Strafrecht overig
Vrijspraak witwassen. Het Openbaar Ministerie is, mede gelet op de resultaten van het verrichte nader…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2482 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2482
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 14 september 2026
- Zaaknummer
- 20-000535-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2482
Samenvatting
Vrijspraak witwassen. Het Openbaar Ministerie is, mede gelet op de resultaten van het verrichte nader onderzoek, er niet in geslaagd om de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het aangetroffen geld – welke verklaring niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is – dusdanig te ontkrachten dat een criminele herkomst daarvan als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000535-20
Uitspraak : 1 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-070044-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te district [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dit gekwalificeerd als ‘witwassen’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem ter zake veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 3.000,00 verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor duur van 50 uren waarvan 25 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.000,00 verbeurd zal verklaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, verdachte, op of omstreeks 19 november 2018, te Sluis, althans in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte, van een groot contant geldbedrag van (ongeveer) 3.000 euro,
althans van enig(e) contant(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze contante geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat er geen sprake is van witwassen en dat de verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat er niet zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien het hof tot het oordeel zou komen dat er wel sprake is van een vermoeden van witwassen, dan heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de legale herkomst van het geldbedrag, die door het Openbaar Ministerie niet dan wel onvoldoende nader is onderzocht. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder, het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden en dus dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 19 november 2018 is de verdachte door de politie onderworpen aan een veiligheidsfouillering. Daarbij is in de jaszak van de verdachte een geldbedrag van in totaal
€ 3.000,00 aangetroffen, bestaande uit drie pakketjes van 20 biljetten van € 50,00. Voorts is in de auto waarin de verdachte als bestuurder reed onder de versnellingspook ruim 4 gram heroïne aangetroffen. Alhoewel niet is komen vast te staan dat de aangetroffen heroïne en de sommen geld met elkaar in verband kunnen worden gebracht, is, op basis van de omstandigheden waaronder de geldbedragen zijn aangetroffen, mede gelet op het inkomen (een uitkering) van de verdachte, sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
De verdachte heeft dienaangaande bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie verklaard dat een gedeelte van het geld, namelijk € 1.500,00 van hem was en dat de overige
€ 1.500,00 van anderen was. Wie die andere mensen zijn, wilde de verdachte op dat moment niet verklaren. Tijdens het tweede verhoor door de politie heeft de verdachte verklaard dat het geldbedrag van € 1.500,00 heeft gekregen vanwege de uitkering van een autoschade en dat hij dat geld heeft gepind. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het andere deel van het geldbedrag, te weten € 1.500,00 had meegekregen van een vriendin, [getuige] . De verdediging heeft het hof een e-mailbericht van 4 augustus 2022 doen toekomen, met als bijlage een afschrift mutatieoverzicht van een bankrekening van de verdachte bij de ABN AMRO bank, waaruit volgt dat op 8 mei 2018 op die bankrekening een geldbedrag van € 1.580,78 is ontvangen van de Nederlandse Rechtsbijstand Stichting met als omschrijving ‘UW REF: UW SCHADE’.
Naar ’s hofs oordeel is de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het geldbedrag niet op voorhand zo onwaarschijnlijk dat zij zonder meer terzijde behoort te worden gesteld.
Tijdens de procedure in hoger beroep is door het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld. Op 13 juni 2025 is [getuige] als getuige gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat het zou kunnen dat zij aan de verdachte een bedrag van € 1.500,00 heeft gegeven. Vanwege het tijdsverloop kan zij zich niet herinneren wat de reden is dat de verdachte destijds het geld voor haar bij zich had. Zij heeft verklaard dat zij wel eens de verdachte geld heeft gegeven en hem heeft gevraagd om een jas of schoenen te kopen in een winkel. Of dat in die periode is geweest, kan zij zich niet meer herinneren.
Voorts komt uit het nader onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de bankgegevens van de verdachte naar voren dat er op 8 mei 2018 een binnenkomende storting was van 1.580,78 euro van de Nederlandse Rechtsbijstand Stichting met de omschrijving UW REF: UW SCHADE en op 9 mei 2018 uur een uitgaande overschrijving naar rekening
[rekeningnummer] ten name van [betrokkene] met de omschrijving Uitbetaling schade auto. [betrokkene] heeft aan de politie te kennen gegeven dat zij dit bedrag aan het nichtje van de verdachte heeft overgemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij het geld daarna in contant heeft opgenomen. Het nichtje van de verdachte is niet gehoord.
Bij voormelde stand van zaken is het Openbaar Ministerie, mede gelet op de resultaten van het verrichte nader onderzoek er, naar het oordeel van het hof, niet in geslaagd om de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het aangetroffen geld – welke verklaring niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is – dusdanig te ontkrachten dat een criminele herkomst daarvan als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Gelet op het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal en het ter zake door en namens de verdachte omtrent de herkomst van het tenlastegelegde geldbedrag aangevoerde, kan een legale herkomst van dat geldbedrag niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten.
Het vorenoverwogene leidt het hof tot het eindoordeel dat niet kan worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Dit geldt te meer nu niet van een verdachte mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Mitsdien zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde
Beslag
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, zal het hof van het onder hem inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 3.000,00, de teruggave gelasten aan de verdachte, mede in aanmerking genomen dat het belang van strafvordering zich hier niet tegen verzet.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
3.000 EUR (G1958844/ ibn 20-11-2018).
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. G.P.N. Robben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,
en op 1 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.