Strafrecht overig
Verdenking van medeplegen van gewoontewitwassen door borgsommen voor verhuur en huurpenningen contant in…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 · Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2975
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 22-003462-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2975
Samenvatting
Verdenking van medeplegen van gewoontewitwassen door borgsommen voor verhuur en huurpenningen contant in ontvangst te nemen naar oordeel hof niet wettig en overtuigend bewezen.
Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.
Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld volgt echter dat steeds nadat de verdachte de woningen verhuurd had en de huurpenningen daarvoor in ontvangst had genomen, in die woningen wapens, geldbedragen en/of hoeveelheden drugs werden aangetroffen.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 26 november 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:12976Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2975
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-003462-20
Parketnummer: 10-750353-17
Datum uitspraak: 30 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1964,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van
€ 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 9 december 2020 alleen gericht tegen feit 1, feit 2, het derde cumulatief tenlastegelegde, feit 3 en feit 5.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 21 februari 2018 te Wassenaar en/of Amsterdam en/of Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer geldbedrag(en), in elk geval (van een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 106.080,- euro (huur) en/of (borg) in elk geval (van) enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt:
-zaaksdossier 2: [adres 1] te Amsterdam:
In of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 25 april 2017 een geldbedrag van in totaal ongeveer 7.500,- euro (huur) en/of (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 1] te Amsterdam
en/of
-zaaksdossier 3: [adres 2] te Berkel en Rodenrijs
In of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 8 juli 2017 een geldbedrag van in totaal ongeveer 39.830,- euro (huur) en/of (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 2] te Berkel en Rodenrijs
en/of
-zaaksdossier 4: [adres 3] te Amsterdam
In of omstreeks de periode van 11 maart 2017 tot en met 23 september 2017. een geldbedrag van in totaal ongeveer 24.500,- euro (huur) en/of (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 3] te Amsterdam
en/of
-zaaksdossier 5: [adres 4] te Rotterdam
In of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 4 augustus 2016 een geldbedrag van in totaal ongeveer 20.250,- euro (huur) en/of (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 4] te Rotterdam
en/of
-zaaksdossier 6: [adres 5] te Rotterdam
In of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 21 maart 2017 een geldbedrag van in totaal ongeveer 14.000,- euro (huur) en/of (borg), in elk geval enig geldbedrag, met betrekking tot de [adres 5] te Rotterdam
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovengenoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 21 februari 2018 te Wassenaar en/of Amsterdam en/of Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van haar beroep en/of uit gewoonte, een ander of anderen, te weten zes, althans één of meer personen met de Albanese nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie,
en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
-in of omstreeks de periode van 11 maart 2017 tot en met 23 september 2017 de woning op de [adres 6] verhuurd aan [naam 1] en/of [naam 2] , althans aan een of meer perso(o)n(en) die illegaal in Nederland verbleef/verbleven;
3.
hij op of omstreeks 21 februari 2018 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1370 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel 3 juncto artikel 11 Opiumwet)
5.
hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 21 februari 2018 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (vervalste/valse) Griekse identiteitskaart ( [nummer] ), op naam op naam van [naam 1] ,
althans een reisdocument of een identiteitsbewijs, althans een identiteitsbewijs dat is afgegeven door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt (bij het afsluiten van huurcontracten)
waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument of identiteitsbewijs vals of vervalst was
bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat de Griekse identiteitskaart was voorzien van een foto van [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] 1986 te [geboorteplaats 2] , Albanië en/of dat het document sinds 21 april 2015 als vermist/gestolen/verduisterd geregistreerd stond.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring ten aanzien van feit 3, waarvoor vrijspraak dient te volgen, en dat de verdachte aldus zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraken
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw – op gronden zoals vermeld in haar overgelegde pleitnotities – bepleit dat de verdachte van het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Feit 1
Naar bestendige jurisprudentie is voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Bij de beantwoording van de vraag of een voorwerp of geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is moet, eveneens naar vaste rechtspraak, ook worden vastgesteld dat die voorwerpen of geldbedragen zijn verkregen door respectievelijk afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de tenlastegelegde witwasgedragingen.
Pas als door het openbaar ministerie (hierna ook: OM) feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig (voorafgaand) misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het OM heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de panden en huurders in direct verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen en vuurwapenbezit. Dit in combinatie met het ontbreken van bescheiden waaruit blijkt dat de verdachte en de medeverdachte zich hebben vergewist van legale inkomsten, maken dat sprake is van een criminele herkomst en – nu de verdachten geen maatregelen hebben genomen – van witwassen.
Het hof overweegt als volgt.
De medeverdachte, partner van de verdachte, dreef een aantal ondernemingen die zich bezig hielden met de aan- en verhuur van vastgoed. Dit betrof een vastgoedportefeuille van ongeveer 60 á 70 woningen. De verdachte was in dienst van één van de rechtspersonen, verrichtte onderhoudswerkzaamheden en ondersteunde de medeverdachte bij haar werkzaamheden, zoals het innen van de huur. De huur van de betreffende woningen werd voor een groot deel contant voldaan. Dit was ook het geval ten aanzien van de woningen die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Ten aanzien van die specifieke woningen, valt uit het dossier het volgende af te leiden.
[adres 1] te Amsterdam
De huur is aangevangen op 1 maart 2017 en is beëindigd op 25 april 2017. Op 25 april 2017 vond er een doorzoeking plaats waarbij drugs, verpakkingsmaterialen en geld in beslag werden genomen.
[adres 2] te Berkel en Rodenrijs
De huur is aangevangen op 1 juni 2017 en is beëindigd op 8 juli 2017. Op 8 juli 2017 vond er een doorzoeking plaats waarbij een vuurwapen en munitie, drie kogelwerende vesten en een geldbedrag in beslag werden genomen.
[adres 3] te Amsterdam
De huur is aangevangen op 11 maart 2017 en is beëindigd op 23 september 2017. In de parkeergarage behorend bij de woning is een persoon aangehouden in wiens auto een verborgen ruimte zat. Deze persoon had 28 kilogram cocaïne bij zich.
[adres 4] te Rotterdam
De huur is aangevangen op 1 januari 2016 en is beëindigd op 4 augustus 2016. Op
4 augustus 2016 vond er een doorzoeking plaats waarbij een geldbedrag van € 88.000,- is aangetroffen. In de auto van de huurder lag in een verborgen ruimte een vuurwapen.
[adres 5] te Rotterdam
De huur is aangevangen op 1 oktober 2016 en is beëindigd op 21 maart 2017. Op 21 maart 2017 vond er een doorzoeking plaats waarbij een geldtelmachine, sealbags, een grammenweegschaal en sporttassen met pakketten verdovende middelen werden aangetroffen.
De informatie van de huurders zoals die werd aangetroffen in de administratie van de rechtspersonen bleek in veel gevallen onvolledig.
Het hof stelt voorop dat er geen bewijs in het dossier aanwezig is voor een specifiek gronddelict voorafgaand aan de tenlastegelegde witwashandelingen ten aanzien van de tenlastegelegde woningen.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of door het OM feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp – het gaat hier om de huurpenningen voor de vijf woningen – uit enig misdrijf afkomstig is.
Die vraag beantwoordt het hof ontkennend.
Voorwerpen kunnen immers, zoals in het voorgaande overwogen, in beginsel slechts worden aangemerkt als 'afkomstig (...) uit enig misdrijf' in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.
Uit het voorgaande volgt echter dat steeds nadat de verdachte de woningen verhuurd had en de huurpenningen daarvoor in ontvangst had genomen, in die woningen wapens, geldbedragen en/of hoeveelheden drugs werden aangetroffen.
Noch de onvolledige informatie die de verdachte en medeverdachte verzamelden over de huurders noch het aannemen van contante huurpenningen zijn, op zichzelf of in onderling verband, voldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. De omstandigheid dat de [naam bank] in een brief van 28 november 2016 gewezen heeft op het niet acceptabele risico in het licht van anti-witwasmaatregelen en de aanwezigheid van de verdachte bij zienswijzegesprekken met de gemeente, maakt dat niet anders.
Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Feit 2
Uit het dossier komt naar voren dat [naam 2] voor het huren van de woning aan de [adres 3] te Amsterdam gebruik heeft gemaakt van een Albanese identiteitskaart, een zogenaamde chipcard. Uit het dossier volgt dat deze chipcard in Nederland niet geldig is als legitimatie en evenmin als verblijfsdocument, en dat [naam 2] geen rechtmatig verblijf had in Nederland.
Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de verdachte en de medeverdachte een woning verhuren aan een persoon welke zich identificeert met een Albanese chipcard niet leidt tot de conclusie dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat het verblijf van die persoon wederrechtelijk was. Van omstandigheden die noopten tot een nadere vergewisplicht is in het dossier niet gebleken. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte in de uitoefening van een beroep of uit gewoonte behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland aan een persoon met de Albanese nationaliteit die illegaal in Nederland verbleef,
Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Feit 3
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – behoort te worden vrijgesproken.
Feit 5
Uit het dossier komt naar voren dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte en de medeverdachte diverse ordners zijn aangetroffen met bedrijfsadministratie van de ondernemingen van de medeverdachte. In een van deze ordners bevond zich een kopie van een Grieks identiteitsbewijs op naam van [naam 1] , met hierop een pasfoto. Het betreffende identiteitsbewijs, althans een kopie daarvan was, blijkens de zich in het dossier bevindende huurcontracten meerdere malen gebruikt bij het afsluiten van huurcontracten. Het identiteitsbewijs van [naam 1] bleek sinds 21 april 2015 gesignaleerd te staan ter zake van diefstal/verduistering/vermissing.
Voorts is in de woning van de verdachte en de medeverdachte in een tas in de slaapkamer op de begane grond een internationaal rijbewijs op naam van [naam 3] aangetroffen, waarop de pasfoto ontbrak. In de strafrechtketendatabank (SKDB) was bij de persoon [naam 3] een foto geregistreerd die overeenkomt met de foto die is aangetroffen op het identiteitsbewijs ten name van [naam 1] .
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de kopie van het Griekse identiteitsbewijs op naam van [naam 1] vals is.
De verdachte heeft verklaard dat hij de persoon op de foto op het Griekse identiteitsbewijs herkent als een persoon die hij kent als [naam 1] .
Het hof overweegt dat uit de enkele omstandigheid dat in de woning van de verdachte een internationaal rijbewijs van [naam 3] is gevonden zonder foto en de geregistreerde foto van [naam 3] in de SKDB overeenkomt met de foto op het identiteitsbewijs van [naam 1] niet worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het Griekse identiteitsbewijs van [naam 1] vals was. Dat [naam 1] meerdere huurcontracten op zijn naam had staan waarvan de huurperioden deels overlapten, kan evenmin tot die conclusie leiden. Nu van overige omstandigheden niet is gebleken is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. H. Steenhuis en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.