Vreemdelingenrecht

De rechtbank oordeelt in deze zaak dat de minister het asielmotief van eiseres te beperkt heeft beoordeeld…

Rechtbank Den Haag, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.63360
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23052
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank oordeelt in deze zaak dat de minister het asielmotief van eiseres te beperkt heeft beoordeeld. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar ernstige psychische klachten door de druk rondom het gedwongen huwelijk. Ook had de minister moeten onderzoeken of Tunesische vrouwen die een gedwongen huwelijk weigeren, kunnen worden gezien als een bepaalde sociale groep die bescherming tegen vervolging kan krijgen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat het aan de minister is om een nieuwe zwaarwegendheidsbeoordeling te maken.

Beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63360 V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1987, van Tunesische nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit waarmee de asielaanvraag is afgewezen geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 21 november 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H. Lotfi als tolk in de taal Tunesisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag. Eiseres wordt sinds haar achttiende levensjaar onder druk gezet door haar moeder en neef

om met haar neef te trouwen. Eiseres wil dat niet, maar haar neef wil dat niet begrijpen. Hij zoekt haar thuis op, blijft proberen haar te overtuigen en stuurt dreigende berichten. Ook probeert hij haar aan te raken. Als eiseres dat vervolgens niet toelaat, wordt hij boos. Eiseres ervaart hierdoor zware psychische klachten en leeft constant in angst. Zij is meermaals naar het huis van een van haar zussen gevlucht. Eiseres benadrukt de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in Tunesië en, in het bijzonder, het gebrek aan zelfbeschikking en bescherming voor vrouwen. Bij terugkeer naar Tunesië vreest eiseres een gedwongen huwelijk, eerwraak en herhaald geweld zonder effectieve bescherming van de autoriteiten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

- de vrees voor gedwongen uithuwelijking van eiseres aan haar neef.

4.1.

De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de gedwongen uithuwelijking van eiseres aan haar neef wordt expliciet in het midden gelaten. Dit asielmotief beoordeelt de minister enkel op zwaarwegendheid.

4.2.

De minister wijst de asielaanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw1 (oud) af als ongegrond. Volgens de minister kwalificeert eiseres niet als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, lid 1 onder a Vw (oud), omdat de vrees van eiseres om onder druk te worden gezet om met haar neef te trouwen niet te herleiden is naar een van de vijf verdragsgronden. Daarnaast is volgens de minister niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Tunesië een reëel risico loopt op ernstige schade, in de zin van artikel 29, lid 1 onder b Vw. Hoewel de minister het aannemelijk vindt dat eiseres door haar neef en moeder onder druk zal worden gezet om met haar neef te trouwen, is dit volgens de minister niet zwaarwegend genoeg om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Eiseres heeft, ondanks deze druk, namelijk twintig jaar lang kunnen studeren, werken en dus functioneren in Tunesië. Daarnaast heeft de neef van eiseres haar alleen verbaal bedreigd en zijn deze verbale dreigingen volgens de minister onvoldoende zwaarwegend om te spreken van ernstige schade. De minister acht het daarbij van belang dat eiseres nooit bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten. Ten aanzien van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen overweegt de minister dat eiseres onvoldoende concreet gemaakt heeft wat dit voor haar betekent.

Het oordeel van de rechtbank

De geloofwaardigheidsbeoordeling

5. Eiseres kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat de geloofwaardigheid van de gedwongen uithuwelijking in het midden kon worden gelaten.

5.1.

Eiseres wordt hier door de rechtbank niet in gevolgd. Zoals de minister terecht heeft overwogen, had de minister op grond van paragraaf C1/4.1 onder 5 van de Vc2 (oud) de mogelijkheid om de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op (onder andere) de asielmotieven in het midden te laten en deze feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. Op grond van de huidige paragraaf C/4.1 onder 5 van de Vc bestaat deze mogelijkheid nog steeds. Het is niet gebleken dat eiseres hierdoor is benadeeld. Dat betekent dat deze beroepsgrond in zoverre niet slaagt.

5.2.

Op basis van de toelichting die eiseres hierover tijdens de zitting heeft gegeven, begrijpt de rechtbank het standpunt van eiseres echter zo, dat zij hier (ook) mee bedoelt te zeggen dat de minister de ernst van de door eiseres ervaren en gevreesde (psychische) gevolgen onvoldoende in de zwaarwegendheidsbeoordeling heeft betrokken. De rechtbank zal hierna, in overweging 6.1, haar oordeel hierover geven.

De zwaarwegendheidsbeoordeling

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat zij niet kwalificeert als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, lid 1 onder a Vw (oud). Volgens eiseres miskent de minister dat zij als Tunesische vrouw die een gedwongen huwelijk weigert tot een kwetsbare sociale groep behoort en om die reden het risico loopt op vervolging. Daarbij hanteert de minister volgens eiseres een te beperkte uitleg van het begrip ‘vervolging’. Structurele en jarenlange verbale bedreigingen, psychische terreur, stalking en druk om een gedwongen huwelijk te accepteren komen (gezamenlijk) neer op ernstige psychische mishandeling en aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit. Hiermee wordt wel degelijk voldaan aan de vereisten voor ‘vervolging’, aldus eiseres. Ook is hiermee sprake van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM3, waardoor er – anders dan de minister stelt – gegronde redenen zijn om aan te nemen dat eiseres bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, lid 1 onder b Vw (oud).

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het asielmotief van eiseres te beperkt geformuleerd. Door het asielmotief te beperken tot de vrees voor gedwongen uithuwelijking, gaat de minister voorbij aan de zware psychische klachten die eiseres stelt te ervaren door de druk die op haar wordt uitgeoefend. Het gevolg hiervan is dat de minister, zowel voor de vraag of zij als verdragsvluchteling kwalificeert, als voor de vraag of zij een reëel risico loopt op ernstige schade, ook de zwaarwegendheidsbeoordeling te beperkt heeft uitgevoerd. Zo heeft de minister bij de beoordeling van de vraag of de vrees voor uithuwelijking voldoende zwaarwegend is, mogen betrekken dat eiseres al 20 jaar lang aan het gedwongen huwelijk heeft weten te ontkomen. Dat eiseres al 20 jaar lang aan het huwelijk heeft weten te ontkomen, zegt echter niets over de zwaarwegendheid van de psychische druk die zij hierdoor ervaart.

6.2.

De rechtbank volgt eiseres hiernaast in haar standpunt dat de minister onterecht voorbij is gegaan aan de beoordeling van de vraag of zij als Tunesische vrouw die een

gedwongen huwelijk weigert, behoort tot een bepaalde sociale groep en daardoor gegronde vrees heeft voor vervolging (een van de vijf verdragsgronden). Uit de rechtspraak van het HvJEU4 volgt dat, naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel, als meer beperkte groepen, zoals vrouwen die zich aan een gedwongen huwelijk hebben onttrokken, kunnen kwalificeren als ‘sociale groep’:5

“58. Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen vrouwen die een gedwongen huwelijk weigeren, wanneer een dergelijke praktijk in hun samenleving als een sociale norm kan worden beschouwd, of vrouwen die deze norm schenden door een einde te maken aan een dergelijk huwelijk, in hun land van herkomst worden geacht deel uit te maken van een sociale groep met een eigen identiteit, indien zij wegens dergelijke gedragingen worden gestigmatiseerd en worden blootgesteld aan de afkeuring van hun directe omgeving, met sociale uitsluiting of daden van geweld tot gevolg.

59. In de vijfde plaats staat het aan de betrokken lidstaat om bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat gebaseerd is op het behoren tot een bepaalde sociale groep, na te gaan of de persoon die zich op deze vervolgingsgrond beroept ‘gegronde vrees’ heeft om in zijn land van herkomst te worden vervolgd omdat hij tot een bepaalde sociale groep behoort in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95.

60. In dit verband moet de beoordeling of de vrees van een verzoeker voor vervolging gegrond is, volgens artikel 4, lid 3, van deze richtlijn plaatsvinden op individuele basis en per geval met waakzaamheid en voorzichtigheid worden verricht, uitsluitend op basis van een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden, overeenkomstig de regels die niet alleen in lid 3 maar ook in lid 4 van dat artikel zijn neergelegd, teneinde uit te maken of de vastgestelde feiten en omstandigheden een zodanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst [zie in die zin arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst), C-151/22, EU:C:2023:688, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

61. Zoals staat te lezen in punt 36, onder x), van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, moet daartoe informatie worden verzameld over het land van herkomst die relevant is voor de behandeling van verzoeken tot toekenning van de vluchtelingenstatus die zijn ingediend door vrouwen, zoals de rechtspositie van vrouwen, hun politieke, economische en sociale rechten, de culturele en sociale gewoonten van het land en de gevolgen van niet-naleving ervan door die vrouwen, de frequentie van de schadelijke traditionele praktijken, de impact en de vormen van geweld tegen vrouwen die zijn gemeld, de bescherming die zij genieten, de straffen die de daders van dergelijk geweld worden opgelegd en

de risico's die een vrouw loopt als zij terugkeert naar haar land van herkomst nadat zij een dergelijk verzoek heeft ingediend.

62. Gelet op een en ander dient op eerste drie prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, naargelang van de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, kunnen worden geacht te behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’, wat een ‘grond van vervolging’ kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.”

6.3.

De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen en ook onvoldoende is gemotiveerd. De minister zal alsnog moeten onderzoeken, in overeenstemming met de hiervoor geciteerde overwegingen van het HvJEU, of eiseres in aanmerking komt voor bescherming als lid van een sociale groep. Dat betekent ook dat niet alleen aandacht dient te worden besteed aan het gevaar dat eiseres alsnog zal worden gedwongen een huwelijk aan te gaan met haar neef, maar ook aan andere gevolgen die de weigering daarvan voor haar heeft en de bescherming die zij in Tunesië kan krijgen.

Conclusie en gevolgen

7. Dit betekent dat het beroep slaagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat het aan de minister is om een nieuwe zwaarwegendheidsbeoordeling te maken.

7.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb6 dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De minister dient daarbij alle door eiseres overgelegde documenten kenbaar te betrekken, waaronder de door eiseres overgelegde Facebook-berichten. Indien de minister twijfels heeft over de vraag van wie deze berichten afkomstig zijn, dient de minister eiseres een redelijke gelegenheid te bieden hier alsnog duidelijkheid over te geven.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A. Bavinck, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Vreemdelingenwet 2000.

2 Vreemdelingencirculaire 2000 (C).

3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

4 Hof van Justitie van de Europese Unie.

5 Zie het arrest WS van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2024, C-621/21, ECLI:EU:C:2024:47, r.o. 58 t/m 62.

6 Algemene wet bestuursrecht.