RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: NL26.40139, NL26.40140, NL26.40141 en NL26.40142
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] en [eiseres], eiser en eiseres, samen eisers,
V-nummers: [# 1] en [# 2],
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam kind 1] en [naam kind 2],
V-nummers: [# 3] en [# 4]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Samenvatting
1. De rechtbank heeft deze zaak op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank geeft hieronder een samenvatting van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] en [eiseres]. De rechtbank noemt hen hierna eisers.
2. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers, die zij mede namens hun minderjarige kinderen hebben ingediend. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen.
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen niet voldoet aan de regels van de wet. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft Frankrijk ten onrechte verantwoordelijke geacht voor de behandeling van de asielaanvragen. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Bovendien blijkt uit het AIDA-rapport over Frankrijk van mei 2026 dat eisers en hun kinderen bij hun herhaalde asielaanvraag in Frankrijk vermoedelijk geen opvang zullen krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
Procesverloop
4. Eisers hebben op 22 april 2026 asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 10 juli 2026 deze aanvragen niet in behandeling genomen.
4.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Ook hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening.
4.2.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. (Voetnoot 1) Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). (Voetnoot 2) In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. De bestreden besluiten zijn echter genomen op 10 juli 2026, toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
5.1.
Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eisers al tweemaal asiel hebben aangevraagd in Frankrijk. Op 4 juni 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek verstuurd aan Frankrijk. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 15 juni 2026 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast komen te staan.
Heeft verweerder de voornemens ten onrechte gemotiveerd met standaardoverwegingen?
6. Eisers voeren aan dat de voornemens alleen standaardoverwegingen bevatten. Verweerder heeft de in het gehoor naar voren gebrachte individuele omstandigheden niet benoemd en niet kenbaar meegenomen in de voornemens.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak (Voetnoot 3) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder niet al in het voornemen expliciet op alle door een vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden moet ingaan. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Had verweerder eiser moeten horen?
7. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord omdat er geen tolk beschikbaar was. Daardoor is hij niet op de hoogte gesteld van de voorgenomen overdracht en kon hij zijn bezwaren daartegen niet naar voren brengen.
7.1.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat er geen gebrek is. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om zijn bezwaren in de zienswijze naar voren te brengen en de bezwaren die eiseres in haar gehoor naar voren heeft gebracht zijn door verweerder meegenomen in de beoordeling. Het relaas van eiseres zou in grote lijnen hetzelfde moeten zijn als dat van eiser vanwege de reis die ze samen hebben gemaakt en de periode die ze samen hebben doorgebracht. Daarnaast is op 12 juni 2026 de AMBV ingegaan en hoeft er om die reden ook geen gehoor meer plaats te vinden. Subsidiair stelt verweerder dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door geen gehoor te laten plaatsvinden.
7.2.
De rechtbank overweegt dat in de AMBV, net als in de Dublinverordening, het uitgangspunt is opgenomen dat de aanvrager van asiel wordt gehoord en dat daarvan alleen in specifiek omschreven omstandigheden kan worden afgezien. Het niet beschikbaar zijn van een tolk is niet zo’n omschreven omstandigheid. Verweerder kon dus niet om die reden afzien van het horen van eiser.
7.3.
De beroepsgrond slaagt. Gelet op de overwegingen hierna, laat de rechtbank de vraag of dit gebrek moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit ten aanzien van eiser in het midden.
Kon verweerder voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
8. Eisers voeren aan dat verweerder ten aanzien van Frankrijk niet uit kon gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij stellen dat ze in Frankrijk geen opvang en voedsel hebben gekregen en dat zij met hun twee kleine kinderen op straat hebben moeten leven. Het AIDA-rapport van juni 2025 (Voetnoot 4) schetst op pagina 121 en verder de slechte huisvestingssituatie voor asielzoekers in Frankrijk. Verder hebben eisers er ter zitting op gewezen dat op pagina 109 van het AIDA-rapport van mei 2026 (Voetnoot 5) staat dat Frankrijk systematisch geen opvang verleent aan asielzoekers die een herhaalde aanvraag doen. Aangezien eisers beide al twee eerdere asielverzoeken hebben gedaan, zullen zij bij terugkeer naar Frankrijk dus vrijwel zeker geen huisvesting krijgen.
8.1.
Verweerder stelt dat de Afdelingsuitspraken van 30 augustus 2024 (Voetnoot 6) en 31 juli 2025 (Voetnoot 7) bevestigen dat voor Frankrijk uit mag worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport volgt niet dat eisers geen opvang zullen krijgen of dat zij bij problemen niet kunnen klagen in Frankrijk. De verklaringen van eiseres en de zienswijze zijn onvoldoende voor een ander oordeel. Dat eisers in Frankrijk zijn afgewezen en geen goede opvang hebben gekregen, betekent ook niet dat zij bij terugkeer in dezelfde situatie terechtkomen. Ook hebben eisers niet met documenten aannemelijk gemaakt dat zij in Frankrijk geen opvang hebben gekregen.
8.2.
De rechtbank constateert dat uit het dossier blijkt dat eisers al twee asielaanvragen in Frankrijk hebben ingediend en dat beide aanvragen zijn afgewezen. Uit het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat ‘Dublin-terugkeerders’ in Frankrijk hetzelfde worden behandeld als reguliere asielzoekers. (Voetnoot 8)Over opvolgende aanvragen staat in het rapport het volgende: “The allocation of reception conditions is facultative for subsequent applications, and in practice almost systematically refused.” (Voetnoot 9)De rechtbank leidt hieruit af dat eisers vermoedelijk geen opvang zullen krijgen in Frankrijk gedurende hun asielprocedure, omdat het gaat om herhaalde aanvragen. Bovendien blijkt uit het rapport niet dat tweeoudergezinnen met jonge kinderen in Frankrijk worden aangemerkt als kwetsbare groep. (Voetnoot 10) De rechtbank kan uit het rapport dus ook niet afleiden dat eisers op grond van hun kwetsbaarheid in aanmerking zullen komen voor opvang. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er daarom serieuze aanwijzingen dat er in Frankrijk sprake is van een systeemfout in de asielopvang die ertoe zal leiden dat eisers en hun kinderen op straat zullen komen te staan.
8.3.
De beroepsgrond slaagt. Verweerder dient alsnog concreet en onderbouwd aannemelijk te maken dat eisers en hun kinderen in Frankrijk niet in een situatie terechtkomen die strijd oplevert met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Had verweerder toepassing moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid?
9. Eisers voeren aan dat verweerder hun aanvragen aan zich had moeten trekken door gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.
9.1.
De rechtbank overweegt dat verweerders stelling dat eisers op grond van de AMBV geen rechtsmiddel in kunnen stellen tegen het niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid, geen doel treft. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, toetst zij de bestreden besluiten nog op grond van artikel 27 van de Dublinverordening. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de voornemens die ten aanzien van eisers zijn uitgebracht is gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Verweerder zag geen bijzondere omstandigheden die reden geven om de aanvragen van eisers toch in behandeling te nemen. Verweerder heeft ter zitting verklaard bij dat standpunt te blijven. De rechtbank vindt dit standpunt van verweerder niet onredelijk. Ook in beroep hebben eisers geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd die reden kunnen geven om te oordelen dat verweerder hun aanvragen toch in behandeling moet nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:4 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.2.
Bij deze beslissing van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom de verzoeken daartoe af.
10.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepsschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoeken om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van 934,- en een wegingsfactor 1, waarbij de zaken van eiser en eiseres als één zaak worden aangemerkt omdat de gronden van beroep gelijkluidend zijn en één zitting heeft plaatsgevonden). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 10 juli 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.