Parketnummer: P-2025/01348
Zaaknummer: 27 van 2026
Uitspraak van: 12 februari 2026 op tegenspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres]),
hierna: de verdachte.
1
Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. A. Vroombout, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.L. Emerencia, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht.
Overwegingen
4
Beoordeling van het bewijs
Inleiding
Aangever [slachtoffer] was op 26 juli 2025 samen met twee vrienden te gast bij ‘Lekker Bar’. Hij stond met zijn vrienden binnen te praten toen hij een duw van een vrouw kreeg. Dat leidde tot een conflict. (Voetnoot 1) De beveiliging werd opgeroepen om in te grijpen. Verdachte was die avond als beveiliger werkzaam in de Viplounge van Lekker Bar. Hij volgde de oproep, pakte aangever vast en bracht hem samen met enkele collega’s naar buiten. Buiten escaleerde de situatie en werd aangever door verdachte en diens collega’s, de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), tegen zijn hoofd geslagen en geschopt. (Voetnoot 2)
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie mogen aan de beveiliging weliswaar bepaalde bevoegdheden worden toegekend, omdat beveiligers anders hun werk niet kunnen uitvoeren, maar in casu zijn deze bevoegdheden overschreden. Verdachte heeft aangever geschopt, de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben aangever geslagen. Zij hebben samen openlijk geweld gepleegd tegen aangever. Het toegepaste geweld kan niet worden gerechtvaardigd. Het feit is strafbaar en verdachte is een strafbare dader.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van hetgeen ten laste is gelegd. Zij heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake was van openlijke geweldpleging. Verdachte had uit hoofde van zijn functie de bevoegdheid om aangever uit de bar te verwijderen en daarbij fysiek op te treden. Verdachte heeft in casu geen opzet gehad op de mishandeling van aangever dan wel op het plegen van geweld in vereniging. Hij probeerde de situatie juist te de-escaleren en handelde uit noodweer.
Het oordeel van het Gerecht
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verklaring van aangever
Aangever verklaarde dat hij door twee beveiligers van ‘Lekker Bar’ van achteren werd aangevallen. Het leek alsof zij op zijn reactie na de duw van de vrouw zaten te wachten. Zij gaven aangever vuistslagen op zijn gezicht en mond. Aangever verloor meteen het bewustzijn. Toen hij bijkwam bevond hij zich buiten Lekker Bar. Hij was duizelig en hevig aan het bloeden. Aangever had verwondingen aan zijn gezicht. In de boven- en de onderlip zaten snijwonden en de mond was opgezwollen en bebloed. (Voetnoot 3)
Videobeelden
Lekker Bar beschikt over verschillende beveiligingscamera’s. Op de beelden is te zien dat aangever door de vrouw wordt geduwd en een discussie ontstaat. Een medewerker van de bar roept de beveiligers. Verdachte en zijn collega’s gaan op aangever af en brengen hem naar de uitgang. [Medeverdachte 1] houdt daarbij aangever met zijn arm om zijn nek vast. Buiten bij de uitgang verdwijnt de groep korte tijd uit beeld. Buiten het zicht van de camera’s lijkt iets te gebeuren, want er ontstaat dan enige commotie. Daarna is te zien dat [medeverdachte 2] aangever twee keer met zijn vuist in het gezicht slaat. [Medeverdachte 2] en aangever vallen op de grond. Verdachte geeft aangever een schop tegen het hoofd. Aangever pakt verdachte bij de benen vast. Verdachte pakt de gehurkt zittende aangever van bovenaf met beide armen vast. Terwijl hij aangever nog een schop in de richting van het gezicht geeft, slaat [medeverdachte 1] aangever van achteren twee keer met de vuist tegen het hoofd. Aangever blijft enige seconden op de grond liggen. (Voetnoot 4)
Verklaring van verdachte
Verdachte verklaarde dat hij aangever in Lekker Bar heeft aangesproken, hem met beide armen om zijn middel heeft gepakt en naar buiten heeft gebracht. [Medeverdachte 1] had aangever in een wurggreep. Aangever verzette zich en wilde terug de bar in. Buiten escaleerde de zaak. Aangever werd gewelddadig en begon [medeverdachte 2] te slaan. In reactie daarop heeft [medeverdachte 2] hem met de vuist geslagen. Beiden kwamen ten val. Verdachte schoot [medeverdachte 2] te hulp. Er ontstond een worsteling. Verdachte heeft aangever in een greep vastgehouden. Omdat aangever hem bij zijn bovenbenen greep, heeft hij zichzelf verdedigd door aangever te schoppen. (Voetnoot 5)
Verklaring van [medeverdachte 2]
[Medeverdachte 2] verklaarde dat aangever naar buiten werd geleid en dat hij zich hiertegen verzette. Aangever sloeg [medeverdachte 2] tegen de borst. [Medeverdachte 2] reageerde door aangever twee keer in het gezicht te slaan. Beiden struikelden en vielen op de grond. (Voetnoot 6)
Verklaring van [medeverdachte 1]
[Medeverdachte 1] verklaarde dat hij aangever samen met verdachte naar buiten heeft gebracht. Hij had aangever daarbij in een wurggreep vast. Aangever wilde geen medewerking verlenen. Hij zwaaide met zijn vuisten en sloeg [medeverdachte 1] op de borst. Daarom heeft hij aangever buiten een duw gegeven. Aangever werd door een andere beveiliger geslagen. [Medeverdachte 1] heeft bekend dat hij aangever een vuistslag tegen de rug, de schouder of het gezicht heeft toegediend. (Voetnoot 7)
Bewezenverklaring
Het Gerecht komt op grond van het voorgaande tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Zowel verdachte als ook zijn twee medeverdachten hebben een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Zij hebben gezamenlijk als groep, op een voor het publiek toegankelijke plaats, opzettelijk het ten laste gelegde geweld gepleegd tegen het slachtoffer en zijn daarom allemaal aansprakelijk voor de in de tenlastelegging vermelde geweldshandelingen, te weten slaan en schoppen tegen het hoofd en lichaam.
Onder het kopje ‘De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte’ zal het Gerecht ingaan op het beroep op noodweer(exces).
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op of omstreeks 26 januari 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met anderen op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in of voor Lekker Bar, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen zijn hoofd en lichaam.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
6
De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,
strafbaar gesteld bij artikel 2:82 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba
.
7
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn collega [medeverdachte 2] door aangever, waartegen hij hem moest verdedigen, gevolgd door een aanval van aangever jegens hemzelf, waarop verdachte zichzelf moest verdedigen.
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat sprake was van noodweerexces. Verdachte heeft mogelijk de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer(exces) dient te worden verworpen. Daartoe heeft hij betoogd dat alleen door verdachte en zijn medeverdachten is aangevoerd dat er een noodzaak was om zichzelf te verdedigen. Dit blijkt uit geen enkel ander bewijsmiddel. Noch uit de videobeelden noch uit de getuigenverklaringen komt naar voren dat aangever agressief was en de beveiligers aanviel. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er een noodzaak was tot zelfverdediging. Het ging om puur machtsvertoon jegens aangever en dat is door de andere bezoekers van Lekker Bar waargenomen. Omdat er geen sprake was van een noodweersituatie, kan noodweerexces ook niet aan de orde zijn.
Het oordeel van het Gerecht
Juridisch kader noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. De verdediging moet noodzakelijk en proportioneel zijn.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. In dat geval moet de gedraging het onmiddellijk gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. De aldus veroorzaakte gemoedsbeweging moet van doorslaggevend belang zijn geweest voor de verweten gedraging.
Het Gerecht gaat uit van de volgende aan bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
Noodweer
De relevante gebeurtenissen in deze zaak beginnen met de beveiligers (waaronder verdachte) die aangever naar buiten leidden. De beveiligers zagen aanleiding om aangever te verwijderen. Er is discussie over de vraag of die aanleiding terecht was. Aangever heeft verklaard dat er geen enkele aanleiding voor was. Maar zelfs als de beveiligers op dat moment een inschattingsfout hebben gemaakt, is het aan de bezoeker van de bar om op dat moment de aanwijzingen van de beveiligers te volgen. De beveiliging is immers de autoriteit in de horecagelegenheid en bevoegd om de orde en het huisrecht te handhaven. Eén van de taken van een beveiliger is het (tijdig) signaleren en op gepaste wijze verwijderen van ongewenste gasten in overeenstemming met de huisregels en protocollen van de (horeca)organisatie. Te denken valt aan het aanraken of duwen van een gast die zich niet aan de regels wil conformeren en zich verzet tegen aanwijzingen van de beveiliging. Maatgevend bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het optreden is dat de beveiliger daarbij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Dat laat enige beoordelingsruimte voor verschillen van inzicht en van reactiemogelijkheden. Naar het oordeel van het Gerecht was de wijze waarop aangever uit Lekker Bar naar buiten is gebracht hardhandig, maar niet wederrechtelijk.
Vervolgens is de vraag wat zich vervolgens buiten bij de ingang/uitgang van Lekker Bar afspeelt. Er gebeurt iets tussen aangever en de beveiligers in de ‘dode hoek’ van de camera’s. Dit moment is niet op beeld vastgelegd, maar alle drie de betrokken beveiligers hebben vanaf hun allereerste verklaring hierover verklaard dat aangever [medeverdachte 2] sloeg. Volgens [medeverdachte 2] zelf was dat op zijn borst. Deze verklaring van de beveiligers wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen en ondersteuning hiervoor kan worden gevonden in het feit dat wel op de beelden te zien is dat er iets gebeurt dat leidt tot onrust. Het Gerecht zal er daarom van uitgaan dat aangever de beveiliger [medeverdachte 2] op de borst heeft geslagen.
Gelet op het voorgaande, waarbij is geconcludeerd dat de beveiligers hardhandig maar niet wederrechtelijk handelden, moet deze slag van aangever worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] en zijn collega’s hadden dan ook het recht zich daartegen te verdedigen.
Daarbij hebben zij de grenzen van de noodzakelijke verdediging echter overschreden. Op de beelden is te zien dat [medeverdachte 2] aangever twee keer met zijn vuist in het gezicht slaat. [Medeverdachte 2] en aangever vallen op de grond. Verdachte geeft aangever dan een schop tegen het hoofd. Aangever pakt verdachte bij de benen vast. Verdachte pakt de gehurkt zittende aangever van bovenaf met beide armen vast. Terwijl hij aangever nog een schop in de richting van het gezicht geeft, slaat [medeverdachte 1] aangever van achteren twee keer met de vuist tegen het hoofd. Aangever blijft enige seconden op de grond liggen.
Het Gerecht is van oordeel dat hiermee de grenzen van proportionaliteit zijn overschreden. Vooral gelet op het numerieke overwicht van de beveiligers (naast de drie direct betrokkenen, zijn er ook nog andere beveiligers rondom de situatie aanwezig) en het feit dat aangever op enig moment op de grond ligt, hadden zij kunnen en moeten volstaan met een andere, minder gewelddadige aanpak. Dat geldt te meer nu het hier gaat om professionele beveiligers. Van hen mag verwacht worden dat zij overzien welke mate van geweld noodzakelijk is en vervolgens dienovereenkomstig handelen.
Specifiek ten aanzien van verdachte merkt het Gerecht nog het volgende op.
Verdachte heeft aandacht gevraagd voor het moment waarop aangever hem bij zijn benen pakte. Naar eigen zeggen had verdachte het idee dat hij op dat moment werd aangevallen en dat hij (ditmaal) zichzelf moest verdedigen. De schop in de richting van het gezicht van aangever was dus ook het gevolg van noodweer, aldus verdachte. Het Gerecht overweegt hierover dat de beelden uitwijzen dat verdachte een schop gaf aan aangever en aangever vervolgens probeert de benen van verdachte te pakken. Het Gerecht interpreteert dit niet als een aanval van aangever, maar als verdediging; aangever probeert de benen van verdachte te controleren, zodat hij niet nogmaals geschopt zou worden. Uiteindelijk schopt verdachte hem nog wel een keer. Naar het oordeel van het Gerecht kan niet gezegd worden dat deze laatste schop uit noodweer was, omdat aangever uit verdediging de benen van verdachte greep, terwijl aangever al wederrechtelijk (want buiten de grenzen van noodzakelijke verdediging) werd belaagd.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Noodweerexces
Omdat verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt de vraag aan de orde of hij dat heeft gedaan als gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Hiervan is niet gebleken. Verdachte heeft slechts verklaard dat hij zich heeft willen verdedigen, maar heeft niet verklaard over enige gemoedsbeweging die maakte dat hij verder is gegaan dan noodzakelijk. Ook dit verweer wordt dan ook verworpen.
Zodoende zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte uitsluiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangegeven zich bij een bewezenverklaring te kunnen verenigen met de strafeis van de officier van justitie.
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer werd bruusk beetgepakt door verdachte en zijn collega’s en naar buiten gesleept. Buiten hebben zij hem geslagen en geschopt, waarbij het slachtoffer gewond is geraakt. Verdachte en zijn collega’s hebben excessief geweld gebruikt. Dit past niet bij de taak van beveiligers, die juist de-escalerend op moeten treden en voor de veiligheid van de gasten moeten zorgen. Het geweld heeft plaatsgevonden in een uitgaansgelegenheid en meerdere mensen zijn hier getuige van geweest. Zulke feiten hebben daarmee niet alleen gevolgen voor het slachtoffer, maar versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Voor het slachtoffer was het een traumatische ervaring, die het slachtoffer ongetwijfeld nog lang bij zal blijven.
Voor openlijke geweldpleging tegen personen, met (licht) letsel tot gevolg, worden in de regel taakstraffen opgelegd, eventueel in combinatie met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf.
Het Gerecht weegt in het voordeel van verdachte mee dat zijn handelingen een reactie vormden op de handelingen van aangever. De reactie van verdachte was strafrechtelijk onjuist, maar het is niet zo dat verdachte uit is geweest op geweld. Het werk als beveiliger is niet eenvoudig en verdachte heeft in een chaotische situatie verkeerde keuzes gemaakt.
De persoon van de verdachte
Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij mede vanwege dit incident gestopt is met het werk in de beveiliging. Hij heeft een andere baan gevonden en werkt aan een stabiele toekomst. Een gevangenisstraf zou nadelig kunnen uitwerken op zijn baan en zijn toekomst op Aruba.
Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 25 november 2025 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Conclusie
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld ziet het Gerecht aanleiding om aan verdachte uitsluitend een taakstraf op te leggen. Het Gerecht ziet geen aanleiding om, zoals geëist door de officier van justitie, ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede in het licht van het feit dat verdachte niet langer als beveiliger werkzaam is en er in zoverre dus geen gevaar voor herhaling is.
Het Gerecht zal vanuit een oogpunt van normhandhaving aan verdachte wel een forse taakstraf opleggen, nu zijn aandeel bestond uit het trappen in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Dergelijke handelingen kunnen leiden tot ernstig letsel.
Het Gerecht zal, alles overziend, aan verdachte een taakstraf van 180 uren opleggen, bij niet uitvoeren te vervangen door 90 dagen hechtenis.
9
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:45 en 1:46 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtachtig (180) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door negentig (90) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, rechter, bijgestaan door mr. U. Posthumus, zittingsgriffier, en op 12 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.