Strafrecht overig

Ontneming naar aanleiding van overtreding van de Sanctiewet 1977 (handel in dual-use goederen met Rusland)…

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
22-003587-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2649
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Ontneming naar aanleiding van overtreding van de Sanctiewet 1977 (handel in dual-use goederen met Rusland). Verzoek verdediging om ook beweerde schade, ontstaan door late teruggave in beslag genomen handelsvoorraad, als kosten direct samenhangend met het gepleegde delict van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te trekken wordt afgewezen nu het hof geen directe samenhang van die kosten met het delict aanneemt. Verzoek om gebruik te maken van de bevoegdheid de betreffende post niettemin in mindering te brengen op de betalingsverplichting wordt eveneens afgewezen. De wet voorziet niet in zo’n verrekening en bovendien is de ontnemingsprocedure niet ingericht om een dergelijke ‘reconventionele’ vordering te behandelen.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 17 oktober 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:11107
  2. Gerechtshof Den Haag · 11 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2649

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-003587-24 (PO)

Parketnummer: 83-165976-23

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2024 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

adres: [woonadres], [woonplaats].

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 17 oktober 2024 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 4:

het medeplegen van het overtreden van de Sanctiewet 1977;

ten aanzien van feit 3:

het medeplegen van valsheid in geschrift,

veroordeeld tot een straf.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500.391,- ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Bij conclusie van repliek van 1 juli 2024 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 298.310,-.

De meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 oktober 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op

€ 298.310,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft, conform het standpunt in eerste aanleg, geconcludeerd dat de strafbare feiten waaruit opbrengst is verkregen bestaan -kort gezegd- uit de illegale handel in tegen Rusland gesanctioneerde elektronica en computer(onderdelen) met de

bedrijven: [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2], [naam bedrijf 3], [naam bedrijf 4],

[naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 6] in de uitwijklanden in de periode van 26 februari 2022

tot en met 11 juli 2023. De totale opbrengst is berekend op € 1.924.579,2 en de in mindering te brengen aftrekbare kosten zijn berekend op € 1.626.269,- (84,5% van deze omzet), zodat het wederrechtelijk voordeel € 298.310,- bedraagt. Ten aanzien van het niet tijdig teruggeven van de handelsvoorraad aan de betrokkene heeft de advocaat-generaal betwist dat het Openbaar Ministerie aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade en zich verzet tegen verrekening daarvan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair afwijzing en subsidiair vermindering van de vordering

bepleit. De raadsman heeft, zoals eerder in zijn conclusie van antwoord van 3 juni 2024, aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening dient te worden gehouden met aanvullende aftrekbare kosten. Volgens de raadsman zijn bij de bepaling van de fiscale winst, zoals opgenomen in de jaarrekeningen van 2021 en 2022 van [naam bedrijf 7], diverse kosten ten onrechte niet in mindering gebracht op de totale opbrengst. Hij heeft in dat verband gewezen op de volgende kostenposten: transportkosten, verpakkingskosten, kosten voor programmering en testing, autokosten, huisvestingskosten en kantoorkosten. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de betrokkene door het nalaten van het Openbaar Ministerie om zijn handelsvoorraad tijdig aan hem terug te geven flinke schade heeft geleden. Deze materiële winstderving wenst de betrokkene te verrekenen met het eventuele wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel met de betalingsverplichting. Het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel brengt mee dat met deze schade rekening dient te worden gehouden, aldus de raadsman.

Het oordeel van het hof

De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de betrokkene in de

vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde voor het plegen van de strafbare feiten

waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen in de

pleegperiode van 26 februari 2022 tot en met 19 juli 2023.

Bij de beantwoording van de vraag naar de omvang van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van de door de FIOD, met gebruikmaking van de transactiemethode, gemaakte berekening in de ontnemingsrapportage van 11 december 2023.

Het hof is van oordeel dat op grond van de ontnemingsrapportage aannemelijk is geworden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door het plegen van de

bewezenverklaarde strafbare feiten. Dat voordeel dient hem te worden ontnomen.

Uitsluitend redelijke kosten die in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict komen voor aftrek op het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking. Daarnaast zijn aftrekbaar de kosten die de betrokkene niet zou hebben gemaakt indien hij de strafbare feiten niet had gepleegd. Deze kosten moeten daadwerkelijk en aantoonbaar door de betrokkene zijn betaald. Het hof overweegt dat door het Openbaar Ministerie reeds in aanzienlijke mate rekening is gehouden met de door de betrokkene gemaakte kosten. Het Openbaar Ministerie heeft bij conclusie van repliek van 1 juli 2024, naast de reeds in de ontnemingsrapportage in aanmerking genomen inkoop- en personeelskosten, tevens een deel van de door de raadsman aangevoerde aanvullende kostenposten als aftrekbaar van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Het betreft onder meer de volgende kostenposten: transportkosten, verpakkingskosten en kosten voor programmering en testing. Dit heeft geresulteerd in een aanvullende aftrekbare kostenpost van 7,25% van de wederrechtelijk verkregen opbrengsten over 2022 en daarmee een aangepaste wederrechtelijk verkregen voordeel van € 298.310,-.

Het hof is van oordeel dat de overige door de raadsman opgevoerde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen, nu deze niet in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. De verdediging heeft bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van andere bedrijfskosten die in een zodanige directe relatie staan tot de voltooiing van de bewezenverklaarde strafbare feiten dat deze als aftrekbare kosten dienen te worden aangemerkt.

Nu de strafbare feiten zijn gepleegd in de periode 26 februari 2022 tot en met 19 juli 2023 neemt het hof de door de verdediging ingebrachte jaarrekening 2022 als uitgangspunt voor de berekening van het percentage aftrekbare kosten. Dat percentage bedraagt 87% en bestaat uit de posten “Inkoopprijs van de verkopen & kosten van uitbesteed werk” (75%), “personeelskosten” (5%) en “verkoopkosten’ (7%). In totaal derhalve 87% van de opbrengsten van de strafbare feiten (€ 1.924.579), hetgeen leidt tot een bedrag aan aftrekbare kosten van € 1.674.384.

De verdediging heeft voorts verwezen naar de schade die de betrokkene heeft geleden -kort gezegd- als gevolg van het niet tijdig teruggeven van de handelsvoorraad aan de betrokkene door het Openbaar Ministerie. Het hof overweegt te dien aanzien dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarmee niet kan worden verminderd. Zoals hierboven al overwogen, komen enkel redelijke kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld voor aftrek van het (bruto) wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking. Schade als hierboven bedoeld valt daar niet onder.

Daarnaast heeft de verdediging bepleit om deze schade in het kader van de vaststelling van de betalingsverplichting van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te trekken.

Het hof overweegt dat artikel 36e, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht de rechter de bevoegdheid verleent om het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Het hof zal echter van deze bevoegdheid geen gebruikmaken. In feite stelt de raadsman zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig jegens de betrokkene heeft gehandeld, waardoor de betrokkene schade heeft geleden. Deze schade wenst de betrokkene vergoed te zien in de vorm van verrekening met het wederrechtelijk verkregen voordeel. De wet voorziet echter niet in een zodanige verrekening, terwijl voorts de ontnemingsprocedure niet is ingericht op de behandeling van een dergelijke ‘reconventionele’ civiele vordering. Bovendien kan de beoordeling van de gegrondheid van de vordering en de omvang van de schade nadere bewijslevering vergen, waarvoor geen plaats is in de ontnemingsprocedure. De burgerlijke rechter is voor de behandeling van een zodanige vordering veel beter toegerust en vormt bij uitstek het forum waar deze vordering thuis hoort.

Het verweer wordt verworpen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel:

  • het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 17 oktober 2024, gewezen in de strafzaak tegen de betrokkene, alsmede het strafdossier in deze zaak;

  • het `Rapport berekening wederrechtelijk verkregen ex artikel 36e lid 2 Sr' opgemaakt d.d. 11 december 2023 (de ontnemingsrapportage), blz. 11 - 18.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Draagkrachtverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de betrokkene betoogd dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat aan de Staat te betalen. De betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van een betalingsachterstand van drie maanden op zijn twee hypothecaire geldleningen, dat hij, naast de aanzienlijke maandelijkse lasten van zijn onderneming, tevens andere openstaande schulden heeft en dat op zijn bankrekeningen slechts een zeer beperkt saldo aanwezig is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld, indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

Het hof is van oordeel dat op dit moment niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben, zodat het beroep op het ontbreken van draagkracht wordt verworpen.

Hiertoe overweegt het hof dat door en namens de betrokkene weliswaar bedragen zijn genoemd met betrekking tot zijn uitgaven en schulden, maar dat die bedragen niet tot de conclusie leiden dat betrokkene in de toekomst niet in staat zal zijn tot het verrichten van enige betaling. Bij dit oordeel acht het hof van belang dat de betrokkene 44 jaar is en daarom naar verwachting nog een aanzienlijke tijd inkomen kan genereren en dat hij ook een inkomen genereert uit een onderneming waarvan hij eigenaar is.

Conclusie

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 250.195,-.

Het hof zal tevens de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Beslag

De raadsman heeft het hof verzocht om het resterende conservatoire beslag op te heffen. Dit verzoek miskent dat het niet aan de ontnemingsrechter is om een beslissing te nemen op het ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering gelegde beslag. Het conservatoir beslag gaat over in een executoriaal beslag als de beschikking tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel onherroepelijk is. Het aan de Staat te betalen bedrag kan dan op de inbeslaggenomen goederen worden verhaald. Het verzoek wordt afgewezen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 250.195,00 (tweehonderdvijftigduizend honderdvijfennegentig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 250.195,00 (tweehonderdvijftigduizend honderdvijfennegentig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, mr. W.J. van Boven en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 augustus 2026.

mr. F.W. Pieters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.