Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Nadat er regelingen…
ECLI:NL:GHDHA:2024:2215 · Gerechtshof Den Haag · 26 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2024-2215
Zaakgegevens
Op 26 september 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 26 september 2024
- Datum publicatie
- 26 november 2024
- Zaaknummer
- 22-003252-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2215
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Nadat er regelingen van kracht waren geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 tegemoet te komen, heeft de verdachte een flink aantal valse aanvragen gedaan om coronasteun te verkrijgen. Daarnaast heeft de verdachte een valse aangifte gedaan bij de politie. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Door zich voor te doen als bonafide huurder heeft de verdachte de slachtoffers goederen afhandig gemaakt zonder daarvoor te betalen.
Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 26 september 2024deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2024:2215
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:534Hoge Raad · 7 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1078
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-003252-23
Parketnummer: 83-296762-20
Datum uitspraak: 26 september 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
Meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte partieel vrijgesproken van het hem onder feit 4 eerste gedachtestreepje tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tweede, derde en vierde gedachtestreepje tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. De vordering tot gevangenneming afgewezen. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 4 eerste gedachtestreepje is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte daartegen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het hem onder feit 4 eerste gedachtestreepje tenlastegelegde.
Gelet op deze partiële vrijspraak in eerste aanleg is de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet meer aan de orde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en met 8 juni 2020 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere aanvragen Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS), te weten:
a. a) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 1] d.d. 29-03-2020 (DOC-002-01, p. 439-440) en/of
b) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 2] d.d. 25-04-2020 (DOC-003-01, p. 445-447) d.d. 25-04-2020
c) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 3] d.d. 25-04-2020 (DOC-004-01 p. 451-53) en/of
d) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 4] d.d. 30-04-2020 (DOC-006-01, p. 462-465) en/of
e) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 5] d.d. 04-05-2020 en/of
f) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 6] d.d. 19-05-2020 (DOC-013-01, p. 504-506) en/of
g) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 7] d.d. 08-06-2020 (DOC-014-01, p. 510-512)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst door op voornoemde aanvraag ad a) op naam van [naam bedrijf 1] aan te vinken dat in de periode van 16-03-2020 tot en met 16-06-2020
- verwacht wordt dat tenminste € 4.000 euro aan omzetverlies zal lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 en/of
- verwacht dat hij minimaal 4000 euro aan vaste lasten heeft en/of te verklaren dat de gegevens in voornoemde aanvraag correct en naar waarheid ingevuld zijn en/of
op voornoemde aanvragen ad b tot en met g)
- Als contactpersoon en/of intermediair verdachte en/of andere niet bevoegde of bestaande personen op de aanvragen te vermelden en/of
- een bankrekeningnummer op de aanvraag te vermelden die niet overeenkomt met het bankrekeningnummer van het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan en/of
- aan te vinken dat de gegevens in de aanvraag correct zijn en/of
- te verklaren op de aanvragen dat verdachte bevoegd was om de aanvraag te ondertekenen en/of
- te verklaren op de aanvragen dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2.
hij in of omstreeks van 12 september 2020 tot en met 26 januari 2021 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere aanvragen Tegemoetkoming Vaste Lasten, te weten a) een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 12-09-2020 (DOC-023-01, p. 541-545 en/of
b)een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 16-12-2020 (DOC-023-05, p. 569-573) en/of
c) een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 26-01-2021 (DOC-023-09, p. 580-584)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst door op en/of bij voornoemde aanvragen
- een onjuiste omzet te vermelden en/of
- te vermelden dat [naam bedrijf 1] / verdachte btw aangifte doet per jaar en/of per kwartaal en/of
- te vermelden dat het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en/of
- valse bijlagen (huurovereenkomst en/of valse OB aangifte) mee te sturen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.
hij op of omstreeks 9 september 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door (via internet) opzettelijk en in strijd met de waarheid aangifte te doen van diefstal van zijn, verdachtes telefoon (iphone 11 pro), inhoudende dat hij op 9 september 2020 om 14:00 uur in de trein van Amsterdam Bijlmer richting Schiphol is gezakkenrold, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd;
4.
hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk
- Eén of meerdere DJ Sets met mengpaneel van Pioneer in flight case, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of
- Een DJ set van Pioneer met flight case, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 8] en/of
- ( Een) draaitafel(s) van Pioneer, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welke goederen verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder (namens of voor zijn bedrijf [naam bedrijf 1] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met als aanvulling dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ten behoeve van benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven mede omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.
Partiële vrijspraak feit 4 tweede gedachtestreepje
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering van DJ Sets met mengpaneel van Pioneer in flight case toebehorende aan [benadeelde partij 2] , zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 derde en vierde gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en met 8 juni 2020 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere aanvragen Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS), te weten:
a. a) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 1] d.d. 29-03-2020 (DOC-002-01, p. 439-440) en/of
b) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 2] d.d. 25-04-2020 (DOC-003-01, p. 445-447) d.d. 25-04-2020 en
c) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 3] d.d. 25-04-2020 (DOC-004-01 p. 451-53) en/of
d) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 4] d.d. 30-04-2020 (DOC-006-01, p. 462-465) en/of
e) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 5] d.d. 04-05-2020 en/of
f) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 6] d.d. 19-05-2020 (DOC-013-01, p. 504-506) en/of
g) een aanvraag TOGS namens [naam bedrijf 7] d.d. 08-06-2020 (DOC-014-01, p. 510-512)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst door op voornoemde aanvraag ad a) op naam van [naam bedrijf 1] aan te vinken dat in de periode van 16-03-2020 tot en met 16-06-2020
- verwacht wordt dat tenminste € 4.000 euro aan omzetverlies zal lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 en/of
- verwacht dat hij minimaal 4000 euro aan vaste lasten heeft en/of te verklaren dat de gegevens in voornoemde aanvraag correct en naar waarheid ingevuld zijn en/of
op voornoemde aanvragen ad b tot en met g)
- Als contactpersoon en/of intermediair verdachte en/of andere niet bevoegde of bestaande personen op de aanvragen te vermelden en/of
- een bankrekeningnummer op de aanvraag te vermelden die niet overeenkomt met het bankrekeningnummer van het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan en/of
- aan te vinken dat de gegevens in de aanvraag correct zijn en/of
- te verklaren op de aanvragen dat verdachte bevoegd was om de aanvraag te ondertekenen en/of
- te verklaren op de aanvragen dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2.
hij in de periode of omstreeks van 12 september 2020 tot en met 26 januari 2021 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere aanvragen Tegemoetkoming Vaste Lasten, te weten
a. a) een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 12-09-2020 (DOC-023-01, p. 541-545 en/of
b) een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 16-12-2020 (DOC-023-05, p. 569-573) en/of
c) een aanvraag TVL op naam van [naam bedrijf 1] d.d. 26-01-2021 (DOC-023-09, p. 580-584)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst door op en/of bij voornoemde aanvragen
- een onjuiste omzet te vermelden en/of
- te vermelden dat [naam bedrijf 1] / verdachte btw aangifte doet per jaar en/of per kwartaal en/of
- te vermelden dat het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en/of
- valse bijlagen (huurovereenkomst en/of valse OB aangifte) mee te sturen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.
hij op of omstreeks 9 september 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door (via internet) opzettelijk en in strijd met de waarheid aangifte te doen van diefstal van zijn, verdachtes telefoon (iPhone 11 pro), inhoudende dat hij op 9 september 2020 om 14:00 uur in de trein van Amsterdam Bijlmer richting Schiphol is gezakkenrold, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd;
4.
hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk
- Een Cinemacamera met accessoires, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 9] , en/of
- Eén of meerdere DJ Sets met mengpaneel van Pioneer in flight case, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of
- Een DJ set van Pioneer met flight case, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 8] en/of
- (Een) draaitafel(s) van Pioneer, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welke goederen verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder (namens of voor zijn bedrijf [naam bedrijf 1] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Verweren feiten 1 en 2
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de feiten 1 en 2, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte degene is geweest die de aanvragen TOGS en TVL heeft ingevuld en ingediend. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de enige was die toegang had tot zijn DigiD-account, er is geen verband tussen het IP-adres waarvandaan de aanvragen zijn ingediend en de verdachte, uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de in de aanvragen genoemde telefoonnummers en e-mailadres gebruikte, en de aanvragen zijn niet feitelijk ondertekend.
Het hof overweegt als volgt.
De aanvragen TOGS zijn ingediend met gebruikmaking van het DigiD-account van de verdachte. DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. In beginsel heeft alleen de persoon die hoort bij het DigiD-account de inloggegevens daarvan, omdat deze persoon dit account zelf dient aan te maken met gegevens waarover alleen deze persoon beschikt.
Dit uitgangspunt maakt dat indien een verdachte ontkent dat hij de elektronische ondertekening heeft gezet, hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zal moeten geven hoe een onbevoegde van zijn digitale handtekening gebruik heeft kunnen maken en dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt. Nu de TOGS-aanvragen zijn ingediend met het DigiD-account van de verdachte en de verdachte geen verklaring als hiervoor bedoeld heeft gegeven moet er in beginsel van worden uitgegaan dat hij de aanvragen heeft ingediend.
Door de verdediging wordt in deze zaak slechts gesteld dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de TOGS-aanvragen heeft ingevuld en ingediend.
De verdachte heeft in het geheel geen verklaring afgelegd. Zo heeft hij geweigerd te worden gehoord door de FIOD en is hij ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet verschenen. De raadsman heeft volstaan met het opperen van generieke gissingen en heeft bijvoorbeeld geen expliciete, van de verdachte afkomstige, standpunten aan het hof gepresenteerd.
Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van het aan hem toekomende DigiD. De juistheid van dit oordeel wordt naar het oordeel van het hof verder gesterkt door het feit dat de DigiD van de verdachte actief en veelvuldig werd gebruikt (in Amsterdam), ook voor communicatie met andere overheidsdiensten zoals met opvallende regelmaat de CJIB. Voorts overweegt het hof dat er vijf aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Ten aanzien van de aanvragen TLV geldt dat deze worden ingediend met gebruikmaking van een DigiD-account of minimaal eHerkenning niveau 1.
Ook hiervoor geldt dat in beginsel alleen de persoon van wie de inloggegevens van de DigiD zijn, daarover beschikt. Vergelijkbaar geldt dat de bestuurder van een rechtspersoon beschikt over de eHerkenning-inloggegevens. De verdachte is de enige wettelijk vertegenwoordiger van [naam bedrijf 1] . De verdediging heeft niets aangevoerd waaruit zou blijken dat anderen over de inloggegevens van het DigiD-account van de verdachte of de inloggegevens van de eHerkenning van [naam bedrijf 1] beschikten. En ook hier geldt dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende DigiD en eHerkenning-inloggegevens. Ook hier neemt het hof in aanmerking dat een van de aanvragen is verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de valse TOGS- en TVL-aanvragen heeft gedaan. De verweren van de verdediging worden verworpen.
Dat geldt ook voor het verweer dat de aanvragen niet “feitelijk” (het hof begrijpt daaronder ook: fysiek) zijn ondertekend. De digitale aard van deze aanvragen maakt namelijk dat deze ook digitaal (door DigiD en/of E-herkenning) moeten worden ondertekend (vergelijk artikel 2:16 Algemene wet bestuursrecht).
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.
Het onder 4 derde en vierde gedachtestreepje bewezenverklaarde levert op:
Verduistering, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Nadat er regelingen van kracht waren geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 tegemoet te komen, heeft de verdachte een flink aantal valse aanvragen gedaan om coronasteun te verkrijgen. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor gedupeerde ondernemers.
Daarnaast heeft de verdachte een valse aangifte gedaan bij de politie. Deze valse aangifte heeft geleid tot verspilling van schaarse opsporingscapaciteit.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Door zich voor te doen als bonafide huurder heeft de verdachte de slachtoffers goederen afhandig gemaakt zonder daarvoor te betalen. De verdachte heeft slechts uit financieel gewin gehandeld waarbij de slachtoffers zijn gedupeerd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.501,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tweede gedachtestreepje tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Vordering tot schadevergoeding Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
In het onderhavige strafproces heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.000,00. Namens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is op de terechtzitting in hoger beroep verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat er zonder de schadevergoedingsmaatregel veel kosten moeten worden gemaakt om de schade vergoed te krijgen.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is niet namens de verdachte (inhoudelijk) betwist. De raadsman heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 april 2020 over een bedrag van € 4.000,- ( [naam bedrijf 1] ) en vanaf 28 april 2020 over een bedrag van € 4.000,- ( [naam bedrijf 3] ) tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 8.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 2.879,04. Blijkens het schadeformulier was de daadwerkelijk geleden schade hoger, maar is de schade ten aanzien van de gestolen goederen deels vergoed.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is niet namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat daadwerkelijk materiële schade is geleden. Het hof acht de gevorderde schade integraal toewijsbaar, behoudens daar waar het gaat om de schadepost “Opnemen verlofuren” ad € 177,06. Het betreft 26 opgegeven uren à € 6,81 per uur. Het hof acht echter slechts zes van die opgenomen verlofuren (doen van aangifte en gesprekken met Slachtofferhulp) toewijsbaar. Dan resteert dus onder deze schadepost een bedrag van € 40,86.
De gevorderde schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal -met in achtneming van het bovenstaande- derhalve tot een bedrag van € 2.742,84 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.742,84 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] .
Vordering tot schadevergoeding [naam bedrijf 8]
In het onderhavige strafproces heeft [naam bedrijf 8] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 323,- en tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.242,30. Het hof beschouwt de schade die onder het kopje 4B met als titel “Immateriële schade” op het formulier genoemd wordt, gelet op de aard van de schadeposten, ook als materiële schade, nu de posten die hieronder opgenomen zijn, overduidelijk geen immateriële schade betreft.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet (inhoudelijk) betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van materiële schade is geleden.
Met betrekking tot de Flight case bedraagt de schade € 323,-. Het hof acht een deel van de vordering betreffende de gederfde inkomsten à € 40,- per uur toewijsbaar. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op twee werkuren, dus op een bedrag van € 80,-. De gevorderde vergoeding van gederfde inkomsten van de verhuur van de DJ-set bedragen € 762,30.
Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 november 2020 over een bedrag van € 323,- en vanaf 14 januari 2021 over een bedrag van € 842,30 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf 8]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 1.165,30 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf 8] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 188, 225 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 4 eerste gedachtestreepje tenlastegelegde;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tweede gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 derde en vierde gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 derde en vierde gedachtestreepje bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 april 2020 over een bedrag van
€ 4.000,00 en op 28 april 2020 over een bedrag van
€ 4.000,00.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.742,84 (tweeduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.742,84 (tweeduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 mei 2022.
Vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam bedrijf 8] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.165,30 (duizend honderdvijfenzestig euro en dertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam bedrijf 8] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.165,30 (duizend honderdvijfenzestig euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade vanaf 1 november 2020 over een bedrag van € 323,- en vanaf 14 januari 2021 over een bedrag van € 842,30.
Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en R.M. Hermans, leden,
in bijzijn van de griffiers mr. L. Knoop en
mr. E.R.J. Heuvelman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 september 2024.
Mr. R.M. Hermans, mr. L. Knoop en mr. E.R.J. Heuvelman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.