Strafrecht overig

Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Geen afschrift van dagvaarding in hoger beroep verzonden aan…

Zaakgegevens

Op 28 september 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 september 2021
Datum publicatie
22 september 2021
Zaaknummer
19/05248
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1337
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Geen afschrift van dagvaarding in hoger beroep verzonden aan raadsvrouw van verdachte, art. 48 Sv. Aan schriftuur gehechte brief van advocaat aan strafgriffie hof, welke per fax verzonden brief blijkens aan schriftuur gehecht verzendcontrolerapport daar is binnengekomen, houdt in dat zij verdachte in h.b. als raadsvrouw bijstaat. Noch uit mededelingen gesteld op dubbel van dagvaarding in h.b. noch uit enig ander stuk dat aan HR is gezonden, kan blijken dat afschrift van die dagvaarding aan raadsvrouw is gezonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsvrouw verschenen. Uit wat hiervoor is vermeld vloeit ernstig vermoeden voort dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 juni 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:887
  2. Hoge Raad · 28 september 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1337

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05248

Datum 28 september 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2019, nummer 22-005090-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsvrouw van de verdachte is gezonden.

2.2

Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een brief van advocaat N.F.M. Osta, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, die volgens een verzendcontrolerapport daar is binnengekomen op 24 december 2018 en die inhoudt dat zij de verdachte in hoger beroep als raadsvrouw bijstaat.
Bij de stukken bevindt zich ook het dubbel (een kopie) van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander stuk dat aan de Hoge Raad is gezonden, kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan Osta is gezonden.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.

2.3

Uit wat hiervoor is vermeld vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2021.