.
Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 530,00 ingediend bestaande uit € 30,00 aan materiële schade (reiskosten) en € 500,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof beoordeelt de vordering daarom opnieuw.
Materiële schade
De gevorderde reiskosten merkt het hof aan als kosten die door de benadeelde partij ten behoeve van de procedure zijn gemaakt en zullen onder het kopje proceskosten worden behandeld.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 BW heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te
stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet bestaat uit vermogensschade indien de
benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op
andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit het dossier en de zitting in hoger beroep blijkt dat de goede naam van de benadeelde partij door het handelen van verdachte is geschaad. Hij heeft veel tijd en energie moeten steken in het herstellen van het vertrouwen van zijn zakelijke relaties in hem. De grondslag voor het toewijzen van de immateriële schade is daarom gelegen in artikel 6:106 lid 1 onder a BW (aantasting in eer en goede naam). Het hof acht de gevorderde € 500,00 aan immateriële schade billijk en wijst die toe, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Proceskosten
De benadeelde partij heeft reiskosten gevorderd naar het politiebureau en naar de rechtbank. De reiskosten naar het politiebureau komen volgens vaste rechtspraak in het kader van gemaakte proceskosten (en in het kader van materiële schade) niet voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten inclusief parkeerkosten komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het hof schat de reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij het hof op de gevorderde € 30,00. Verdachte dient de proceskosten te betalen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 231b en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover ingesteld tegen het onder feit 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 30,00 (dertig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 mei 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. L.J. Hofstra en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 oktober 2026.