Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:1998

Op 6 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.38293, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:1998. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.38293
Datum uitspraak:
6 February 2026
Datum publicatie:
6 February 2026

Indicatie

Asiel, gegrond. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres op verschillende momenten tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat leden van een islamitische terroristengroep haar hebben ontvoerd, verkracht, bekeerd en haar man telefonisch hebben bedreigd. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het daarbij volgens eiseres gaat om een islamitische terroristische groep niet los kan worden gezien van de gebeurtenissen. Deze omstandigheid raakt de kern van het relaas van eiseres en kan daarvan niet worden losgetrokken. Dat betekent dan ook dat de minister dit asielmotief niet juist en volledig heeft vastgesteld. En daarmee is dit asielmotief dus ook ten onrechte niet in zijn geheel beoordeeld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering, die niet is gegeven, de minister onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat er geen verband is tussen de geloofwaardig geachte gebeurtenissen en het zijn van (Koptisch) christen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38293

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiseres,

V-nummer: [v-nummer 1],

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam 2]

V-nummer: [v-nummer 2],

[naam 3] ,

V-nummer: [v-nummer 3],

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit waarin de asielaanvraag is afgewezen. Eiseres heeft op 19 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De minderjarige dochters hebben aan het eind van de zitting verteld hoe zij de situatie beleven.

Overwegingen

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

5. Eiseres is een Egyptisch koptisch orthodoxe vrouw. Zij verklaart dat zij in Egypte is ontvoerd en verkracht door twee mannen van een islamitische terroristengroep. Het doel van deze mannen was om eiseres te bekeren tot de Islam. Eiseres is tijdens de ontvoering mondeling bekeerd en vervolgens gedwongen hier documenten voor te ondertekenen. Nadat zij is vrijgelaten begonnen de dreigtelefoontjes naar haar man omdat eiseres openlijk moest uitkomen als moslima. Naar aanleiding van deze telefoontjes heeft eiseres ondergedoken gezeten en is zij uiteindelijk gevlucht uit Egypte. Bij terugkeer vreest eiseres voor haar eigen veiligheid en die van haar twee minderjarige dochters. Via de correcties en aanvullingen heeft eiseres aanvullend aangegeven dat zij vreest dat haar dochters bij terugkeer naar Egypte besneden zullen worden.

Het bestreden besluit

6. De minister stelt zich op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De ontvoering, verkrachting, veronderstelde bekering en telefonische bedreiging zijn volgens de minister ook geloofwaardig. Dat de dochters van eiseres niet zijn besneden wordt door de minister tot slot ook geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of dat eiseres bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres kan de hulp inroepen van de autoriteiten, omdat niet aannemelijk is dat de feiten zijn gepleegd door leden van een terroristische organisatie die invloedrijk is. Daarnaast heeft zij de vrees voor besnijdenis van haar dochters niet aannemelijk gemaakt. De minister wijst de aanvraag af als ongegrond.

De gronden van beroep

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres over de daders achter de gebeurtenissen en dat zij tot een invloedrijke organisatie behoren niet geloofwaardig worden geacht. Niet is gebleken dat de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Door de minister is niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiseres benadrukt dat sprake is van een gedwongen bekering en dat zij bij de autoriteiten weliswaar als christen staat geregistreerd, maar feitelijk is bekeerd tot moslima. Door het christendom te blijven praktiseren wordt zij als afvallige van de islam gezien. Het is volgens eiseres onmogelijk en niet logisch dat de minister de gedwongen bekering geloofwaardig acht, maar niet geloofwaardig acht dat eiseres als afvallige wordt beschouwd nu zij zich niet aan de islam houdt. De minister miskent dat eiseres geen problemen heeft met de autoriteiten en niet voor hen te vrezen heeft, maar voor de islamitische groepering die haar heeft ontvoerd, verkracht, gedwongen bekeerd tot de islam en haar heeft bedreigd. De door eiseres overgelegde verklaring van de advocaat en medische stukken van een psycholoog en gynaecoloog zijn niet kenbaar in de besluitvorming betrokken. Bij terugkeer naar Egypte heeft eiseres te vrezen voor vervolging in verband met haar religie waartegen geen bescherming kan worden geboden. Tot slot vreest eiseres bij terugkeer voor besnijdenis van haar dochters. De dochters van eiseres hebben hiermee een zelfstandig asielmotief waarop door de minister een beslissing moet worden genomen.

Beoordeling door de rechtbank

De asielmotieven

8. Bij de beoordeling van het asielrelaas moet de minister eerst de relevante elementen vaststellen en daarna moet de minister beoordelen of die elementen geloofwaardig zijn en of ze aanleiding vormen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn dat in verband staat met vluchtelingschap of subsidiaire beschermingsstatus (Voetnoot 1).

8.1.

In het nader gehoor heeft eiseres verklaard over de ontvoering, verkrachting, bekering en telefonisch bedreiging. Dit is door de minister geloofwaardig geacht.

8.2

Eiseres heeft in haar verklaringen steeds benadrukt dat de feiten zijn gepleegd door leden van een islamitische terroristengroep. Zo heeft zij verklaard dat het een terroristengroep is en zij niet weet welke naam zij gebruiken. De groepen krijgen allemaal de titel Islamitische terroristische groep. Eiseres geeft aan dat en waarom zij denkt dat het een georganiseerde terroristengroep is. Daaraan voegt zij toe dat zij “eerder heeft gehoord en gelezen over vrouwen die werden ontvoerd en gedwongen bekeerd door de Islam”. (Voetnoot 2) Ook verklaart eiseres “deze mannen handelen niet zelfstandig. Maar ze zijn zeker lid of horen bij een groep die hun ondersteund (…) We hebben het hier niet over twee mannen, maar over een samenwerking van een groep”. (Voetnoot 3) En verder: “Ik heb verteld dat deze twee mannen zeker voor een terroristische organisatie werken met veel contacten, waardoor ze erachter zijn gekomen dat ik ben vertrokken uit Egypte. De twee mannen die mij ontvoerd hebben zijn zeker leden of behoren tot een terreurgroep, de betrokkene ontvoeren christelijke vrouwen en bekeren hen tot de islam”. (Voetnoot 4) “Het is niet alleen die twee mannen, het is de terreurgroep, die willen mij onder controle houden. De islamitische shareaa moet uitgevoerd worden”. (Voetnoot 5) “ik ben niet het eerste slachtoffer en ik zal helaas ook niet het laatste slachtoffer zijn van de islamitische terreurgroep”. (Voetnoot 6)

8.3

In de samenvatting die de hoormedewerker aan het eind van het nader gehoor heeft gemaakt is onder meer te lezen: “U heeft verklaard dat u in Egypte ontvoerd en verkracht bent door twee mannen van een islamitische terroristengroep”.

8.4

Uit het voorgaande blijkt dat eiseres op verschillende momenten tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat leden van een islamitische terroristengroep haar hebben ontvoerd, verkracht, bekeerd en haar man telefonisch hebben bedreigd. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het daarbij volgens eiseres gaat om een islamitische terroristische groep niet los kan worden gezien van de gebeurtenissen. Deze omstandigheid raakt de kern van het relaas van eiseres en kan daarvan niet worden losgetrokken. Dat betekent dan ook dat de minister dit asielmotief niet juist en volledig heeft vastgesteld. En daarmee is dit asielmotief dus ook ten onrechte niet in zijn geheel beoordeeld.

Heeft eiseres te vrezen voor vervolging dan wel loopt zij een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Egypte?

Heeft de minister het ontbreken van het verband tussen de gebeurtenissen en het zijn van Koptisch-christen begrijpelijk gemotiveerd?

9. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvoering, verkrachting, veronderstelde bekering en telefonische bedreiging verband houden met het feit dat zij een Koptisch-christen is.

9.1

Tijdens het nader gehoor heeft eiseres over de telefoontjes aan haar man verklaard dat hij kreeg te horen “dat ze weten dat ik nog leef en dat ze weten dat ik mij heb bekeerd tot de islam. Als ik anders ga doen, val ik onder de afvalligen. En als afvallige verdien ik de doodstraf”. (Voetnoot 7) Eiseres heeft verklaard dat makkelijk te herkennen was dat zij geen moslima is, maar christelijk toen zij in de taxi stapte, omdat zij geen hoofddoek droeg, een shirt met korte mouwen en een ketting met een kruis. (Voetnoot 8) Later heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij op haar pols het koptische kruis heeft getatoeëerd en christenen die al vroeg in hun leven krijgen. (Voetnoot 9) Eiseres heeft verklaard dat de betrokkenen christelijke vrouwen ontvoeren en hen bekeren tot de islam. (Voetnoot 10) In de correcties en aanvullingen is er naar diverse nieuwsberichten verwezen om de verklaring van eiseres te onderbouwen “dat er in Egypte sprake is van een gestructureerde praktijk van moslimfundamentalisten om Koptische christelijke vrouwen gedwongen te laten bekeren naar de islam”.

9.2

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering, die niet is gegeven, de minister onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat er geen verband is tussen de geloofwaardig geachte gebeurtenissen en het zijn van (Koptisch) christen.

Vrees voor besnijdenis van de minderjarige dochters

10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochters bij terugkeer naar Egypte een reëel risico lopen op ernstige schade door gedwongen besnijdenis. Eiseres heeft aangegeven tegenstander te zijn van een besnijdenis. De minister heeft eiseres terecht tegengeworpen dat haar verklaring dat haar echtgenoot vóór besnijdenis zou zijn, in strijd is met haar eerdere verklaringen. Uit de algemene landeninformatie volgt dat de beslissing om wel of niet tot besnijdenis over te gaan bij de ouders ligt. De minister heeft eiseres tegen kunnen werpen dat zij tot op heden hebben weten te voorkomen dat hun dochters worden besneden. De rechtbank ziet in de niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat zij vanwege haar gezondheid minder goed in staat is zich tegen besnijdenis te verzetten geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Documenten

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door haar overgelegde medische stukken uit Egypte en Nederland en de vertaalde verklaring van haar advocaat in Egypte niet kenbaar in de beoordeling zijn betrokken. In het voornemen is benoemd dat eiseres deze documenten heeft. Bij de beoordeling van de motieven heeft de minister zich bij ieder afzonderlijk motief op het standpunt gesteld dat eiseres geen documenten heeft overgelegd om het motief te staven. Volgens de minister is er niet specifiek op de door eiseres overgelegde documenten ingegaan, maar zijn deze wel betrokken bij de beoordeling van de asielmotieven bij het besluit. De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is of en hoe de documenten in de beoordeling zijn betrokken. De enkele stelling op zitting dat ze zijn betrokken is onvoldoende. Daarmee zijn de documenten door de minister niet kenbaar in de beoordeling betrokken, zodat het besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de relevante elementen niet volledig vastgesteld en in zijn geheel beoordeeld door de daders los te trekken van de gebeurtenissen. Verder is onbegrijpelijk gemotiveerd dat er geen verband is tussen de geloofwaardig geachte gebeurtenissen en het zijn van (Koptisch) christen. Tot slot zijn de medische documenten en de vertaalde verklaring van de advocaat niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.

13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 17 juli 2025;

draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815 en van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4352.

Voetnoot 2

Nader gehoor, pagina 11.

Voetnoot 3

Nader gehoor, pagina 13.

Voetnoot 4

Nader gehoor, pagina 14.

Voetnoot 5

Nader gehoor, pagina 14.

Voetnoot 6

Nader gehoor, pagina 15.

Voetnoot 7

Nader gehoor, pagina 8, 9 en opnieuw op pagina 10.

Voetnoot 8

Nader gehoor, pagina 12.

Voetnoot 9

Nader gehoor, pagina 14.

Voetnoot 10

Nader gehoor, pagina 14.