Vreemdelingenrecht

herhaald en ingelast, artikel 12 Dvo

Rechtbank Den Haag, 15 juni 2026

Zaakgegevens

Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17058 en NL26.17059
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16248
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

herhaald en ingelast, artikel 12 Dvo

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.17058 en NL26.17059


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. C. Mayne),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1986 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser stelt allereerst dat hij zijn standpunten zoals naar voren gebracht in de zienswijze handhaaft. Eiser stelt verder dat verweerder een onjuiste einddatum voor eisers visum als uitgangspunt heeft genomen, namelijk 13 mei 2025, terwijl eiser uitgaat van de datum van verlopen van het visum, te weten 28 april 2025. Eiser stelt daartoe dat de geldigheidsduur van zijn visum moet worden bepaald door het moment van inreis en de maximale verblijfsduur na binnenkomst.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

7. Ten aanzien van eisers stelling over de datum van verlopen van het visum overweegt de rechtbank als volgt. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de geldigheidsduur van zijn visum wordt bepaald door het verstrijken van de maximale toegestane elf dagen na binnenkomst, te weten 28 april 2025. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2019 overwogen dat voor de term ‘verlopen’ uit artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, gezien de context en het doel van die bepaling, moet worden aangesloten bij de geldigheidsduur van het visum en niet de maximale verblijfsduur waarop het visum recht geeft. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere uitleg van de term ‘verlopen’ te komen. Uit de door eiser overlegde foto van het visum en EU-VIS resultaat blijkt dat het visum geldig was tot 13 mei 2025. Nu op 7 november 2025, de dag van de asielaanvraag van eiser in Nederland, nog geen zes maanden waren verstreken sinds 13 mei 2025 stelt verweerder terecht dat Duitsland op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RVS:2019:2486 Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.