Vreemdelingenrecht

AMBv; Frankrijk; interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.50622
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31684
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AMBv; Frankrijk; interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50622


uitspraak van de enkelvoudige kamer van datum in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 3 juni 2026 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hier op 17 september 2026 schriftelijk op gereageerd.

1.2.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

2.1.

In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een kennisgeving inzake terugname gedaan. Frankrijk heeft de kennisgeving bevestigd.

Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

3. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Hij wijst hierbij op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2026. Verder voert eiser aan dat hij bij overdracht naar Frankrijk op straat terecht zal komen en hiertegen geen effectief rechtsmiddel zal kunnen aanwenden.

3.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat hij voor Frankrijk uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt namelijk uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft dit nog bevestigd in de uitspraken van 13 februari 2026 en 13 maart 2026. Uit deze rechtspraak volgt dat er problemen zijn in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling.

3.2.

De door eiser genoemde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geven geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Eiser heeft gelijk dat in die uitspraken is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit omdat uit het nieuwste AIDA-rapport van mei 2026 (updaterapport) zou blijken dat in 2025 slechts 20,2 procent van zowel terugkeerders op grond van de AMB-verordening als asielzoekers die daar in de procedure op grond van de AMB-verordening zijn opgenomen fysieke opvang zouden hebben gekregen. Maar de minister stelt terecht dat dit niet uit de betreffende passage in het updaterapport volgt, zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juli 2026, en later ook door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. Het genoemde percentage heeft namelijk alleen betrekking op asielzoekers in Frankrijk, wiens aanvragen door de Franse autoriteiten in de procedure op grond van de AMB-verordening zijn opgenomen. Dit volgt allereerst uit het feit dat in die passage staat dat terugkeerders op grond van de AMB-verordening in de ‘gewone’ asielprocedure worden opgenomen en de bijbehorende opvangrechten hebben. Dit volgt verder uit het feit dat er alleen over ‘Dublin applicants’ wordt gesproken in de specifieke zin waarin het percentage wordt genoemd en niet over ‘Dublin returnees’ zoals elders in de passage. Dit wordt bevestigd doordat het daar genoemde totale aantal van 24.174 asielzoekers overeen komt met het elders in het updaterapport genoemde aantal asielzoekers in Frankrijk dat door de Franse autoriteiten in de procedure op grond van de AMB-verordening is opgenomen. De opvangsituatie van asielzoekers die op grond van de AMB-verordening door andere lidstaten aan Frankrijk zijn overgedragen, is blijkens het updaterapport echter niet verslechterd ten opzichte van de situatie zoals die wordt geschetst in de eerdere AIDA-rapporten die de Afdeling heeft betrokken in de eerdergenoemde rechtspraak. De huidige opvangsituatie voor terugkeerders is dan ook onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er bij een overdracht naar Frankrijk een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling.

3.3.

Ten slotte leidt eisers stelling dat hij in Frankrijk op straat zal belanden ook niet tot een ander oordeel. Eiser heeft hier immers geen onderbouwing voor gegeven. De stelling dat eiser hiertegen geen effectief rechtsmiddel zal kunnen aanwenden, heeft eiser evenmin onderbouwd. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat eiser kan klagen bij de Franse autoriteiten bij voorkomende problemen met de opvang of anderszins.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Rb. Den Haag, zp. Haarlem 17 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23149 en ECLI:NL:RBDHA:2026:23878. ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623. ABRvS 13 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:786 en 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1443. AIDA Country Report: France (Update on 2025 – May 2026). Rb. Den Haag, zp. Haarlem 17 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23149, overweging 4.4. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20225, overwegingen 5.2 en 5.3. Rb. Den Haag, zp. Haarlem 10 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26799, overweging 5.2. en Rb. Den Haag, zp. Haarlem 17 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27259, overweging 5.5. Zie AIDA Country Report: France (Update on 2025 – May 2026), pagina’s 19 en 30. Vergelijk AIDA Country Report: France (Update on 2025 – May 2026), pagina 79, en AIDA Country Report: France (2024 Update: June 2025), pagina 75.