Strafrecht overig
Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1759 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1759
Zaakgegevens
Op 1 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Datum publicatie
- 6 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-002059-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1759
Samenvatting
Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’, ‘opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag’ en ‘een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet, dat deze jonger is dan zestien jaar’ tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel van deze straf heeft het hof bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
Procesgang
Rechtbank Limburg · 19 juli 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:4808Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1759
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-002059-24
Uitspraak : 1 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-206787-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
-
‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ (feit 1);
-
‘opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag’ (feit 2);
-
‘een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar’ (feit 3 primair), en
-
‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken verwerven en in bezit hebben’ (feit 4),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een contactverbod met [slachtoffer] en het meewerken aan middelencontrole.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 10.365,58, bestaande uit € 365,58 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] , dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van € 365,58 aan materiële schade en een bedrag van € 16.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient daarbij in het meer gevorderde niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de materiële schade. Daarnaast heeft zij het hof verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;
2.
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) afbeelding(en), een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer foto(’s) en/of video(’s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en/of waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man aan het masturberen is en/of waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, seksuele handelingen verricht met/bij een (volwassen) vrouw, (via Snapchat, althans via een chatprogramma) heeft verstrekt en/of aangeboden en/of vertoond aan een minderjarige van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeelding(en) aanstotelijk is/zijn voor de eerbaarheid, te weten een of meer foto(’s) en/of video(’s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en/of waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, aan het masturberen is en/of waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man seksuele handelingen verricht met/bij een (volwassen) vrouw, anders dan op diens verzoek heeft toegezonden aan een persoon genaamd [slachtoffer] ;
4.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s en/of films - en/of een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon - van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), althans iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met (een) vinger(s)/hand en/of een borstel, althans (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
het met (een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en) betasten en/of aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en/of borsten door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past/passen en/of waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die [slachtoffer] , althans deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s /film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die [slachtoffer] , althans deze persoon in beeld gebracht worden,
(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
(één of meer foto(’s) en /of video(’s), omschreven en/of waarover verklaard door [slachtoffer] op p. 12 van het pv en/of door getuige [getuige 1] op p. 17 van het pv en/of door verdachte op p. 60 van het pv en/of in het pv bevindingen op p. 23 van het pv).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier is immers onvoldoende komen vast te staan welke foto’s, video’s en/of films tussen de verdachte en [slachtoffer] zijn gewisseld.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij in de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, meermalen met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;
2.
hij in de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;
3.
hij in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland afbeeldingen, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten foto’s en een video waarop zijn, verdachtes, ontblote penis te zien is en waarop te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht met/bij een (volwassen) vrouw, via Snapchat, althans via een chatprogramma, heeft verstrekt aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ).
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2023119700, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 4 augustus 2023, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-62.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juli 2023, dossierpagina’s 7-11, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] :
Ik doe aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] is 14 jaar oud en geboren op [geboortedatum] .
Gister, 29 juli 2023, is [slachtoffer] omstreeks 19.30 uur vertrokken met de fiets. Zij zou bij een vriendin, [betrokkene] , gaan logeren. Ik belde [slachtoffer] om 20.20 uur, maar ze nam niet op. Om 20.25 uur zag ik dat ik een bericht van [slachtoffer] kreeg waarin ze zei: ‘Ik ben ff bezig, ik bel je zo wel.’ Ik gaf aan dat ik nu meteen gebeld wilde worden. Ik zag dat [slachtoffer] enkele minuten later schreef: ‘Mam wacht ff.’ Ik bleef [slachtoffer] bellen en appen, maar kreeg geen contact met haar. Om 20.49 uur zag ik dat [slachtoffer] stuurde dat ze bij [betrokkene] was en dat ik haar moest vertrouwen. Ik stuurde weer terug: ‘Bel me nu.’ Hierna kreeg ik helemaal geen contact meer met [slachtoffer] .
[getuige 2] (hof: de vader van [slachtoffer]) kon via ‘Zoek mijn iPhone’ zien waar [slachtoffer] zich bevond. [getuige 2] zag dat [slachtoffer] zich op dat moment in Geldermalsen bevond. [getuige 2] , mijn vriend en ik zijn toen richting Geldermalsen gereden, maar eenmaal daar zag [getuige 2] dat [slachtoffer] zich inmiddels bij de Starbucks in Eindhoven bevond. Vervolgens zijn wij hier naartoe gereden. Onderweg naar Eindhoven zag [getuige 2] dat [slachtoffer] in Heeze was. Even later zag hij dat [slachtoffer] in Weert was. Ik ging vervolgens naar het politiebureau in Weert. We zijn blijven zoeken in Weert, samen met de politie, maar konden [slachtoffer] niet vinden.
Vanochtend, 30 juli 2023, zag [getuige 2] op de rekening van [slachtoffer] dat zij een Tikkie had gestuurd en dat er 18 euro op haar rekening was bijgeschreven, gestort door [verdachte] . [getuige 2] heeft de politie gebeld en ik heb de naam [verdachte] en het rekeningnummer ook doorgegeven aan de politie in Weert. De politie is naar een adres gegaan en even later kwamen zij met [slachtoffer] terug.
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 30 juli 2023, dossierpagina’s 32- 34, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 30 juli 2023 te 10.50 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , beiden werkzaam voor het basisteam Weert, belast met een vermissing van [slachtoffer] . Wij werden verzocht om op het adres [adres 1] te gaan kijken of het vermiste minderjarig meisje op bovengenoemd adres aanwezig was.
Op het adres werd door ons verbalisanten aangebeld en er werd open gedaan door de bewoner [verdachte] . Wij, verbalisanten, hoorden dat de bewoner zei dat [slachtoffer] inderdaad bij hem in de woning verbleef. Het minderjarig meisje werd in de woonkamer aangetroffen in haar ondergoed en was behoorlijk afwezig in haar gedrag. Zij reageerde niet op de vragen die wij verbalisanten stelden. Ik, verbalisant, zag dat ze verwijde pupillen had en kreeg de indruk dat zij onder invloed was.
3. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, dossierpagina’s 12-14, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] :
Informatief gesprek met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , op zondag 30 juli 2023.
[slachtoffer] is 14 jaar en woont in Rotterdam. [verdachte] en [slachtoffer] hebben 2 keer eerder afgesproken, het ging goed, ze hadden een relatie en ze wilden een stapje verder gaan. Ze hebben elkaar via Snapchat leren kennen ongeveer 2 maanden geleden. Ongeveer een week geleden heeft ze foto’s van de lul van [verdachte] ontvangen.
[verdachte] heeft [slachtoffer] op 29 juli 2023 om 19.30 uur opgehaald op het station in Rotterdam. Hierna zijn ze met de trein terug naar Weert gegaan. Met het stapje verder bedoelt [slachtoffer] neuken. De volgende seksuele handelingen hebben plaatsgevonden: lul in de kut, likken aan de kut, meerdere standjes, knuffelen en zoenen.
Al deze dingen hebben tussen 29 juli 2023 23.00 uur en 30 juli 2023 10.00 uur plaatsgevonden. Rond 01.00 uur zijn ze begonnen, de tijd zijn ze vergeten en is het tot 06.00 uur doorgegaan. Daarna zijn ze gaan slapen, [slachtoffer] kon niet goed slapen. Om 08.00 uur werden ze wakker en hebben ze weer seks gehad tot 10.00 uur, hierna kwam de politie.
[verdachte] weet dat [slachtoffer] 14 jaar oud is. Dit hebben ze online al met elkaar besproken. [verdachte] is 35 volgens [slachtoffer] .
[verdachte] heeft [slachtoffer] poedershit gegeven, dit had [verdachte] op een bordje gelegd. [slachtoffer] heeft dat gesnoven, ze weet niet precies wat het was. Dit wilde [slachtoffer] eerst niet nemen, maar
door aandringen van [verdachte] heeft ze het opgesnoven. Hij heeft het ook gesnoven. Samen
hebben ze in die nacht 8 keer gesnoven, hij nog iets vaker.
Waar is het gebeurd: [adres 1] .
Wie is de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] .
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2023, dossierpagina’s 22-26, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 30 juli 2023 heeft om 13.30 uur te Weert een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum] ). In dit gesprek gaf [slachtoffer] aan dat de gesprekken met de verdachte [verdachte] (geboortedatum [geboortedag] 1988) hebben plaatsgevonden via Snapchat.
Ik zag dat er in de chat gesproken wordt over het kopen van een treinticket. Ik zag dat [verdachte] om 17.37 uur vroeg ‘Heb je ticket’ en dat [slachtoffer] om 17.37 uur antwoordde met ‘Thanksss’.
Gisteren
[verdachte] :
Koop nu wel. Welke e-mail moet die heen, je ticket.
Ik ( [slachtoffer] )
[e-mailadres]
Ik zag dat [slachtoffer] om 19.26 uur stuurde: ‘Help me herinneren binnen half uur moet ik me moeder appen dat ik er ben.’
Ik zag dat [verdachte] in het gesprek op 29 juli 2023 via Snapchat meerdere uitspraken heeft gedaan over drugs:
- ‘ En van welke bil ga ik lijnen snuiven? Links of rechts’
- ‘ Anders moet je drugs pakken om te kalmeren’
- ‘ Ey wat nou al ik heel graag een lijn van je kont wil snuiven’
- ‘ Hoezo nee? Beste seks is met die shit’.
Het hof neemt op de schermafbeeldingen van de Snapchatcommunicatie op dossierpagina 26 waar dat op het bericht; ‘Ey wat nou al ik heel graag een lijn van je kont wil snuiven’ wordt gereageerd met het bericht ‘Je gaat niet snuiven’, en op het bericht: ‘Hoezo nee? Beste seks is met die shit’ volgt het bericht: ‘Nee gaan we niet doen andere X’, waarna wordt gereageerd met het bericht: ‘Wajo meen je’.
5. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten het verslag verbatim studioverhoor van [slachtoffer] d.d. 15 mei 2024, los opgenomen en opgemaakt d.d. 3 juni 2024 door schrijftolk I. Spaargaren, pagina 1-15, voor zover inhoudende:
Met de letter G wordt in deze verslaglegging bedoeld, de getuige.
Met de letter V wordt in deze verslaglegging bedoeld, de verhoorster.
(p. 4)
V: Wat had jij [verdachte] over jezelf verteld voordat jullie elkaar ontmoet hadden?
G: Dat ik veertien was. Hij weet ook dat ik een zus heb. Dat m’n ouders zijn gescheiden. Dat ik op Mavo zit, in de toen, volgens mij nog tweede.
(p. 6)
V: Voordat jullie elkaar ontmoette wist hij dat jij veertien was he?
G: Ja
V: Hoe heb jij dat hem laten weten?
G: Toen we aan ’t praten waren gewoon. Ik weet niet meer wie het vroeg, maar één van ons
vroeg hoe oud de ander was. Toen kwamen we d’r achter.
V: Was dat via chatten of telefoon, of anders?
G: Via chat.
(p.7)
V: Toen jij op 29 juli 2023 van huis vertrok, dacht je moeder dat je naar je vriendin [betrokkene] ging.
G: Ja
V: Wat had jij daarover tegen [verdachte] gezegd?
G: Hij wist wel dat ik tegen m’n ouders had gezegd dat ik had gezegd dat ik bij [betrokkene] ging slapen.
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 30 juli 2023, dossierpagina’s 43-51, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
V= vraag en/of opmerking verbalisant(en).
A= antwoord en/of reactie verdachte.
V: Hoe zijn jullie in Weert terecht gekomen?
A: Ik heb haar opgehaald met de trein.
V: Wat was de route van de trein vanuit haar?
A: We hadden eerst de verkeerde trein terug gepakt. We zijn in Gouda geëindigd en zijn van Gouda naar Utrecht gegaan. Vanuit Utrecht naar Weert. Van Utrecht naar Weert was de intercity.
V: Begon er bij jou geen lampje te branden dat ze zo vaak gebeld werd?
A: Dat heb ik zo vaak tegen haar gezegd. Ze zei dat haar pa haar aan het zoeken was in Utrecht.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 juli 2023, dossierpagina’s 52-61, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
V= vraag van de verbalisanten.
A= antwoord van de verdachte [verdachte] .
(p. 57)
A: Als ze foto’s stuurde of zo, zei ze van: ‘je kijkt naar een foto van een minderjarige.’
V: Hoe is dat gegaan met het kaartje voor de trein?
V: Wie heeft dat ticket gekocht?
A: Ik heb die gekocht toch.
(p. 58)
A: Nadat we seks hebben gehad, na de eerste keer. Toen ben ik wat gaan gebruiken. Toen bood ik haar dat aan. Maar dat wilde ze niet. Toen heb ik het haar nog een keer aangeboden. En toen, vond ze het wel oké.
V: Wat is er toen gebeurd, na het uittrekken van kleren van haar?
A: Toen heb ik dat ook gedaan en toen zijn we doorgegaan. Zoenen, knuffelen. En uiteindelijk gewoon seks gehad. Penis in de vagina.
V: Wat is er toen gebeurd?
A: Toen heb ik van dat spul gepakt, coke. Toen zijn we doorgegaan. Gewoon penetratie.
(p. 59)
A: Op een geven moment heb ik haar gebeft. Verder gewoon normale seks.
V: Nadat [slachtoffer] coke had gebruikt, wat merkte je aan haar?
A: Ze schaamde zich niet meer zo.
V: Hoe vaak hebben jullie hierna nog seks gehad?
A: We zijn gewoon lang doorgegaan eigenlijk. We hebben pauzes genomen, geknuffeld en
geslapen, heel kort.
V: Welke seksuele handelingen heb jij verricht bij [slachtoffer] , behalve penetratie zei je beffen?
A: That’s it.
V: [slachtoffer] geeft aan dat er aan het begin een condoom is gebruikt. Klopt dat?
A: Nee.
V: Wat wist jij van wat voor anticonceptie [slachtoffer] gebruikte?
A: Niet, we zouden een morning after pil pakken.
V: Van wie kwam dat idee?
A: Ik zei tegen haar, dat kan. Als jij geen anticonceptie wil, dan kan je dat gebruiken.
V: Hoe wist jij dat ze geen anticonceptie gebruikte?
A: Daar hebben we over gepraat.
V: Wat wist jij ervan wat haar moeder hiervan wist, van dit hele plan?
A: Zij dacht dat haar moeder het nooit goed zou vinden. Ze had gezegd dat ze naar een vriendinnetje zou gaan.
(p. 60)
V: Kan ik dan zeggen dat haar ouders niet wisten dat ze bij jou was?
A: Ja.
(p. 61)
V: Welke foto’s heb jij naar haar gestuurd?
A: Ze vroeg of ik ook dingen wou sturen. Uiteindelijk toen de relatie kwam, heb ik ook wel wat dingen gestuurd.
V: Wat voor dingen zijn dat dan?
A: Gewoon, mijn lul.
V: Heb je ook video’s gestuurd?
A: Korte video’s ja.
V: Wat is daarop te zien?
A: Video’s van mezelf en met mijn ex heb ik weleens een keer een video gemaakt. Toen
vroeg ze of ze die mocht zien. Die heb ik wel laten zien.
8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 5 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik [slachtoffer] in Rotterdam met de trein ben gaan ophalen. Zij wilde bij mij op
bezoek komen en blijven slapen. Ik wilde dat natuurlijk ook. Zij heeft gezegd dat haar moeder het niet goed zou vinden en kwam zelf met het idee dat ze tegen haar moeder
zou zeggen dat ze bij een vriendin zou blijven. De telefoon bleef maar gaan. Uiteindelijk heeft zij contact gehad met haar zus.
Het klopt dat wij seks met elkaar hebben gehad en dat er penetratie heeft plaatsgevonden.
Het klopt dat ik een video waar ik seks had met mijn ex en een ‘dick-pic’ naar [slachtoffer] heb gestuurd.
Het klopt dat zij heeft gezegd dat zij op school zat.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de aangifte, de verklaringen van [slachtoffer] tijdens het studioverhoor, het informatief gesprek zeden, de chatberichten via Snapchat en de verklaringen van de verdachte. Op grond van deze bewijsmiddelen is voldoende komen vast te staan dat de verdachte wist dat [slachtoffer] minderjarig was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de (minderjarige) leeftijd van het slachtoffer. De verdachte ontkent te hebben geweten dat [slachtoffer] minderjarig was. Dat de verdachte wel van deze minderjarigheid zou hebben geweten, volgt uitsluitend uit de verklaring van aangeefster en deze is gelet op enkele tegenstrijdigheden op dit punt niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs.
Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdachte tevens geen beslissende invloed gehad op de voortduring van de scheiding van het ouderlijk gezag. Aangeefster is zelf met een smoes uit huis vertrokken en de verdachte heeft er alles aan gedaan om haar contact op te laten nemen met het thuisfront. Op enig moment is dat contact zelfs (telefonisch) tot stand gekomen waardoor de verdachte erop mocht vertrouwen dat het thuisfront minst genomen op de hoogte was van de plaats, persoon en toestand waar(in) aangeefster verkeerde.
Het oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de ouders van [slachtoffer] , die ten tijde van de tenlastegelegde feiten 14 jaar oud was en derhalve minderjarig, in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 geruime tijd niet op de hoogte waren van haar verblijfplaats, geen contact met haar konden krijgen en haar niet konden vinden, terwijl [slachtoffer] gedurende die tijd in gezelschap van de verdachte was. De verdachte heeft [slachtoffer] met de trein in Rotterdam opgehaald, waarna hij haar naar zijn woning in Weert heeft gebracht. In die woning heeft de verdachte meermalen ontuchtige handelingen met [slachtoffer] gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .
Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen voldoende wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte destijds wist dat [slachtoffer] minderjarig was. Daartoe acht het hof het in het bijzonder van belang dat [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte van haar leeftijd op de hoogte was, omdat zij dit via de chat hadden besproken. Zij verklaarde dit zowel tijdens het informatief gesprek zeden in augustus 2023, alsook tijdens het studioverhoor in mei 2024. Tijdens het studioverhoor verklaarde zij voorts dat één van hen vroeg hoe oud de ander was, waarna ze van elkaars leeftijd op de hoogte waren. Ook wist de verdachte volgens [slachtoffer] dat zij op de mavo zat. Het hof is van oordeel dat [slachtoffer] op een authentieke wijze hierover heeft verklaard. Daarbij heeft [slachtoffer] tijdens het studioverhoor verklaard dat zij nog tot februari 2024 contact met de verdachte heeft gehad, wat de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd. Uit het politiedossier blijkt dan ook niet dat zij de verdachte met deze verklaring een loer wilde draaien. Het hof ziet derhalve geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] te twijfelen. Voorts heeft de verdachte tijdens zijn politieverhoor d.d. 31 juli 2023 uit zichzelf verklaard dat [slachtoffer] hem wel eens foto’s stuurde, waarbij ze dan zei: ‘je kijkt naar een foto van een minderjarige.’ De verdachte heeft daarover weliswaar gesteld dat dit een ‘grapje’ van [slachtoffer] zou zijn, doch ziet het hof niet in hoe een dergelijk bericht over minderjarigheid in deze context als ‘grapje’ door de verdachte zou kunnen worden geïnterpreteerd. Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte meerdere signalen heeft gekregen die naar algemene ervaringsregels duiden op directe betrokkenheid van ouders, welke betrokkenheid hoort bij een minderjarig kind. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de vader van [slachtoffer] naar haar in Utrecht op zoek was en dat [slachtoffer] als smoesje zou hebben verteld tegen haar moeder dat zij naar een vriendin zou gaan. Daarbij heeft de verdachte ook gezien dat [slachtoffer] steeds gebeld werd door haar ouders. Een dergelijke betrokkenheid van ouders past naar het oordeel van het hof niet bij een achttienjarige.
Het hof stelt ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voorts vast dat onder ‘onttrekken’ in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen het dynamische moment van het wegvoeren valt, maar ook het doen verkeren van minderjarigen buiten het (wettige) gezag. Dat een kind zelf het initiatief heeft genomen van huis weg te lopen staat aan een veroordeling niet in de weg. Evenmin is nodig dat het verblijf buiten het gezag langer dan een paar dagen duurt. Nodig is wel dat de verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, waardoor deze buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren, dat kan worden gezegd dat de verdachte die minderjarige aan het wettig gezag heeft onttrokken. De omstandigheden van het geval zijn daarvoor beslissend. (Vgl. HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3959).
Het hof is van oordeel dat de verdachte, terwijl hij wist dat [slachtoffer] minderjarig was en nadat hij werd geconfronteerd met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden – waaronder dat hij wist dat de vader van [slachtoffer] naar haar in Utrecht op zoek was, dat [slachtoffer] een smoesje zou hebben verteld aan haar moeder dat zij naar een vriendin zou gaan en dat de verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] steeds gebeld werd door haar ouders – daarop had moeten acteren teneinde [slachtoffer] weer onder het wettelijk gezag te brengen. De verdachte heeft door dat na te laten, het treinkaartje van [slachtoffer] te betalen en haar ondanks alle signalen mee naar zijn woning te nemen en haar daar de nacht te laten verblijven, in zodanige mate bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer] en haar ouders, dat gezegd kan worden dat hij haar aan het wettig gezag heeft onttrokken. Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] met (voorwaardelijk) opzet heeft onttrokken aan het wettig gezag, zoals aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd.
Het hof acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij als veertienjarige foto’s van de ‘lul’ van de destijds eenentwintig jaar oudere verdachte heeft ontvangen. Ook de verdachte heeft verklaard dat hij foto’s van zijn ontblote penis en een korte video waarop te zien is dat hij seksuele handelingen verricht met zijn ex-partner naar [slachtoffer] heeft gestuurd. De afbeeldingen zijn van zodanig expliciet seksuele aard, dat mede gelet op het leeftijdsverschil, vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zicht brengt.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde of die bewezenverklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag.
Het onder feit 3 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet, dat deze jonger is dan zestien jaar.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is in het kader van de onderhavige strafzaak onderzocht door klinisch psycholoog drs. F.M. Vuister . Naar aanleiding van dit onderzoek is een Pro Justitia rapport d.d. 7 mei 2025 betreffende de verdachte opgesteld.
Uit dit Pro Justitia rapport d.d. 7 mei 2025 blijkt onder meer dat er bij de verdachte sprake is van het bestaan van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, afhankelijke en dwangmatige trekken en dat daarvan eveneens sprake was ten tijde van het tenlastegelegde. De problematiek zette hem ertoe aan op zoek te zijn naar relaties met vrouwen, waarbij hij op een weinig volwassen wijze inging op alles wat hij op zijn pad bevond. Zijn ambivalente gehechtheidsstijl bracht met zich mee dat hij zich met relatief weinig zelfvertrouwen overgaf aan vrouwen die interesse in hem toonden en met wier aandacht hij zich in aanvang veilig en gestreeld voelde. Deze immature wijze van contacten leggen uitte zich bovendien daarin dat hij in het geheel niet kritisch was op de precieze leeftijden van de potentiële partners die hij in aanvang op internet tegenkwam. Door drs. Vuister wordt echter geoordeeld dat dit niet de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zou hebben beïnvloed en aldus wordt geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde bij een bewezenverklaring in zijn geheel toe te rekenen.
Anders dan klinisch psycholoog drs. F.M. Vuister ziet het hof op grond van de bevindingen uit de Pro Justitia rapportage en de indruk van het hof van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, wel redenen om ervan uit te gaan dat de bij de verdachte gediagnosticeerde andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, afhankelijke en dwangmatige trekken heeft doorgewerkt in het handelen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. De ambivalente gehechtheidsstijl van de verdachte, zijn onrijpe en onvolwassen persoonlijkheid en immature wijze van het leggen van contacten hebben er naar het oordeel van het hof immers toe geleid dat de verdachte (seksueel) contact met het minderjarige slachtoffer heeft gelegd en hij vervolgens ondanks het feit dat hij wist dat haar ouders naar haar op zoek waren met haar ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Het hof acht de verdachte aldus verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.
Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd, in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] , dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden kunnen worden verbonden eventueel te combineren met meerdere maximale taakstraffen. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar de persoon van de verdachte, de onderlinge dynamieken en het verstrijken der tijd, de gevolgen die de verdachte reeds heeft gedragen en hetgeen hem in de privésfeer nog te wachten staat.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de toentertijd 14-jarige [slachtoffer] , welke mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte was op dat moment 35 jaar oud. Hij heeft [slachtoffer] meegenomen naar zijn huis om gedurende de nacht meermalen onbeschermde seks met haar te hebben en dat afgewimpeld met een “morning afterpil”. Voorts heeft de verdachte [slachtoffer] , om de met haar te ondernemen seksuele activiteiten te bevorderen, aangezet om cocaïne te gebruiken. Zij heeft dit aanvankelijk geweigerd, maar nadat hij bleef aandringen heeft zij toch cocaïne gebruikt. Om seks met [slachtoffer] te kunnen hebben, heeft hij [slachtoffer] in Rotterdam opgehaald en heeft hij haar treinkaartje naar Weert betaald. Daarbij heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het opzettelijk onttrekken van de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gesteld gezag. De verdachte wist dat de ouders van [slachtoffer] naar haar op zoek waren en kennelijk erg ongerust waren, omdat zij veelvuldig door haar ouders en zus werd gebeld. Dit heeft bij de ouders en zus van [slachtoffer] enorme onrust en spanningen veroorzaakt. Ten slotte heeft de verdachte foto’s van zijn ontblote penis en een video waarop seksuele handelingen te zien zijn naar de minderjarige [slachtoffer] gestuurd. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van minderjarigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden.
De bewezenverklaarde ontucht bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Hoewel van dwang niet is gebleken, heeft de wetgever er juist voor gekozen om seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen, omdat deze minderjarigen zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag te overzien. Dit geldt temeer als zij onder invloed van harddrugs wordt gebracht, zoals de verdachte dat heeft gedaan.
Met zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan nog lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat de handelingen consensueel waren/leken, doet daar niet aan af. Hier ook weer temeer nu [slachtoffer] destijds door aandringen van de verdachte onder invloed van drugs verkeerde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof acht de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan strafverzwarend. In dat kader overweegt het hof dat uit het politiedossier, in het bijzonder de aangetroffen chats op Snapchat, is gebleken dat de verdachte het slachtoffer heeft aangezet om harddrugs te gebruiken. Toen de politie ter plaatse kwam, troffen zij het slachtoffer dan ook onder invloed aan. Het slachtoffer was afwezig in haar gedrag, reageerde niet op de vragen die de verbalisanten stelden en had verwijde pupillen. Zij zou niet eerder dergelijke harddrugs hebben gebruikt. Ook de omstandigheid dat de verdachte met het slachtoffer onbeschermde seks heeft gehad, waarna zij zich op soa’s heeft moeten laten testen en een morning-afterpil heeft moeten innemen, acht het hof bijzonder laakbaar en wijst louter op een gerichtheid op zijn eigen seksuele verlangens. Dat de verdachte in weerwil van zijn arrestatie en verdachteverhoor is doorgegaan met het contact houden met [slachtoffer] , zelfs na een later Stopgesprek met de wijkagent, en dat dit pas is gestopt toen de ouders van [slachtoffer] daar in februari 2024 achter kwamen (pagina 12 studioverhoor [slachtoffer] en pagina 7 van het psychologisch rapport betreffende de verdachte), is ook veelzeggend.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder ‘Strafbaarheid van de verdachte’ is overwogen, heeft het hof kennis genomen van het door klinisch psycholoog drs. F.M. Vuister opgestelde Pro Justitia rapport d.d. 7 mei 2025. Door drs. F.M. Vuister wordt in het Pro Justitia rapport gesproken over een laag recidiverisico op het in de toekomst opnieuw vervallen in een zedendelict. Daarbij is er sprake van in redelijke mate aanwezig zijnde beschermende factoren, die ook aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde. Er bleek bij de verdachte sprake te zijn van een voldoende hoge intelligentie, een voldoende mate van empathie en van een dominant taakgerichte copingstijl. De verdachte beschikt over werk, over een adequate vrijetijdsbesteding, over een goed financieel beheer, over aanwezige motivatie tot behandeling als ook over reëel gestelde levensdoelen. Tenslotte waren daar ook de beschikbaarheid van hulpverlening en een adequate huidige woonsituatie. Het gevaar op recidive zou volgens de psycholoog nog verder verlaagd kunnen worden door een gerichte behandeling van met name de gediagnosticeerde vermijdende en afhankelijke trekken in de persoonlijkheid, met daarbij speciale aandacht voor zijn hechtingsstijl en de gedragsmatige gevolgen daarvan als ook voor het zelfbeeld dat de verdachte in de loop van zijn leven heeft opgebouwd. Desalniettemin zag drs. Vuister ervan af enig interventieadvies uit te brengen.
Daarnaast heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 17 september 2025. Daaruit komt als (andere) conclusie naar voren dat de verdachte een slecht sociaal ingebedde man is die eenzaam is. Hij heeft een problematische relatie met zijn moeder die zich met elk facet van zijn leven bemoeit. De verdachte heeft een hoge behoefte aan genegenheid, maar is er tot op heden niet in geslaagd een stabiele relatie op te bouwen. Dat ervaart hij als een gemis. In de context van de tenlastegelegde feiten liet hij zich vooral leiden door die behoeftes en was hij onvoldoende alert op diverse signalen dat er iets niet klopte. Hij legt te veel de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer. Het is mogelijk dat middelengebruik hierbij een rol heeft gespeeld. De huisvesting van de verdachte is stabiel. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van drie jaren en daaraan bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), een contactverbod met het slachtoffer, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole te verbinden.
Het hof neemt de bevindingen van de reclassering over als passend bij zijn eigen oordeel op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij een arbeidsovereenkomst heeft als verkoper en dat hij daarnaast mantelzorger is voor zijn terminale vader. Enige vorm van therapie is volgens de verdachte niet tot stand gekomen.
Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde straf – te weten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht – een passend uitgangspunt, doch zal het hof dat uitgangspunt met 3 maanden verminderen nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het onder feit 4 tenlastegelegde. In de omstandigheid dat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten, zal het hof deze straf nogmaals met 3 maanden verminderen.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Het hof ziet voorts aanleiding aan deze voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het contactverbod met [slachtoffer] , nu er vanaf februari 2024 al geen contact meer is geweest. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 117.045,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering valt uiteen in de volgende posten:
-
€ 544,22 aan reis- en parkeerkosten voor de moeder van [slachtoffer] ;
-
€ 490,07 aan reis- en parkeerkosten voor de vader van [slachtoffer] ;
-
€ 11,49 voor een morning-afterpil;
-
€ 16.000,00 aan smartengeld;
-
€ 100.000,00 ter verhoging immateriële en materiële schade.
De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 10.365,58, bestaande uit € 365,58 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich voor wat betreft de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft zij het hof verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks (verplaatste) schade in de vorm van reis- en parkeerkosten heeft gemaakt, verband houdende met het woon-werkverkeer van haar ouders [getuige 1] (moeder) en [getuige 2] (vader) ter zake van afspraken die de benadeelde had met hulpverlening en het ziekenhuis. Dit betreft kosten die zijn gemaakt ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid, hetgeen voor toewijzing in aanmerking komt ex artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW.
Voor wat betreft de kosten van [getuige 1] stelt het hof vast dat zij in totaal 538,4 kilometer heeft gereden ter zake van afspraken die de benadeelde had met hulpverlening en het ziekenhuis. Daarnaast heeft zij in dat kader € 3,20 aan kosten voor het openbaar vervoer en € 18,50 aan parkeerkosten gemaakt. Derhalve acht het hof een bedrag van € 199,37 toewijsbaar (538,4 km x € 0,33 conform de Richtlijn Kilometervergoeding van de Letselschade Richtlijn per 1 januari 2024 + € 3,20 + € 18,50).
Voor wat betreft de kosten van [getuige 2] stelt het hof vast dat hij in totaal 146 kilometer heeft gereden ter zake van afspraken die de benadeelde had met hulpverlening en het ziekenhuis. Daarnaast heeft hij in dat kader € 10,64 aan kosten voor het openbaar vervoer en € 3,50 aan parkeerkosten gemaakt. Derhalve acht het hof een bedrag van € 62,32 toewijsbaar (146 km x € 0,33 conform de Richtlijn Kilometervergoeding van de Letselschade Richtlijn per 1 januari 2024 + € 10,64 + € 3,50).
Aldus zal het hof de reis- en parkeerkosten voor een bedrag van € 261,69 (€ 199,37 + € 62,32) toewijzen. De overige gevorderde reis- en parkeerkosten, die onder meer zijn gemaakt van en naar het politiebureau in verband met de aangifte of verhoor, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn immers niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal de vordering in zoverre afwijzen.
Het hof acht de kosten voor de morning-afterpil ter hoogte van € 11,49 wel toewijsbaar. Het hof stelt vast dat deze gevorderde schade door de verdediging niet inhoudelijk is betwist en dat deze schadepost voldoende is onderbouwd. De kosten voor de morning-afterpil staan daarnaast in voldoende verband met het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte.
Immateriële schade
Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is indien voornoemde aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot de benadeelde partij kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het is in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit. Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Daarnaast kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Het gaat dan om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Het hof stelt vast dat de advocate van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat het niet goed gaat met de benadeelde. Volgens haar moeder zou de benadeelde problemen met eten hebben ontwikkeld, zou zij een afscheidsbrief hebben geschreven en wordt zij in het dagelijks leven vaker geconfronteerd met het incident. Door de advocate van de benadeelde partij is gesteld dat, hoewel er geen diagnose van enig geestelijk letsel bij de benadeelde kon worden vastgesteld, er gelet op de aard van de normschending sprake zou zijn van psychisch letsel.
Het hof is van oordeel dat gelet op het ontbreken van enige diagnose van geestelijk letsel bij de benadeelde en onduidelijkheid over de gevolgen voor de benadeelde van het bewezenverklaarde anderszins, dan wel andere concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen van de normschending, de vordering tot immateriële schade thans onvoldoende is onderbouwd. Uit de bij het schadeformulier overgelegde stukken volgt weliswaar dat [slachtoffer] met tal van psychische problemen kampt. Het vergt echter een onevenredige belasting van het strafgeding om te kunnen vaststellen of er in deze sprake is van ‘aantasting in de persoon’ als gevolg van het bewezenverklaarde in de zin van de eisen die de Hoge Raad stelt aan de toepasbaarheid van artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Naar het oordeel van het hof is voorts ook geen sprake van een geval waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het hof zal de vordering tot schadevergoeding in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verhoging immateriële en materiële schade
Het hof zal de benadeelde partij voorts niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze ziet op de verhoging van de materiële en immateriële schade voor een bedrag van € 100.000,00, nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd.
Conclusie
Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade voor een totaalbedrag van € 273,18 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is. Het hof zal de overige gevorderde materiële schade voor een bedrag van € 772,60 afwijzen. Daarnaast zal het hof de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het smartengeld niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024, zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding namens de benadeelde partij is ingediend.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 273,18. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a, 245 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij SVG reclassering Limburg, Vincent van Gogh op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer]
) en de verdachte zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, welke behandeling zo spoedig mogelijk start; de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek; als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis en cocaïne om het middelengebruik te beheersen; de reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle en de reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 273,18 (tweehonderddrieënzeventig euro en achttien cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 772,60 (zevenhonderdtweeënzeventig euro en zestig cent) aan materiële schade af;
verklaart de vordering ter zake van het smartengeld ter hoogte van € 16.000,00 niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 273,18 (tweehonderddrieënzeventig euro en achttien cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 (twee) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.