Strafrecht overig
Onverzekerd rijden, art. 30.4 WAM. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat…
Hoge Raad, 16 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:944 · Hoge Raad · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-944
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/01769
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:944
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onverzekerd rijden, art. 30.4 WAM. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a en 408.2 Sv. Ontvankelijkheid hoger beroep en betwisting dat inleidende dagvaarding of vonnis Ktr in persoon aan verdachte is uitgereikt. Kon hof vaststellen dat inleidende dagvaarding of vonnis Ktr in persoon aan verdachte is uitgereikt, nu akte van uitreiking slechts parketnummer van eerste aanleg vermeldt en niet inhoudt welk stuk aan verdachte is uitgereikt?
O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte, in andere gevallen dan die in art. 408.1 Sv zijn genoemd, binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis. Van ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR:2013:BZ1940).
’s Hofs oordeel dat h.b. niet-ontvankelijk is, is niet begrijpelijk. V.zv. hof (onder verwijzing naar art. 408.1.a Sv) heeft geoordeeld dat h.b. binnen 14 dagen na einduitspraak in e.a. had moeten worden ingesteld, heeft het miskend dat dagvaarding voor tz. in e.a. niet in persoon is betekend, terwijl uit stukken ook niet volgt dat verdachte ttz. in e.a. is verschenen of zich anderszins omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van die tz. de verdachte tevoren bekend was. V.zv. ’s hofs oordeel erop berust dat aan verdachte een gerechtelijk stuk is uitgereikt en dat daardoor einduitspraak in e.a. aan verdachte bekend is geworden, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Akte van uitreiking en daaraan gehecht mutatierapport houden immers alleen parketnummer in, maar daaruit blijkt niet (anders dan hof heeft aangenomen) dat vonnis in e.a. aan verdachte is uitgereikt. Hof heeft ook niet vastgesteld dat verdachte anderszins op de hoogte is gesteld van wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b.
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:528Hoge Raad · 16 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:944
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01769
Datum 16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, nummer 21-004334-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. van Maaren bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zodat de zaak op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4. Deze stukken houden onder meer in dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 29 april 2022, met parketnummer 96-305026-20, niet in persoon is uitgereikt, dat de verdachte bij vonnis van 29 april 2022 bij verstek is veroordeeld en dat op 21 september 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld.
Tot de stukken behoort verder een akte van uitreiking met als datum “02-01”, waarop het parketnummer 96-305026-20 staat vermeld en de personalia van de verdachte, met een handtekening, zijn weergegeven. Aan die akte is een mutatierapport van 2 januari 2023 gehecht met vermelding van parketnummers 96-305026-20 en 96-310944-20. Dat rapport houdt onder meer in: “aan betrokkene 2x gerechtelijke stukken betekend” en “Beide stukken zijn uitgereikt, echter per abuis 1 stuk laten tekenen. Later teruggegaan om 2de stuk te laten tekenen, maar toen bleek betrokkene niet meer thuis. Vader zou 2de stuk aan betrokkene overhandigen.”
Het hof heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aangetekende mondeling arrest houdt hierover in:
“Standpunt van het Openhaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betekening van het vonnis niet rechtsgeldig is geschied.
Oordeel van het hof
Het hof is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Vast staat dat de verdachte op 21 september 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis van 29 april 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland. Het parketnummer van deze zaak in eerste aanleg was 96-305026-20.
Het hof is van oordeel dat dit vonnis conform de wettelijke vereisten op 2 januari 2023 is uitgereikt aan de verdachte in persoon. Dit blijkt uit het mutatierapport van de politie van laatstgenoemde datum waarin twee parketnummers staan vermeld, waaronder het parketnummer van onderhavige zaak. In het mutatierapport staat vermeld dat beide gerechtelijke stukken zijn uitgereikt en dat daarvoor is getekend. Bij het andere parketnummer staat vermeld ‘uitreiking NIP’. Uit het mutatierapport leidt het hof af dat het stuk met het andere parketnummer is uitgereikt aan de vader van verdachte en dat het stuk dat betrekking heeft op de onderhavige zaak (dus) is uitgereikt aan verdachte in persoon.
De onderhavige zaak betreft een kantonovertreding wat naar haar aard een overzichtelijk dossier is. Het hof ziet niet in welk ander gerechtelijk stuk met onderhavig parketnummer op 2 januari 2023 aan de verdachte betekend kan zijn. Het enige andere stuk dat als ‘gerechtelijk stuk’ kan worden geclassificeerd in een zaak als de onderhavige is de rijontzegging, maar deze is immers op 21 september 2023 aan de verdachte uitgereikt. Het voorgaande maakt dat het vonnis van de kantonrechter op 2 januari 2023 conform de wettelijke vereisten in persoon aan verdachte is betekend.
Het hoger beroep is pas 21 september 2023 ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep binnen veertien dagen na betekening in persoon te worden ingesteld. Nu niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
Artikel 408 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was; (...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte, in andere gevallen dan die in artikel 408 lid 1 Sv zijn genoemd, binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)
Het oordeel van het hof dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, is niet begrijpelijk. Daarvoor is het volgende van belang. Voor zover het hof – onder verwijzing naar artikel 408 lid 1, aanhef en onder a, Sv – heeft geoordeeld dat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak in eerste aanleg had moeten worden ingesteld, heeft het miskend dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg niet in persoon is betekend, terwijl uit de stukken ook niet volgt dat de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg is verschenen, of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van die terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Voor zover het oordeel van het hof erop berust dat aan de verdachte op 2 januari 2023 een gerechtelijk stuk is uitgereikt en dat daardoor de einduitspraak in eerste aanleg aan de verdachte bekend is geworden, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. De onder 2.2.2 vermelde akte van uitreiking en het daar genoemde mutatierapport houden immers alleen het parketnummer in, maar daaruit blijkt niet – anders dan het hof heeft aangenomen – dat het vonnis in eerste aanleg aan de verdachte is uitgereikt. Het hof heeft ook niet vastgesteld dat de verdachte anderszins op de hoogte is gesteld van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.
Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.